2004
Wanneer gij zijt voorbereid, zult gij niet vrezen
November 2004


Wanneer gij zijt voorbereid, zult gij niet vrezen

Wij leven in roerige tijden. Vaak is de toekomst onbekend; daarom is het goed als wij ons voorbereiden op onzekerheden.

Ik vind het een voorrecht om tijdens deze algemene ZHV-conferentie voor u te staan. Ik besef dat er buiten de aanwezigen in het Conferentiecentrum vele duizenden via satelliet naar deze conferentie kijken en luisteren.

Nu ik vanavond tot u spreek, realiseer ik me dat ik als man hier in de minderheid ben en dus op mijn woorden moet passen. Ik heb zo’n beetje hetzelfde gevoel als de verlegen neef die van het platteland naar de grote stad kwam om een familielid te bezoeken. Hij had het familielid lang niet gezien en schrok toen een jongetje de deur opendeed. Het jongetje liet hem binnen, en toen hij lekker zat, vroeg hij: ‘Wie bent u eigenlijk?’

De bezoeker antwoordde: ‘Ik ben een neef aan je vaders kant.’ Waarop het jongetje antwoordde: ‘Meneer, dan bent u in dit huis aan de verkeerde kant!’

Ik reken erop dat ik me in dit huis aan de juiste kant bevind, namelijk aan de kant van de Heer.

Jaren geleden zag ik een foto van een zondagsschoolklas in wijk 6 van de ring Pioneer in Salt Lake City. De foto was in 1905 genomen. Vooraan stond een lief meisje met vlechtjes. Ze heette Belle Smith. Later, als Belle Smith Spafford en algemeen ZHV-presidente, schreef ze: ‘Nog nooit eerder heeft de vrouw meer invloed in de wereld gehad dan nu. Nog nooit heeft zij zoveel kansen gehad. Dit is een uitnodigende, opwindende, uitdagende en veeleisende tijd voor de vrouw. Het is een tijd vol zegeningen als we ons evenwicht bewaren, ons de wezenlijke waarden van het leven eigen maken en verstandig prioriteiten stellen.’1

Een van de doelen van de zustershulpvereniging is het analfabetisme terug te dringen. Zusters die kunnen lezen en schrijven, begrijpen niet goed hoe de zusters zich voelen die dat niet kunnen. Ze worden omhuld door een donkere wolk die hun vooruitgang belemmert, hun verstand afstompt en hun hoop afzwakt. Zusters van de ZHV, u kunt die wolk van wanhoop verdrijven en goddelijk licht uit de hemel verwelkomen dat op uw zusters schijnt.

Enkele jaren geleden was ik in Monroe (Louisiana) voor een regionale conferentie. Het was een prachtig evenement. Op weg naar huis werd ik op het vliegveld aangesproken door een aardige Afro-Amerikaanse vrouw — een lid van de kerk — die met een brede glimlach zei: ‘President Monson, voordat ik lid van de kerk en de zustershulpvereniging werd, kon ik niet lezen en schrijven. Niemand kon dat bij ons thuis. We waren arme deelpachters. Mijn blanke ZHV-zusters hebben me leren lezen. Ze hebben me leren schrijven. Nu leer ík mijn blanke zusters lezen en schrijven.’ Ik dacht na over de enorme vreugde die zij gevoeld moet hebben toen ze de Bijbel opsloeg en voor het eerst de woorden van de Heer las:

‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’2

Die dag in Monroe (Louisiana) kreeg ik van de Geest een bevestiging van het verheven doel van de zustershulpvereniging om het analfabetisme terug te dringen.

Een dichter heeft geschreven:

Al hebt u ontzaglijk veel rijkdom;

Kisten vol juwelen en goud.

Rijker dan ik wordt u nooit —

Want mijn moeder las me altijd voor.3

Een andere dichter heeft aan dit ontroerende vers toegevoegd:

Maar denk aan het lot van een ander kind,

dat zich goed gedraagt, en een zachte aard heeft

Hoewel hij dezelfde behoefte heeft,

had hij een moeder die niet kon lezen.4

Ouders over de hele wereld maken zich zorgen over hun kinderen en hun eeuwige vreugde. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in de musical Fiddler on the Roof, een van de langstlopende musicals ooit.

We lachen als we de ouderwetse vader van een Joods gezin in Rusland met de veranderende tijd zien strijden, die hem door zijn prachtige dochters min of meer wordt opgedrongen.

De vrolijkheid van het dansen, het ritme van de muziek en het uitstekende acteertalent vallen in het niet als de oude Tevje uitspreekt wat voor mij de eigenlijke boodschap van de musical is. Hij verzamelt zijn lieftallige dochters om zich heen, en in de eenvoud van een pachtboer geeft hij ze raad voor hun toekomst. Tevje zegt: ‘Vergeet niet dat in Anatevka (…) iedereen weet wie hij is en wat God van hem verwacht.’5

Geliefde zusters, weet wie u bent en wat God van u verwacht. Het is uw taak om alle mensen voor wie u verantwoordelijk bent, in het evangelie te onderwijzen. De zustershulpvereniging van de kerk van de Heer kan een hulpmiddel zijn om dat doel te bereiken.

‘De allerbelangrijkste kans om kerkelijk onderricht te geven, is thuis’, heeft president David O. McKay opgemerkt.6 ‘Een waar mormoons gezin is een gezin waarin Christus, als Hij er binnen zou komen, graag nog even zou willen blijven om nog wat uit te rusten.’7

Wat doen wij om ervoor te zorgen dat ons gezin aan die beschrijving voldoet? Het is niet voldoende als alleen de ouders een sterk getuigenis hebben. Kinderen kunnen niet blijven leunen op de overtuiging van een ouder.

President Heber J. Grant heeft gezegd: ‘Het is onze plicht om onze kinderen in hun jeugd te onderwijzen. (…) Ik kan weten dat het evangelie waar is, en mijn vrouw ook; maar ik wil u duidelijk maken dat onze kinderen niet zullen weten dat het evangelie waar is, als zij het niet bestuderen en zelf een getuigenis ontvangen.’8

Liefde voor de Heiland, eerbied voor zijn naam en oprecht respect voor elkaar zijn een vruchtbare grond om thuis een zaadje tot een getuigenis te laten uitgroeien.

Het evangelie bestuderen, getuigenis geven en een gezin leiden zijn zelden gemakkelijke zaken. De levensreis wordt gekenschetst door hobbels in de weg en grote golven op zee — de beroering van onze tijd.

Enkele jaren geleden was ik tijdens een bezoek aan leden en zendelingen in Australië getuige van een subliem voorbeeld van de gave van getuigenis en hoe die een gezin tot zegen en heiliging kan dienen. Ik was met de zendingspresident, Horace D. Ensign, onderweg van Sydney naar Darwin, waar ik de eerste spade zou steken voor het eerste kerkgebouw in die stad. Onderweg maakte het vliegtuig een tussenlanding in een mijnwerkersstadje dat Mount Isa heette. Toen we het kleine gebouw van de luchthaven ingingen, kwam er een vrouw met twee jonge kinderen naar ons toe. Zij zei: ‘Ik ben Judith Louden, ik ben lid van de kerk, en dit zijn mijn kinderen. We dachten dat u deze vlucht zou nemen, dus zijn we gekomen om tijdens uw reisonderbreking even met u te praten.’ Ze legde uit dat haar man geen lid van de kerk was en dat zij en de kinderen de enige leden in de verre omtrek waren. Wij wisselden ervaringen uit en gaven ons getuigenis.

De tijd verstreek. We maakten ons op om weer aan boord te gaan. Zuster Louden zag er zo verlaten uit, zo eenzaam. Ze smeekte: ‘U kunt nog niet weggaan, ik heb de kerk zo gemist.’ Plotseling klonk uit de luidspreker de boodschap dat onze vlucht wegens een mechanische storing een half uur vertraging had. Zuster Louden fluisterde: ‘Mijn gebed is zojuist verhoord.’ Toen vroeg ze hoe ze haar echtgenoot kon interesseren in het evangelie. Wij adviseerden haar hem te betrekken bij hun wekelijkse jeugdwerkles thuis en een levend getuigenis van het evangelie voor hem te zijn. Ik zei dat we haar een abonnement op de Children’s Friend zouden geven en extra hulpmiddelen voor het onderwijs aan haar gezin. Wij drukten haar op ’t hart om het nooit op te geven met haar man.

Wij vertrokken uit Mount Isa, en ik heb daar nooit meer een voet gezet. Ik zal echter altijd de herinnering koesteren aan die lieve moeder en die fijne kinderen, die ons in tranen en vervuld van dankbaarheid uitzwaaiden.

Verscheidene jaren later sprak ik in Brisbane in een priesterschapsleidersvergadering en beklemtoonde hoe belangrijk het is om thuis evangeliestudie te hebben, het evangelie na te leven en een voorbeeld te zijn van de waarheid. Ik vertelde de broeders over zuster Louden en hoeveel indruk haar geloof en vastberadenheid op mij hadden gemaakt. Ik besloot met de woorden: ‘Ik denk niet dat ik ooit zal weten of zuster Loudens man lid van de kerk is geworden, maar hij had geen beter voorbeeld kunnen vinden.’

Een van de leiders stak zijn hand op, ging staan en zei: ‘Broeder Monson, ik ben Richard Louden. De vrouw over wie u spreekt, is mijn vrouw. Die kinderen [zijn stem beefde] zijn onze kinderen. Nu zijn wij een eeuwig gezin, wat mede aan het doorzettingsvermogen en het geduld van mijn lieve vrouw te danken is. Zij heeft het voor elkaar gekregen.’ Er werd geen woord meer gezegd. De stilte werd alleen verbroken door gesnik, vergezeld van tranen.

Wij leven in roerige tijden. Vaak is de toekomst onbekend; daarom is het goed als wij ons voorbereiden op onzekerheden. Uit de statistieken blijkt dat u wellicht op enig moment, om wat voor reden dan ook, in het onderhoud van uw gezin moet voorzien. Ik spoor u aan om een opleiding te volgen en vaardigheden te leren waar vraag naar is, zodat u in een dergelijk geval in staat bent om de kost te verdienen.

De rol van de vrouw is uniek. De befaamde Amerikaanse schrijver en historicus Washington Irving heeft gezegd: ‘Er is iemand in de wereld die meer pijn en verdriet voelt voor een ander dan die persoon zelf; er is iemand die meer vreugde ervaart voor een ander dan voor zichzelf; er is iemand die zich meer in de eer van een ander verheugt dan in de eigen eer; er is iemand die zich in de buitengewone voortreffelijkheid van een ander verheugt; er is iemand die de zwakheden van een ander beter verbergt dan de eigen; er is iemand die volledig onzelfzuchtig is, en vriendelijk, zachtaardig en toegewijd aan anderen. Dat is de vrouw.’

President Gordon B. Hinckley heeft gezegd: ‘God heeft in de vrouw iets goddelijks geplaatst dat tot uitdrukking komt in stille kracht, beschaafdheid, vrede, goedheid, deugdzaamheid, waarheid en liefde. En al deze opmerkelijke eigenschappen komen in hun zuiverste en overtuigendste vorm in het moederschap tot uitdrukking.’9

Het moederschap is nooit een gemakkelijke rol geweest. In enkele oude geschriften worden we aangemoedigd om de wet van onze moeder niet te verwerpen, wordt ons geleerd dat een dwaze zoon een bekommering voor zijn moeder is, en worden we gewaarschuwd dat we onze moeder niet mogen verachten als ze oud is.10

In de Schriften staat ook dat wat we van onze moeder leren de essentie van onze normen en waarden is, net als de tweeduizend jeugdige strijders van Helaman, want ‘door hun moeders was hun geleerd, dat God hen zou bevrijden, indien zij niet twijfelden.’11 En dat deed Hij ook!

Veel leden van de zustershulpvereniging hebben geen echtgenoot. Door overlijden, echtscheiding of gebrek aan trouwkansen, is het voor een vrouw in veel gevallen noodzakelijk om alleen door het leven te gaan. Ook zijn er jonge zusters die net uit de jongevrouwen komen. In wezen hoeft niemand er alleen voor te staan, want onze liefdevolle hemelse Vader zal bij haar zijn, haar leiden en haar rust en zekerheid geven op die stille momenten dat ze zich eenzaam voelt en medeleven nodig heeft. Het is ook belangrijk dat de leden van de zustershulpvereniging als zusters zij aan zij staan. Ik hoop dat u altijd voor elkaar zult zorgen, en in elkaars behoeften zult voorzien. Ik bid dat u begrip zult hebben voor de omstandigheden van anderen, en zult beseffen dat sommige vrouwen specifieke moeilijkheden hebben, maar dat iedere vrouw een waardevolle dochter van onze hemelse Vader is.

Tot slot wil ik graag over een ervaring vertellen die ik jaren geleden heb gehad, en waaruit de kracht van de ZHV-zusters blijkt.

In 1980, in het jaar dat de kerk haar 150-jarig bestaan vierde, werd aan ieder lid van het algemeen ZHV-bestuur gevraagd om een brief te schrijven aan de zusters van de kerk in het jaar 2030 — vijftig jaar later. Hieronder staat een gedeelte uit de brief die zuster Helen Lee Goates heeft geschreven:

‘Onze wereld is in 1980 erg onzeker, maar ik ben vastbesloten om iedere dag met geloof en zonder vrees door het leven te gaan, om op de Heer te vertrouwen en de raad van onze profeet op te volgen. Ik weet dat God leeft, en ik heb Hem met heel mijn ziel lief. Ik ben zo dankbaar dat het evangelie 150 jaar geleden op aarde is hersteld, en dat ik lid van deze geweldige kerk mag zijn. Ik ben dankbaar voor het priesterschap van God, dat ik gedurende mijn hele leven heb ervaren.

‘Ik voel me rustig in mijn wereld, en ik bid dat u in uw wereld gesterkt zult worden door een sterk getuigenis en een standvastige overtuiging van het evangelie van Jezus Christus.’12

Helen Lee Goates is in april 2000 overleden. Vlak voor haar overlijden zijn zuster Monson en ik nog bij haar en haar man en familie op bezoek geweest. Ze kwam kalm en rustig over. Ze zei dat ze klaar was om te gaan, en ze keek ernaar uit om haar ouders en andere dierbaren te zien die haar waren voorgegaan. Zuster Goates was het toonbeeld van een edele ZHV-zuster. Op haar doodsbed was ze het symbool van uw thema: ‘Wanneer gij zijt voorbereid, zult gij niet vrezen.’13

Geliefde zusters, ik geef u mijn getuigenis dat onze hemelse Vader leeft, dat Jezus de Christus is, en dat wij door een hedendaagse profeet geleid worden — president Gordon B. Hinckley. Ik bid dat u veilig op de weg van het aardse leven zult zijn, in de naam van Jezus Christus. Amen.

Noten

  1. A Woman’s Reach (1974), p. 21.

  2. Matteüs 11:28–30.

  3. Strickland Gillilan, ‘The Reading Mother’. In: The Best Loved Poems of the American People, onder redactie van Hazel Felleman (1936), p. 376.

  4. In april 1992 door Elizabeth Ware Pierce toegevoegd.

  5. In: Great Musicals of the American Theatre. Onder redactie van Stanley Richards (2 delen, 1973–1976), deel 1, p. 393.

  6. Priesthood Home Teaching Handbook, herziene uitgave (1967), p. II.

  7. Gospel Ideals (1953), p. 169.

  8. Gospel Standards, samenstelling G. Homer Durham (1941), p. 155.

  9. Teachings of Gordon B. Hinckley, (1997), p. 387.

  10. Zie Spreuken 1:8; 10:1; 23:22.

  11. Alma 56:47.

  12. Brief bevindt zich in het archief van het ZHV-kantoor.

  13. LV 38:30.