Onderwerpen
    Hoofdstuk 16: De Kerk van Jezus Christus in vroege tijden
    Footnotes
    Theme

    Hoofdstuk 16

    De Kerk van Jezus Christus in vroege tijden

    Christ Ordaining the Twelve Apostles

    Enkele kenmerken van de Kerk van Jezus Christus

    ‘Wij geloven in dezelfde organisatie die in de vroegchristelijke kerk bestond, namelijk: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelisten enzovoort’ (Geloofsartikelen 1:6).

    Jezus Christus heeft toen Hij op aarde was zijn kerk opgericht. Hij noemde die de Kerk van Jezus Christus (zie 3 Nephi 27:8) en de leden werden heiligen genoemd (zie Efeziërs 2:19–20).

    Openbaring

    Toen Jezus zijn kerk stichtte, instrueerde en begeleidde Hij haar leiders. Hij kreeg zijn instructies op zijn beurt van zijn Vader in de hemel. (Zie Hebreeën 1:1–2.) Aldus werd de Kerk van Jezus Christus door God geleid, en niet door mensen. Jezus vertelde zijn volgelingen dat openbaring van God de ‘rots’ was waarop Hij zijn kerk zou bouwen (zie Matteüs 16:16–18).

    Voordat Jezus na zijn opstanding ten hemel voer, zei Hij tegen zijn apostelen: ‘Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’ (Matteüs 28:20). Zijn woord getrouw, bleef Hij ze vanuit de hemel leiden. Hij stuurde de Heilige Geest om hen tot trooster en openbaarder te zijn (zie Lucas 12:12; Johannes 14:26). Hij sprak tot Saulus in een visioen (zie Handelingen 9:3–6). Hij openbaarde aan Petrus dat het evangelie niet alleen aan de Joden, maar aan de hele wereld moest worden gepredikt (zie Handelingen 10). Hij openbaarde vele heerlijke waarheden aan Johannes, die in het boek Openbaring zijn opgetekend. In het Nieuwe Testament staan vele andere manieren waarop Jezus zijn wil openbaarde tot leiding van zijn kerk en verlichting van zijn discipelen.

    Gezag van God

    De verordeningen en beginselen van het evangelie kunnen niet zonder het priesterschap worden bediend en gepredikt. De Vader heeft dit gezag aan Jezus Christus gegeven (zie Hebreeën 5:4–6), die op zijn beurt zijn apostelen heeft geordend tot de macht en het gezag van het priesterschap (zie Lucas 9:1–2; Marcus 3:14). Hij herinnerde hen er wel aan: ‘Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen’ (Johannes 15:16).

    Daar Jezus wilde dat er orde in zijn kerk was, gaf hij de grootste verantwoordelijkheid en het hoogste gezag aan de twaalf apostelen. Hij benoemde Petrus tot hoofdapostel en gaf aan hem de sleutels om zegeningen zowel op aarde als in de hemel te bezegelen (zie Matteüs 16:19). Jezus ordende ook andere functionarissen, die specifieke plichten kregen. Toen Hij naar de hemel was gevaren, bleef de wijze van benoeming en ordening hetzelfde. Wie dat gezag van Jezus hadden ontvangen, ordenden anderen tot het priesterschap. Jezus maakte door middel van de Heilige Geest bekend dat Hij zijn goedkeuring hechtte aan die ordeningen (zie Handelingen 1:24).

    De organisatie van de kerk

    De Kerk van Jezus Christus was een zorgvuldig georganiseerd geheel. Zij werd vergeleken met een gebouw dat was ‘gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.’ (Efeziërs 2:20).

    Jezus benoemde andere priesterschapsleiders om de apostelen bij hun bediening te assisteren. Hij stuurde er functionarissen, zeventigers genaamd, paarsgewijs op uit om het evangelie te prediken (zie Lucas 10:1). Andere functionarissen in de kerk waren evangelisten (patriarchen), herders (presiderende leiders), hogepriesters, ouderlingen, bisschoppen, priesters, leraren en diakenen (zie hoofdstuk 14 in dit boek). Die functionarissen waren alle noodzakelijk om zendingswerk te doen, verordeningen te verrichten en de kerkleden te instrueren en te inspireren. Die functionarissen zorgden ervoor dat de leden ‘de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods’ (Efeziërs 4:13) bereikten.

    In de Bijbel staat niet alles over het priesterschap of de organisatie en het bestuur van de kerk. Er is echter wel voldoende in de Bijbel bewaard gebleven dat de schoonheid en volmaaktheid van de kerkelijke organisatie aantoont. De apostelen werd geboden om in de hele wereld te prediken (zie Matteüs 28:19–20). Ze konden niet in elke stad blijven om toe te zien op de nieuwe bekeerlingen. Daarom werden er ter plaatse priesterschapsleiders geroepen en geordend, die werden gepresideerd door de apostelen. De apostelen en andere kerkleiders bezochten en schreven brieven aan de verschillende gemeenten. Vandaar dat het Nieuwe Testament brieven bevat die zijn geschreven door Paulus, Petrus, Jakobus, Johannes en Judas, waarin zij raad en aanwijzingen aan de plaatselijke priesterschapsleiders gaven.

    Uit het Nieuwe Testament blijkt dat deze kerkelijke organisatie bedoeld was voort te duren. Na de dood van Judas bijvoorbeeld waren er nog slechts elf apostelen. Kort na de hemelvaart van Jezus zijn de apostelen bijeengekomen om iemand in plaats van Judas te kiezen. Door openbaring van de Heilige Geest kozen zij Mattias. (Zie Handelingen 1:23–26.) Het patroon dat Jezus instelde voorzag in twaalf apostelen om de kerk te besturen. Het was duidelijk dat de organisatie moest voortduren zoals Hij die had opgericht.

    Eerste beginselen en verordeningen

    De apostelen onderwezen in twee grondbeginselen: geloof in de Here Jezus Christus en bekering. Als nieuwe bekeerlingen geloof in Jezus Christus, de Zoon van God en hun Verlosser, hadden en zich bekeerd hadden van hun zonden, ontvingen zij twee verordeningen: doop door onderdompeling en de oplegging van handen voor de gave van de Heilige Geest (zie Handelingen 19:1–6). Dat waren de eerste beginselen en verordeningen van het evangelie. Jezus heeft verklaard: ‘Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan’ (Johannes 3:5).

    Verordeningen voor de doden verricht

    Jezus zorgde ervoor dat iedereen het evangelie kan horen, hetzij op aarde of na de dood. Tussen zijn dood en de opstanding begaf Jezus Zich onder de geesten van de mensen die waren gestorven. Hij organiseerde het zendingswerk onder de doden. Hij benoemde rechtschapen boodschappers en gaf hun de macht om het evangelie te prediken aan de geesten van mensen die waren gestorven. Zo kregen zij de kans om het evangelie te aanvaarden. (Zie 1 Petrus 3:18–20; 4:6; LV 138.) De levende leden van zijn kerk verrichtten dan verordeningen voor de doden (zie 1 Korintiërs 15:29). Verordeningen zoals de doop en bevestiging moeten op aarde worden gedaan.

    Geestelijke gaven

    Alle getrouwe leden van de kerk hadden recht op de gaven van de Geest. Die ontvingen zij naar hun individuele behoeften, capaciteiten en taken. Een aantal van die gaven waren geloof, met inbegrip van de macht om te genezen en te worden genezen; profetie; en visioenen. (De gaven van de Geest worden in hoofdstuk 22 uitvoeriger besproken.) In de ware kerk van Jezus Christus zijn er altijd geestelijke gaven (zie 1 Korintiërs 12:4–11; Moroni 10:8–18; LV 46:8–29). Jezus vertelde zijn discipelen dat die tekenen of geestelijke gaven de gelovigen altijd zullen volgen (zie Marcus 16:17–18). Veel van zijn discipelen verrichtten wonderen, profeteerden of zagen visioenen door de kracht van de Heilige Geest.

    • Waarom zijn deze zes kenmerken noodzakelijk in de Kerk van Jezus Christus?

    De Kerk van Jezus Christus in Amerika

    Na zijn opstanding bracht Jezus een bezoek aan de mensen in Amerika. Hij stichtte zijn kerk onder hen en onderrichtte hen drie dagen lang om daarna vaak terug te keren (zie 3 Nephi 11–28). Daarna voer Hij weer naar de hemel op. Dit volk leefde ruim tweehonderd jaar in rechtschapenheid en het was een van de gelukkigste volken die God had geschapen (zie 4 Nephi 1:16).

    Afval in de ware kerk

    • Wat betekent de term de afval?

    In alle tijden hebben kwade mensen geprobeerd het werk van God te vernietigen. Dat gebeurde ook toen de apostelen nog leefden en toezagen op de groei van de prille kerk. Sommige leden verkondigden ideeën uit hun oude heidense of Joodse achtergrond in plaats van de eenvoudige waarheden, waarin Jezus had onderwezen. Sommigen kwamen openlijk in opstand. Bovendien was er vervolging van buiten de kerk. Leden van de kerk werden gemarteld en gedood voor hun geloofsovertuiging. De apostelen werden één voor één gedood of van de aarde weggenomen. Die goddeloosheid en afval leidden ertoe dat het apostolisch gezag en de priesterschapssleutels ook van de aarde verdwenen. De organisatie die Jezus Christus had opgericht, bestond niet langer; verwarring was het resultaat. Er slopen steeds meer fouten in de kerkleer en spoedig viel de kerk volkomen uiteen. De periode waarin de ware kerk niet meer op aarde te vinden was, wordt de grote afval genoemd.

    Spoedig werd het denken van de christenen beheerst door heidense denkbeelden. De Romeinse keizer nam dit onechte christendom over als staatsgodsdienst. Deze kerk verschilde aanzienlijk van de kerk die Jezus had opgericht. Zij verkondigde dat God een wezen zonder vorm of inhoud was.

    Gods liefde voor ons werd niet langer correct begrepen onder de mensen. Zij wisten niet meer dat wij zijn kinderen zijn. Zij begrepen het doel van het leven niet meer. Veel van de verordeningen ondergingen veranderingen, omdat het priesterschap niet meer op aarde was en er geen openbaring meer werd ontvangen.

    De keizer koos zijn eigen leiders en gaf ze soms dezelfde titels die de priesterschapsleiders in de ware kerk van Jezus Christus hadden gebruikt. Er waren geen apostelen of andere priesterschapsleiders met Gods macht en er waren geen geestelijke gaven. De profeet Jesaja had deze situatie voorzien, want hij heeft geprofeteerd: ‘Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken’ (Jesaja 24:5). Het was niet langer de Kerk van Jezus Christus, het was de kerk van mensen geworden. Zelfs de naam was veranderd. Ook in Amerika sloeg de afval toe (zie 4 Nephi).

    De herstelling voorzegd

    • Welke profetieën in het Oude en Nieuwe Testament voorzegden de herstelling?

    God had de afval voorzien en voorbereidingen getroffen voor de herstelling van het evangelie. De apostel Petrus sprak hierover tot de Joden: ‘Hij [zal] de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende[n]; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher’ (Handelingen 3:20–21).

    Johannes de Openbaarder voorzag ook de tijd waarin het evangelie zou worden hersteld. Hij schreef: ‘En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie’ (Openbaring 14:6).

    • Waarom was de herstelling noodzakelijk?

    • Overweeg de zegeningen die u ten deel zijn gevallen, omdat de Kerk van Jezus Christus in de laatste dagen is hersteld.

    Aanvullende teksten