Onderwerpen
    Hoofdstuk 11: Het leven van Christus
    Footnotes
    Theme

    Hoofdstuk 11

    Het leven van Christus

    Christ raising the daughter of Jairus

    Het leven van Christus is lang voor zijn geboorte voorzegd

    Iedereen die wordt geboren is afhankelijk van Jezus Christus en de belofte die Hij in de hemel gedaan heeft om onze Redder te zijn. Zonder Hem zou het heilsplan mislukt zijn. Daar zijn opdracht zo belangrijk was, hebben alle profeten van Adam tot Christus getuigd dat Hij zou komen (zie Handelingen 10:43). Alle profeten sinds Christus hebben getuigd dat Hij is gekomen. Wij dienen allemaal het leven van de Redder te bestuderen en Hem ons hele leven stipt te volgen.

    Een engel kwam Adam zeggen dat de naam van de Redder Jezus Christus zou zijn (zie Mozes 6:51–52). Henoch zag dat Jezus aan het kruis zou sterven en weer uit de dood zou verrijzen (zie Mozes 7:55–56). Noach en Mozes getuigden ook van Hem (zie Mozes 1:11; 8:23–24). Ongeveer achthonderd jaar vóór de geboorte van de Redder, voorzag de profeet Jesaja zijn leven. Toen Jesaja zag hoeveel smart en pijn de Redder zou lijden om voor onze zonden te boeten, riep hij uit:

    ‘Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte. (…)

    ‘Nochtans, onze ziekten heeft Hij op zich genomen, en onze smarten gedragen. (…)

    ‘Hij is waarlijk om onze overtredingen doorboord en om onze overtredingen verbrijzeld. (…)

    ‘Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt’ (Jesaja 53:3–5, 7).

    Ook Nephi zag een visioen over de toekomende geboorte en bediening van de Messias. Hij zag een bekoorlijke maagd, en een engel legde uit: ‘Zie, de maagd die gij aanschouwt, is de moeder van de Zoon Gods, naar het vlees’ (1 Nephi 11:18). Toen zag Nephi dat de maagd een kindje in haar armen hield. De engel verklaarde: ‘‘Zie het Lam Gods, ja, namelijk de Zoon van de eeuwige Vader!’ (1 Nephi 11:21–21.)

    124 jaar voordat Jezus werd geboren, voorzag ook koning Benjamin, een andere Nephitische profeet, het leven van de Redder:

    ‘Want zie, de tijd komt en is niet veraf, dat de almachtige Heer die regeert, die van alle eeuwigheid tot alle eeuwigheid was en is, met macht uit de hemel zal neerdalen onder de mensenkinderen en in een tabernakel van leem zal wonen en onder de mensen zal uitgaan en machtige wonderen verrichten — zoals de zieken genezen, de doden opwekken, de lammen doen lopen, de blinden hun gezicht geven en de doven doen horen en allerlei kwalen genezen.

    ‘En Hij zal duivels uitwerpen, ofwel de boze geesten die in het hart der mensenkinderen wonen.

    ‘En zie, Hij zal verzoekingen ondergaan, en lichamelijke pijn, honger, dorst en vermoeidheid, ja, meer dan de mens verdragen kan zonder eraan te sterven; want zie, er komt bloed uit iedere porie, zo groot zal zijn smart zijn wegens de goddeloosheid en gruwelen van zijn volk.

    ‘En Hij zal Jezus Christus heten, de Zoon van God, de Vader van hemel en aarde, de Schepper aller dingen vanaf het begin; en zijn moeder zal Maria heten’ (Mosiah 3:5–8).

    • Wat is er in het verleden over Jezus Christus geprofeteerd?

    Hij is de Eniggeborene van de Vader

    • Wat erfde Jezus Christus van zijn Vader? Wat erfde Jezus Christus van zijn moeder?

    Het verhaal over de geboorte en het leven van de Messias staat in het Nieuwe Testament in de boeken Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Uit die boeken leren wij dat Jezus uit een maagd, genaamd Maria, is geboren. Ze was ondertrouwd met Jozef toen er een engel Gods aan haar verscheen. De engel vertelde Maria dat zij de moeder van de Zoon van God zou worden. Ze vroeg hem hoe dat mogelijk was (zie Lucas 1:34). Hij antwoordde haar: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden’ (Lucas 1:35). Aldus werd God de Vader de natuurlijke Vader van Jezus Christus.

    Jezus is de enige die uit een sterfelijke moeder en een onsterfelijke Vader is geboren. Dat is waarom Hij de eniggeboren Zoon wordt genoemd. Hij erfde zijn goddelijke krachten van zijn Vader. Van zijn moeder erfde Hij zijn sterfelijkheid, waardoor Hij onderhevig was aan honger, dorst, vermoeidheid, pijn en de dood. Niemand kon de Heiland van het leven beroven, tenzij Hij het wilde. Hij had de macht om zijn leven af te leggen en het na zijn dood weer op te nemen. (Zie Johannes 10:17–18.)

    Hij leidde een volmaakt leven

    • Wat betekent Jezus’ leven voor ons?

    Vanaf zijn jeugd gehoorzaamde Jezus aan alles wat onze hemelse Vader van Hem verlangde. Thuis bij Maria en Jozef groeide Jezus grotendeels op zoals alle andere kinderen opgroeien. Hij hield van en gehoorzaamde de waarheid. Lucas schrijft: ‘Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem’ (Lucas 2:40; zie ook LV 93:12–14).

    Toen Hij twaalf was, was het Jezus duidelijk dat Hij gestuurd was om de wil van zijn Vader te doen. Hij ging met zijn ouders naar Jeruzalem. Toen zijn ouders naar huis teruggingen, kwamen zij erachter dat Hij zich niet in hun groep bevond. Zij gingen naar Jeruzalem terug om Hem te zoeken. ‘Na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij zat te midden der leraren, en zij luisterden naar Hem en stelden Hem vragen’ (Bijbelvertaling van Joseph Smith, Lucas 2:46). ‘Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden’ (Lucas 2:47).

    Jozef en Maria waren opgelucht dat ze Hem hadden gevonden, maar ‘ze stonden versteld en zijn moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken U met smart!’ Jezus antwoordde haar: ‘Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen [van mijn hemelse] Vader?’ (Lucas 2:48–49).

    Om zijn zending te kunnen volbrengen, moest Jezus de wil van zijn Vader in de hemel doen. ‘Ik [doe] niets uit Mijzelf’, verklaarde Hij, ‘[maar wat] de Vader Mij geleerd heeft. (…) want Ik doe altijd wat Hem behaagt’ (Johannes 8:28–29).

    Toen Jezus dertig was, ging Hij naar Johannes de Doper om zich te laten dopen in de Jordaan. Johannes wilde Jezus liever niet dopen, omdat hij wist dat Jezus voortreffelijker dan hij was. Jezus vroeg Johannes Hem te dopen om ‘alle gerechtigheid te vervullen’. Johannes heeft de Heiland in het water van de Jordaan gedoopt, waarbij hij Hem volledig onderdompelde. Toen Jezus was gedoopt, sprak zijn Vader uit de hemel: ‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ De Heilige Geest daalde neer, waarvan de duif het teken was. (Zie Matteüs 3:13–17.)

    Kort na zijn doop vastte Jezus veertig dagen en nachten om bij God te zijn. Daarna verscheen Satan om Hem te verleiden. Jezus bood resoluut weerstand tegen Satans verleidingen en gebood Satan vervolgens weg te gaan. (Zie Matteüs 4:1–11; zie ook Bijbelvertaling van Smith, Matteüs 4:1, 56, 89, 11.) Jezus Christus bleef zonder zonde, Hij is de enige volmaakte mens op aarde geweest (zie Hebreeën 4:15; 1 Petrus 2:21–22).

    • Welke verhalen uit het leven van de Heiland zijn in het bijzonder van betekenis voor u?

    Hij leerde ons iedereen lief te hebben en elkaar te dienen

    • Hoe leerde de Heiland ons hoe we elkaar moeten liefhebben en helpen?

    Na zijn vastenperiode en zijn confrontatie met Satan begon Jezus zijn openbare bediening. Hij is niet alleen naar de aarde gekomen om voor ons te sterven, maar ook om ons te leren hoe we moeten leven. Hij verklaarde dat er twee grote geboden zijn: ten eerste, God liefhebben met ons hele hart, verstand en sterkte; en ten tweede, anderen liefhebben zoals we onszelf liefhebben (zie Matteüs 22:36–39). Zijn leven is een voorbeeld van hoe we deze twee geboden gehoorzamen. Als we God liefhebben, vertrouwen we en gehoorzamen we Hem, zoals Jezus dat deed. Als we anderen liefhebben, verlenen we hulp om hun lichamelijke en geestelijke nood te lenigen.

    Jezus heeft zijn hele leven anderen gediend. Hij genas ze van ziekte. Hij liet de blinden zien, de doven horen en de verlamden lopen. Toen Hij op een keer de zieken genas, werd het laat en kregen de mensen honger. In plaats van ze weg te sturen, zegende Hij vijf broden en twee vissen en voedde daar op wonderbaarlijke wijze vijfduizend mensen mee. (Zie Matteüs 14:14–17.) Hij liet zien dat we mensen die hongerig, koud, naakt of eenzaam zijn zo veel mogelijk moeten helpen. Als wij anderen dienen, dan dienen wij God. (Zie Matteüs 25:35–46.)

    Jezus hield met heel zijn hart van anderen. Vaak was Hij zo van mededogen vervuld dat Hij huilde. Hij hield van kleine kinderen, de bejaarden, en de nederige, eenvoudige mensen die in Hem geloofden. Hij had de zondaar lief en riep hen vol medeleven op om zich te bekeren en zich te laten dopen. Hij heeft verklaard: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven’ (Johannes 14:6).

    Jezus hield zelfs van wie tegen Hem zondigden en zich niet bekeerden. Aan het eind van zijn leven, toen Hij aan het kruis hing, bad Hij tot de Vader voor de soldaten die Hem hadden gekruisigd en smeekte: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lucas 23:34). Zijn onderricht was: ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad’ (Johannes 15:12).

    • Hoe kunnen we de Heer laten zien dat we Hem liefhebben?

    Hij stichtte de enige ware kerk

    • Waarom stichtte de Heiland zijn kerk en ordende Hij apostelen?

    Jezus wilde dat zijn evangelie overal op aarde zou worden gepredikt, dus koos Hij twaalf apostelen om van Hem te getuigen. Zij waren de oorspronkelijke leiders van zijn kerk. Zij ontvingen van Hem het gezag om in zijn naam te handelen en de werken te doen die zij Hem zagen doen. Wie dit gezag van de apostelen ontvingen, konden ook prediken, dopen en andere verordeningen in de naam van Jezus doen. Na Jezus’ hemelvaart bleven zij zijn werk doen, totdat de mensen zich tegen de apostelen keerden en hen doodden.

    Hij verloste ons van onze zonden en redde ons van de dood

    • Bestudeer deze paragraaf en overdenk de gebeurtenissen van de verzoening.

    Toen de aardse bediening van Jezus ten einde liep, bereidde Jezus Zich voor om het hoogste offer voor de zonden van alle mensen te brengen. Hij was tot de dood veroordeeld, omdat Hij het volk had verkondigd dat Hij de Zoon van God was.

    De nacht vóór zijn kruisiging ging Jezus naar de hof van Getsemane. Spoedig ging Hij gebukt onder grote smart en bad Hij in tranen. De apostel Orson F. Whitney (1855–1931) heeft in een visioen gezien hoe zeer de Heiland heeft geleden. Toen hij de Messias zag huilen, zei hij: ‘Ik was zo ontroerd door wat ik zag dat ik ook huilde uit puur medeleven. Mijn hele hart ging naar Hem uit; ik beminde Hem met mijn hele ziel en verlangde bij Hem te zijn zoals ik dat nog nooit verlangd had’ (‘The Divinity of Jesus Christ’, Improvement Era, januari 1926, pp. 224–225; zie ook Ensign, december 2003, p. 10). Jezus ‘ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt” (Matteüs 26:39).

    In een hedendaagse openbaring heeft de Heiland beschreven hoe groot zijn lijden is geweest, welk lijden Hem ‘van pijn deed sidderen en uit iedere porie bloeden, en zowel lichamelijk als geestelijk deed lijden’ (LV 19:18). Hij leed ‘naar het vlees’, en nam zo onze pijnen, ziekten, zwakten en zonden op Zich (zie Alma 7:10–13). Geen mens begrijpt hoe groot zijn lijden is geweest. Niemand anders had een dergelijke foltering van lichaam en geest kunnen doorstaan. ‘Hij [is] onder alle dingen neergedaald (…) opdat Hij in alle en door alle dingen zou kunnen zijn, het licht der waarheid’ (LV 88:6).

    Maar zijn lijden was daarmee niet ten einde. De volgende dag werd Jezus geslagen, vernederd en bespuwd. Hij moest zijn eigen kruis dragen; vervolgens werd Hij op het kruis gelegd en eraan vastgenageld. Hij werd op een van de wreedste manieren ooit door de mens uitgedacht gefolterd. Toen Hij in grote pijn aan het kruis hing, riep Hij in smart uit: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Marcus 15:34). In Jezus’ bitterste uur heeft de Vader zijn steun aan Hem onttrokken om Jezus de straf voor de zonden van alle mensen alleen te laten ondergaan, zodat Jezus de volledige overwinning op de machten van zonde en dood kon opeisen’ (zie James E. Talmage, Jezus de Christus, 3de ed. [1973], pp. 482–483).

    Toen de Heiland wist dat zijn offer door de Vader was aanvaard, riep Hij met luide stem: ‘Het is volbracht’ (Johannes 19:30). ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’ (Lucas 23:46). Hij boog zijn hoofd en gaf vrijwillig de geest. De Heiland was dood. De aarde werd door een zware aardbeving getroffen.

    Vrienden van Jezus brachten zijn lichaam naar een graf, waarin het tot de derde dag lag. In die tussentijd ging zijn geest naar het geestenrijk om daar het zendingswerk te organiseren onder de geesten die zijn evangelie nog niet hadden ontvangen (zie 1 Petrus 3:18–20; LV 138). Op de derde dag, een zondag, keerde Hij terug naar zijn lichaam en nam dat weer op Zich. Hij was de eerste die uit de dood opstond. De profetie was vervuld ‘dat Hij uit de doden moest opstaan’ (Johannes 20:9).

    Kort na zijn opstanding is de Heiland aan de Nephieten verschenen en heeft Hij zijn kerk in Amerika gevestigd. Hij gaf onderricht aan de mensen en zegende hen. Die ontroerende gebeurtenis staat beschreven in 3 Nephi 11–28.

    Met zijn offer toonde Jezus zijn liefde voor zijn Vader en voor ons.

    Jezus heeft gezegd: ‘Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied’ (Johannes 15:13–14). Hij doorstond gewillig en nederig de smart in de hof van Getsemane en de foltering aan het kruis, zodat wij alle zegeningen van het heilsplan kunnen ontvangen. Om die zegeningen te kunnen ontvangen moeten wij tot Hem komen, ons van onze zonden bekeren, en Hem met heel ons hart liefhebben. Hij heeft gezegd:

    ‘Dit is het evangelie, dat Ik u heb gegeven, dat Ik in de wereld ben gekomen om de wil van mijn Vader te doen, omdat mijn Vader Mij heeft gezonden.

    ‘En mijn Vader heeft Mij gezonden opdat Ik aan het kruis zou worden verhoogd; en opdat Ik, na aan het kruis te zijn verhoogd, alle mensen tot Mij zou kunnen trekken (…) om naar hun werken te worden geoordeeld. (…)

    ‘Want de werken die gij Mij hebt zien doen, die zult gij eveneens doen. (…)

    ‘Wat voor mannen behoort gij daarom te zijn? Voorwaar zeg Ik u: zoals Ik ben’ (3 Nephi 27:13–15, 21, 27; cursivering toegevoegd).

    • Welke gevoelens had u toen u nadacht over het offer dat de Heiland voor u heeft gebracht?

    Aanvullende teksten en andere bronnen