Studiewijzers
Jeremia
Voetnoten

Hide Footnotes

Thema

Jeremia

Een profeet uit het Oude Testament die geboren was uit een priesterlijk geslacht en tussen 626 en 586 v.C. in Juda profeteerde. Hij leefde in dezelfde periode als andere grote profeten: Lehi, Ezechiël, Hosea en Daniël.

Jeremia was als profeet geordend in het voorsterfelijk bestaan (Jer. 1:4–5). Tijdens de ongeveer 40 jaar dat hij als profeet optrad, sprak hij zich uit tegen afgoderij en zedeloosheid onder het Joodse volk (Jer. 3:1–5; 7:8–10). Hij moest het hoofd bieden aan voortdurende tegenstand en smaad (Jer. 20:2; 36:18–19; 38:4). Na de val van Jeruzalem namen de Joden die vluchtten naar Egypte Jeremia met zich mee (Jer. 43:5–6), waar zij hem, volgens de overlevering, stenigden tot de dood erop volgde.

Het boek Jeremia

De hoofdstukken 1–6 bevatten profetieën die gegeven zijn tijdens de regering van Josia. De hoofdstukken 7–20 bestaan uit de profetieën uitgesproken in de tijd van Jojakim. De hoofdstukken 21–38 gaan over de regering van Zedekia. De hoofdstukken 39–44 bevatten profetieën en een beschrijving van de gebeurtenissen na de val van Jeruzalem. Hoofdstuk 45 bevat een belofte aan Baruch, zijn schrijver, dat diens leven zou worden gespaard. De hoofdstukken 46–51, ten slotte, bestaan uit profetieën tegen andere volken. Hoofdstuk 52 is een geschiedkundig slot. Er bevonden zich een aantal van Jeremia’s profetieën op de koperen platen van Laban die Nephi had bemachtigd (1 Ne. 5:10–13). Jeremia wordt op nog twee andere plaatsen in het Boek van Mormon genoemd (1 Ne. 7:14; Hel. 8:20).

Het boek Jeremia bevat ook de melding van het voorsterfelijk bestaan van de mens en van Jeremia’s voorsterfelijke ordening (Jer. 1:4–5); een profetie over de terugkeer van Israël vanuit hun verstrooiing, waarbij één uit een stad en twee uit een geslacht worden vergaderd tot Zion, een aangenaam land waar Israël en Juda in veiligheid en vrede kunnen wonen (Jer. 3:12–19); en een profetie dat de Heer Israël uit het land in het noorden zal vergaderen door vele ‘vissers’ en ‘jagers’ uit te zenden om hen te zoeken (Jer. 16:14–21). Deze gebeurtenis uit de laatste dagen zal naar verhouding zelfs groter zijn dan toen Mozes de Israëlieten uit het land Egypte deed optrekken (Jer. 16:13–15; 23:8).