Veilige raad
vorige volgende

Boodschap van het Eerste Presidium: Veilige raad

Veilige raad

President Henry B. Eyring

De Heiland is altijd de beschermheer geweest van wie zijn beschermeling wilde zijn. Meer dan eens heeft Hij gezegd: ‘Hoe dikwijls heb Ik u willen vergaderen zoals een hen haar kuikens vergadert, en gij hebt niet gewild’ (3 Nephi 10:5; zie ook, bijvoorbeeld, Matteüs 23:37; LV 29:2).

Dezelfde weeklacht heeft de Heer ook in onze eigen bedeling geuit, na eerst aangegeven te hebben hoe Hij ons in veiligheid wilde brengen: ‘Hoe dikwijls heb Ik u bij monde van mijn dienstknechten toegeroepen, en door de bediening van engelen en met mijn eigen stem, en met de stem van donderslagen en met de stem van bliksemschichten en met de stem van orkanen en met de stem van aardbevingen en zware hagelstormen, en met de stem van hongersnoden en pestilentiën van iedere soort, en met het machtige geluid van een bazuin en met de stem van het oordeel en met de stem van barmhartigheid de gehele dag door, en met de stem van heerlijkheid en eer en de rijkdommen van het eeu-wige leven, en heb u willen redden met een eeuwigdurende redding, maar gij hebt niet gewild!’ (LV 43:25.)

De Heiland wil blijkbaar niets liever dan ons in veiligheid brengen, en de wijze waarop Hij ons de weg wijst, is onveranderlijk. Hij maakt daarbij gebruik van meerdere middelen, zodat iedereen die er voor openstaat, wordt bereikt. Een beproefd middel is de boodschap te laten verkondigen bij monde van zijn profeten, zo lang het hun wordt toegestaan om onder de mensen te werken. Die gezagsdragers hebben het goddelijk bevel om het volk te waarschuwen en ze de veilige weg te wijzen.

Waarschuwingen van profeten

Toen de spanningen in de herfst van 1838 in het noorden van Missouri hoog opliepen, riep de profeet Joseph Smith alle heiligen op om voor hun veiligheid in Far West bijeen te komen. Velen woonden op afgelegen boerderijen of in verspreide nederzettingen. Hij waarschuwde met name Jacob Haun, stichter van de kleine nederzetting Haun’s Mill. In een document uit die tijd staat: ‘Broeder Joseph had via Haun, eigenaar van de molen, aan de broeders daar de boodschap gestuurd dat ze naar Far West moesten komen, maar meneer Haun had de boodschap niet doorgegeven.’1 Later schreef de profeet Joseph in zijn dagboek: ‘Tot op die dag had God mij de wijsheid gegeven om de mensen in veiligheid te brengen die gehoor gaven aan mijn raad. Niemand die mijn raad opvolgde, heeft ooit de dood gevonden.’2 Toen schreef de profeet de droeve waarheid dat er in Haun’s Mill geen slachtoffers waren gevallen als zijn raad was opgevolgd.

In onze eigen tijd zijn wij gewaarschuwd met raad over waar wij bescherming vinden tegen zonde en smart. Een van de sleutels waarmee we die waarschuwingen kunnen onderkennen, is dat ze herhaald worden. U hebt bijvoorbeeld de profeet meer dan eens in de algemene conferenties horen zeggen dat hij een vorige profeet ging citeren, waarmee hij een tweede, en soms zelfs een derde getuige, werd. Wie er oud genoeg voor waren, hebben president Spencer W. Kimball (1895–1985) horen zeggen hoe belangrijk het is dat de moeder thuis is, en daarna hebben we president Benson (1899–1994) hem horen citeren, en daarna hebben we president Hinckley (1910–2008) hen beiden horen citeren.3

De apostel Paulus schreef: ‘Op de verklaring van twee getuigen of van drie zal iedere zaak vaststaan’ (2 Korintiërs 13:1). Een van de manieren waarop we kunnen weten dat de waarschuwing van de Heer komt, is dat er een beroep gedaan wordt op de wet van getuigen, getuigen met gezag. Als de uitspraken van profeten herhaald worden, zou dat onze aandacht moeten trekken en ons hart moeten vervullen met dankbaarheid dat we in zo’n gezegende tijd leven.

Voor gelovigen is het logisch dat ze met de raad van profeten de veilige weg proberen te vinden. Als een profeet spreekt, denken kleingelovigen misschien dat ze een wijs man goede raad horen geven. Is die raad goed en redelijk, en komt die hen uit, dan aanvaardden ze die. Zo niet, dan doen ze het af als verkeerde raad of ze gaan ervan uit dat hun omstandigheden een uitzondering op die raad rechtvaardigen. Ongelovigen denken misschien een man te horen die zijn wil aan anderen wil opleggen. Misschien drijven ze er de spot mee, zoals Korihor in het Boek van Mormon eens heeft gedaan: ‘En aldus leidt gij dit volk weg, de dwaze overleveringen van uw vaderen achterna, en wel volgens uw eigen verlangens; en gij onderdrukt hen, ja, gij houdt hen als het ware in knechtschap, zodat gij u kunt verzadigen aan de arbeid van hun handen, zodat zij niet vrijmoedig durven opkijken en hun rechten en voorrechten niet durven genieten’ (Alma 30:27).

Korihor argumenteerde, zoals men vanaf het begin der tijden ten onrechte heeft geargumenteerd, dat aanvaarding van de raad van Gods dienstknechten gelijk staat aan inperking van onze zelfstandigheid, een van God verkregen recht. Het is evenwel een ongeldig argument, omdat het de werkelijkheid verkeerd weergeeft. Gods invloed op ons leven afwijzen, wil nog niet zeggen dat daarmee onze zelfstandigheid gewaarborgd is. We kiezen voor een ander soort invloed. We verwerpen de bescherming van een volmaakt liefdevolle, almachtige, alwetende Vader in de hemel, die ons, samen met zijn geliefde Zoon, het eeuwige leven wil geven in gezinsverband, die ons alles wil geven wat Hij heeft, die ons thuis wil brengen, en wil terugvoeren in zijn liefdevolle armen. Als wij zijn raad in de wind slaan, kiezen we voor de invloed van een andere macht, die onze ellende tot doel heeft en haat tot motief heeft verkozen. We hebben van God morele keuzevrijheid gekregen. In plaats van recht te laten gelden op een leven dat vrij is van invloeden, is het ons onvervreemdbaar recht te kunnen kiezen voor overgave aan een van beiden machten.

Op veilige grond

Een andere misvatting is te denken dat de keuze om de raad van profeten wel of niet op te volgen, eenvoudigweg betekent: naar goede raad luisteren en daar baat bij hebben, of dat niet te doen en alles bij het oude te laten. Maar de keuze om de raad van profeten naast ons neer te leggen, verandert onze positie. Die positie verslechtert. Want als we de raad van de profeten nu niet opvolgen, wordt het steeds moeilijker voor ons om die later wel aan te nemen. Het beste moment om Noach met de bouw van de ark te helpen, was de eerste keer dat hij het vroeg. Elke keer dat hij het daarna vroeg, zou weigering de invloed van de Geest verminderd hebben. En dus zou elk volgend verzoek dwazer lijken, totdat het begon te regenen. En toen was het te laat.

Elke keer dat ik ervoor koos om niet meteen geïnspireerde raad op te volgen, of vond dat ik een uitzondering vormde, werd me duidelijk dat ik mezelf in gevaar had gebracht. Elke keer dat ik naar de raad van profeten geluisterd heb, die in mijn gebed bevestigd kreeg en die opvolgde, merkte ik dat ik mij in de veilige richting bewoog. In de loop van de tijd heb ik gemerkt dat de weg voor mij geëffend was. God bracht me in veiligheid langs een pad dat met liefdevolle zorg was voorbereid, soms al lang van tevoren.

Vooraan in het Boek van Mormon lezen we over een profeet van God, Lehi. Hij was ook het hoofd van een gezin. God had hem de raad gegeven om zijn dierbaren in veiligheid te brengen. Wat Lehi meemaakte is een zinnebeeld van wat er gebeurt als God raad geeft bij monde van zijn profeten. Alleen de gelovige familieleden, die zelf bevestigende openbaring ontvingen, zagen zowel het gevaar als de veilige weg. Voor de ongelovigen leek de tocht door de wildernis niet alleen dwaas, maar ook gevaarlijk. Lehi heeft, net als alle profeten, tot zijn dood geprobeerd zijn familieleden de veilige weg te wijzen.

Hij wist dat de Heiland degenen aan wie Hij sleutelmacht verleent, verantwoordelijk houdt. Aan die sleutelmacht is de bevoegdheid verbonden om de raad te geven die ons de veilige weg wijst. Wie die sleutelmacht dragen, hebben de plicht te waarschuwen, zelfs als hun raad misschien niet wordt opgevolgd.

Die sleutelmacht wordt vanaf de profeet via een gezagslijn gedelegeerd aan leidinggevenden van steeds kleinere groepen leden tot aan gezinnen en alleenstaanden toe. Dat is een van de manieren waarop de Heer een ring tot een veilige plek maakt. Ik heb bijvoorbeeld met mijn vrouw een bijeenkomst voor ouders bijgewoond, belegd door onze bisschop, om ons te waarschuwen voor de geestelijke gevaren die onze kinderen liepen. Ik hoorde meer dan de stem van een wijze vriend. Ik hoorde een dienstknecht van Jezus Christus met sleutelmacht, wiens plicht het was om ouders te waarschuwen en ons op onze plicht te wijzen. Als wij de sleutelmacht van dat priesterschapskanaal eren door te luisteren en gehoor te geven, houden we ons vast aan een reddingslijn die zelfs bij noodweer niet zal breken.

Vader in de hemel houdt van ons. Hij heeft zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, onze Heiland, gestuurd. Hij wist dat we in dit sterfelijke leven groot gevaar zouden lopen, het ergste veroorzaakt door de verleidingen van een geduchte tegenstander. Dat is een van de redenen waarom de Heiland sleutelmacht heeft verstrekt, zodat wie oren heeft om te horen en geloof om te gehoorzamen, naar veilige grond kunnen gaan.

Een luisterend oor

Een luisterend oor vergt nederigheid. U herinnert zich de waarschuwing van de Heer aan Thomas B. Marsh. Hij was toen president van het Quorum der Twaalf Apostelen. De Heer wist dat president Marsh en de andere broeders van de Twaalf zouden worden beproefd. Hij gaf raad over het aannemen van raad. De Heer heeft gezegd: ‘Wees nederig; en de Heer, uw God, zal u aan de hand leiden en u antwoord geven op uw gebeden’ (LV 112:10).

De Heer voegde daar een waarschuwing aan toe voor iedereen die een levende profeet volgt: ‘Verhoogt uzelf niet; staat niet op tegen mijn dienstknecht Joseph; want voorwaar, Ik zeg u: Ik ben met hem en mijn hand zal over hem zijn; en de sleutels die Ik aan hem heb gegeven, en ook aan u, zullen hem niet worden ontnomen totdat Ik kom’ (LV 112:15).

God geeft ons niet alleen raad voor onze eigen veiligheid, maar ook voor de veiligheid van zijn andere kinderen, die we behoren lief te hebben. Er is geen troost zo zoet als de zekerheid dat we een middel in Gods handen zijn geweest om iemand in veiligheid te brengen. Die zegen vergt doorgaans het geloof om raad op te volgen, ook als dat moeilijk is.

Een voorbeeld uit de kerkgeschiedenis is Reddick Newton Allred. Hij maakte deel uit van de reddingsploeg die door Brigham Young (1801–1877) naar de handkarkonvooien Willie en Martin was gestuurd. Bij de Sweetwater River ter hoogte van de South Pass vroeg kapitein George Grant aan Reddick Allred om daar met een paar mannen en huifkarren te wachten, totdat hij en zijn mannen terugkeerden met de handkarpioniers.

De hulpverleners vonden het konvooi Willie, dat in de sneeuw was gestrand — bevroren, uitgehongerd en de dood nabij. Een deel van de hulpverleners bleef zoeken naar het konvooi Martin, terwijl de anderen het konvooi Willie op sleeptouw namen over de Rocky Ridge. Kort nadat zij hun kamp hadden opgeslagen, arriveerden Reddick Allred en zijn mannen met de broodnodige voorraden.

Allred bleef vervolgens wachten op kapitein Grant en het konvooi Martin. Weken gingen voorbij zonder een teken van leven. Toen het bleef sneeuwen en het weer levensbedreigend werd, besloten twee mannen dat het dwaas was om te blijven wachten. Zij dachten dat het konvooi Martin ergens anders overwinterde of was omgekomen. Zij besloten naar de Salt Lake Valley terug te keren en probeerden anderen over te halen om hun voorbeeld te volgen. Allred weigerde. President Young had hen erop uitgestuurd en kapitein Grant, Reddick Allreds priesterschapsleider, had hem gezegd daar op hem te wachten.

De mannen die terugkeerden naar de Salt Lake Valley namen een aantal goed gevulde huifkarren met zich mee. Nog tragischer was het dat ze 77 huifkarren die ze onderweg tegenkwamen, lieten omkeren. Veel van die huifkarren waren alweer helemaal terug bij Big Mountain toen boodschappers van Brigham Young ze opwachtten en ze weer rechtsomkeer lieten maken.

Drie lange weken nadat Reddick Allred hulp had geboden aan het konvooi Willie, arriveerde kapitein Grant met het konvooi Martin. Deze pioniers waren er nog slechter aan toe, tientallen hadden het niet overleefd. Het reddingsteam van kapitein Grant was klein, had weinig voorraad en was ruim 320 km verwijderd van de Salt Lake Valley. Nogmaals, omdat Reddick Allred zelfs onder de moeilijkste omstandigheden op zijn post was gebleven, kon hij met zijn hulpvoorraden levens redden.4

Er voor anderen zijn

U zult geïnspireerde raad van Gods profeten horen en lezen om er voor de nieuwe leden van de kerk te zijn. Wie zulk geloof hebben als Reddick Newton Allred zullen hun vriendschap blijven aanbieden, ook als het niet nodig lijkt of geen effect lijkt te hebben. Ze houden vol. Als een nieuw lid geestelijk uitgeput dreigt te raken, hebben deze gelovige leden een vriendelijk en bemoedigend woord te bieden. Zij zullen hetzelfde goddelijke welgevallen voelen als broeder Allred toen hij die handkarpioniers zo moeizaam zag naderen en wist dat hij ze veiligheid te bieden had, omdat hij onder moeilijke omstandigheden raad had opgevolgd.

Hoewel het niet is vastgelegd, ben ik er zeker van dat broeder Allred heeft gebeden terwijl hij wachtte. Ik weet zeker dat zijn gebeden zijn verhoord. Dan heeft hij geweten dat de raad om te blijven van God kwam. Wij moeten bidden om dat te weten. Ik beloof u dat zulke gelovige gebeden worden beantwoord.

Soms zullen we raad krijgen die we niet begrijpen of die, zelfs als we er zorgvuldig over hebben gebeden en nagedacht, niet op ons van toepassing lijkt. Verwerp die raad niet, maar houd het in gedachten. Als iemand u een handje zand gaf, met de belofte dat er goud tussen zat, zou u het dan niet een tijdje in uw hand houden en het zachtjes schudden. Steeds als ik dat deed met de raad van een profeet, werden na een tijdje de goudkorrels zichtbaar en was ik dankbaar.

Wij zijn gezegend dat we leven in een tijd waarin de sleutelmacht op aarde is. We zijn gezegend dat we weten waar we moeten zijn en hoe we de stem kunnen herkennen, waardoor de belofte van de Heer in vervulling zal gaan dat Hij ons in veiligheid zal brengen. Ik bid dat we nederig van hart zullen zijn, dat we zullen luisteren, zullen bidden, en zullen wachten op de redding van de Heer, die bij getrouwheid zeker zal komen.

Noten

  1. Philo Dibble. In: ‘Early Scenes in Church History’, Four Faith Promoting Classics (1968), p. 90.

  2. History of the Church, deel 5, p. 137.

  3. Zie bijvoorbeeld, The Teachings of Spencer W. Kimball (1982), p. 327; ‘To the Fathers in Israel’, Ensign, november 1987, p. 49; ‘Women of the Church’, Ensign, november 1996, p. 69.

  4. Zie Rebecca Bartholomew en Leonard J. Arrington, Rescue of the 1856 Handcart Companies (1992), pp. 29, 33–34.