De geestelijke component van genezing
vorige volgende

De geestelijke component van genezing

Elder Alexander B. Morrison

De schriftuurlijke verslagen van Jezus’ leven en leringen bevatten veel voorbeelden van zijn ongeëvenaarde vermogen om alle soorten ziekte te genezen. Uit de evangeliën blijkt dat Jezus meer dan twintig keer zieken genezen heeft: van de genezing van de zoon van de hoveling (zie Johannes 4:46–53) tot de genezing van het afgehakte oor van Malchus, de dienaar van de hogepriester (zie Lucas 22:50–51; Johannes 18:10).

Christus’ genezingskracht was niet beperkt tot lichamelijk kwalen, maar betrof ‘alle ziekte en alle kwaal onder het volk’ (Matteüs 4:23; cursivering toegevoegd; zie ook Mosiah 3:5; 3 Nephi 17:5–10). Jezus genas in zijn oneindige mededogen niet alleen mensen met lichamelijke kwalen, maar ook mensen met mentale of emotionele kwalen.

Deze genezingen zijn een integraal component van de verzoening van Jezus Christus. Die is zo krachtig — zo allesomvattend in haar omvang en reikwijdte — dat zij niet alleen de losprijs van zonde voldoet, maar ook elke kwaal kan genezen. Hij die uitging en pijnen en benauwingen van elke soort doorstond, opdat Hij volmaakt zou weten hoe Hij zijn volk te hulp kon komen (zie Alma 7:11–12), en die de onbegrijpelijke zondenlast van allen die tot het geslacht van Adam behoren, droeg (zie 2 Nephi 9:21), biedt zijn genezingskracht aan ieder aan, ongeacht de oorzaak van hun benauwing. ‘Door zijn striemen is ons genezing geworden’ (Jesaja 53:5).

De rol van de priesterschap

De Heiland kon door zijn goddelijke macht iedereen genezen, maar sterfelijke mannen die het gezag van het heilig Melchizedeks priesterschap uitoefenen zijn afhankelijk van zijn wil. Soms zijn zij niet bij machte om iemand die zij bedienen te genezen, omdat het Gods wil niet is. De apostel Paulus bijvoorbeeld bad de Heer driemaal om de niet nader omschreven ‘doorn in het vlees’ die hem kwelde, te verwijderen (2 Korintiërs 12:7–8). Maar de Heer wees zijn verzoek af met de mededeling: ‘Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid’ (2 Korintiërs 12:9). Paulus begreep beter dan menigeen dat beproeving en lijden noodzakelijk zijn en onvermijdelijk deel uitmaken van het leven.

President Spencer W. Kimball (1895–1985) zag de wijsheid in van de beperkingen die op de genezingskracht van priesterschapsdragers is gelegd. Hij heeft gezegd: ‘De kracht van het priesterschap is oneindig, maar God heeft in zijn wijsheid ieder van ons bepaalde beperkingen gegeven. (…) Ik ben dankbaar dat ik niet alle zieken kan genezen met het priesterschap. Ik zou mensen genezen die eigenlijk moeten sterven. (…) Ik ben bang dat ik de doeleinden van God zou dwarsbomen.’1

Toen ik jaren geleden als jonge en onervaren gemeentepresident werkzaam was, vroeg een van de leden in de gemeente of ik zijn ernstig zieke vrouw een zegen wilde geven. De man wilde duidelijk dat ik zijn vrouw zegende met volledige genezing van haar ziekte. Dat was ik ook van plan; zowel de man als de vrouw was hard nodig in onze kleine gemeente.

De man zalfde het hoofd van zijn vrouw met gewijde olie op de voorgeschreven manier, waarna ik de zalving bezegelde (zie Jakobus 5:14). Tot mijn verbazing sprak ik echter woorden uit die ik niet van plan was: de vrouw was ‘ten dode (…) bestemd’ (LV 42:48). Zij zou niet genezen van haar ziekte, maar dit leven vredig verlaten, veilig in de liefdevolle armen van de Heiland.

De vrouw stierf de volgende dag. Ik presideerde haar begrafenis, verdrietig maar wijzer. Ik had een belangrijke les geleerd: Als we zieken bedienen, moet onze stelregel zijn: ‘Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede’ (Lucas 22:42).

Daarom komt de goddelijke gave van genezing op verschillende manieren tot uiting, toegesneden op de individuele behoeften van wie haar ontvangen, van Hem die hen het beste kent, omdat Hij het meeste van hen houdt. Christus’ genezingskracht kan permanente genezing verschaffen, in die zin dat onvoldoende functionerende lichaamsdelen worden hersteld en de zware last van lijden uit het vermoeide hart wordt weggenomen. Maar de vrede, rust en verlichting van lijden waar zozeer naar wordt verlangd door hen wiens pijnen soms ondraaglijk lijken, hoeven niet voort te vloeien uit een genezing in medische zin, maar uit de gave van meer kracht, begrip, geduld en mededogen, die de gekwelden in staat stelt hun lasten te dragen. Evenals Alma en zijn broeders kunnen zij dan ‘hun lasten met gemak (…) dragen’ en ‘zich met blijdschap en geduld aan de ganse wil des Heren’ onderwerpen (Mosiah 24:15).

De rol van medicijnen

We moeten niet denken dat iedereen die ziek is, wat de oorzaak ook mag zijn, alleen een priesterschapszegen nodig heeft om verlichting te krijgen, misschien zelf permanent. Ik ben een groot voorstander en pleitbezorger van priesterschapszegens. Ik weet uit vele persoonlijke ervaringen dat Jezus Christus, en Hij alleen, eigenaar is van de kostbare ‘balsem in Gilead’ (Jeremia 8:22), noodzakelijk voor een volledig genezing. Maar ik weet ook dat God ons verbazingwekkende kennis heeft gegeven die van onschatbare waarde kan zijn in de bestrijding van pijn. Ik ben van mening dat we gretig gebruik moeten maken van dergelijke van God afkomstige informatie.

Soms denken zieken die een priesterschapszegen hebben gekregen en vurig hebben gebeden om verlichting, dat ze een beklagenswaardig gebrek aan geloof ten toon spreiden als ze daarnaast ook medische hulp inroepen. Dat zou hen er zelfs toe kunnen brengen om de voorgeschreven medicijnen niet in te nemen, omdat ze ten onrechte denken dat hun geloof daar een goede vervanging van is. Een dergelijke denkwijze is gewoon verkeerd. Professionele medische hulp en geloofsoefening zijn niet met elkaar in conflict. In feite kan geloof oefenen vergen dat het advies van kundige medici wordt opgevolgd.

Verstandige beroepsmedici — ongeacht hun academische opleiding of richting, medisch of psychologisch — zien steeds vaker in dat spiritualiteit een belangrijk component van hun therapeutische behandelingswijze is. Nog geen tien jaar geleden bood slechts een handvol medische faculteiten in de Verenigde Staten cursussen aan in spiritualiteit en genezing, nu is dat meer dan de helft. Er begint bewijs vrij te komen, in het bijzonder in het geval van religieuze patiënten, dat een spirituele benaderingswijze van, bijvoorbeeld, de psychotherapie voor depressiviteit minstens zoveel baat heeft als de puur wetenschappelijke benaderingswijze. Een toenemend aantal artsen en psychotherapeuten maakt nu gebruik van spiritueel georiënteerde methodes en ingrepen bij de behandeling van patiënten met zowel lichamelijke als psychische stoornissen.

De rol van geloof

Het geloof van de ontvanger is de belangrijke voorwaarde van genezing (zie 2 Nephi 26:13; Mosiah 8:18; LV 35:9). Geloof — ‘de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet’ (Hebreeën 11:1) — is een gave van de Geest, een beloning voor rechtschapenheid (zie 1 Korintiërs 12:9; LV 46:19–20). Zonder geloof zal het wonder van genezing niet plaatsvinden. ‘Want indien er geen geloof onder de mensenkinderen is, kan God geen wonder onder hen verrichten; daarom toonde Hij Zich pas na hun geloof’ (Ether 12:12).

Voor een complete genezing, haar geestelijke component daarbij inbegrepen, moeten we ook begrip hebben van onze natuur als Gods kinderen en van onze relatie tot Hem. Uit de Schriften leren we, en de hedendaagse profeten bevestigen dat, dat stervelingen uit lichaam en geest bestaan — de eerste vergankelijk, de laatste eeuwig — en de twee verenigd zijn een levende ziel. Uit het grote plan van geluk van de Vader leren we dat lichaam en geest, gescheiden door de dood die alle stervelingen ondergaan, in Gods tijd worden herenigd: ‘En alle mensen worden onverderfelijk en onsterfelijk, en [zij worden] levende zielen, met een volmaakte kennis’ (2 Nephi 9:13; zie ook Alma 11:42–45).

Geloof in een liefdevolle hemelse Vader en in zijn Zoon, onze Heiland — samen met het begrip dat we letterlijk Gods kinderen zijn, met de mogelijkheid om goddelijk te worden zoals Hij, en het besef dat zijn liefde voor ons eeuwig en onveranderlijk is — schenkt ons gemoedsrust. Die gemoedsrust blijft bestaan, zelfs als de medische, psychologische of sociale dimensies van kwalen — of ze nu fysiek of mentaal van oorsprong zijn — aanhouden als ‘een doorn in het vlees’.

De rol van lijden

Ik geloof dat onze geestelijke kracht direct verband houdt met de mate waarin onze ziel wordt beproefd. Maar we moeten niet uit zijn op lijden noch roemen in verdrukking. Er schuilt geen intrinsieke waarde in lijden in en van zichzelf. Lijden kan de ziel verwonden en verbitteren net zo goed als het die kan sterken en louteren. Sommige mensen putten kracht uit lijden, anderen buigen en breken erdoor. De auteur Anne Morrow Lindbergh heeft terecht gezegd: ‘Als men alleen door te lijden wijs wordt, zou de hele wereld wijs zijn, want iedereen lijdt.’2 Als we deel willen zijn van ‘de gemeenschap aan [Christus’] lijden (Filipenzen 3:10), moeten we al het mogelijke doen om Hem met ons hele hart te kennen en Hem na te volgen. Dat zou heel goed lijden kunnen inhouden, maar aan dat lijden moeten we wel mededogen, empathie, geduld en nederigheid toevoegen, alsmede de bereidheid om onze wil aan Gods wil te onderwerpen.

Mensen die lijden aan allerlei kwalen putten hoop en bemoediging uit de wonderbaarlijke manifestaties van Christus’ universele liefde. Zijn liefde staat vast en vergaat nooit. Daarvan getuigde Paulus:

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (…)

‘Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten,

noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here’ (Romeinen 8:35, 38–39).

De oneindig liefdevolle en mededogende Jezus weet van onze benauwingen en smarten, want Hij is ‘ieder volk indachtig (…), in welk land het zich ook moge bevinden; ja, Hij telt zijn volk, en zijn barmhartigheid strekt zich over de ganse aarde uit’ (Alma 26.37).

Noten

  1. Leringen van kerkpresidenten: Spencer W. Kimball (2006), p. 18.

  2. ‘Lindbergh Nightmare’, Time, 5 februari 1973, p. 35.