Een verandering van hart ondervinden
vorige volgende

Lessen uit het Boek van Mormon

Een verandering van hart ondervinden

Elder Keith K. Hilbig

Een aantal jaren geleden in Oost-Europa hoorde ik een jonge zendeling in een zoneconferentie zijn medezendelingen een ervaring vertellen die zijn leven had veranderd. Zijn collega en hij hadden in een andere stad een man van middelbare leeftijd, Ivan genaamd (naam is veranderd), gevonden en onderwezen. Hun onderzoeker had een zwaar leven achter zich, en dat was goed te zien aan zijn versleten kleding, zijn pluizige baard en zijn onzekere voorkomen. Het had hem niet meegezeten in het leven.

Daar hij niet kerkelijk was opgevoed, had Ivan heel wat in te halen. Hij moest gewoonten afleren die niet in overeenstemming waren met het herstelde evangelie. Hij moest nieuwe beginselen aannemen en toepassen. Ivan was leergierig. Hij bereidde zich ijverig op zijn doop en bevestiging voor. Zijn kleding was nog steeds versleten en zijn baard pluizig, maar hij had de eerste stap gezet. Kort na Ivans doop was de zendeling overgeplaatst. Hij hoopte dat hij Ivan nog eens zou zien.

Een half jaar later wees de zendingspresident de jonge zendeling toe aan dezelfde gemeente. Hoewel hem dat verraste, was hij maar wat graag bereid terug te gaan. Op de eerste zondag ging de zendeling met zijn nieuwe collega al vroeg naar de kerk voor de avondmaalsdienst. De leden vonden het fijn om de zendeling weer in hun midden te hebben. Breed glimlachend begroetten zij hem allerhartelijkst.

De zendeling herkende bijna iedereen in de kleine gemeente. Tevergeefs zocht hij echter naar het gezicht van de man die hij en zijn collega een half jaar eerder hadden lesgegeven en gedoopt. De zendeling voelde een lichte mate van teleurstelling en verdriet bij hem opkomen. Was Ivan naar zijn oude gewoonten teruggekeerd? Had hij zijn doopverbond niet geëerd? Was hij de zegeningen misgelopen die door zijn bekering binnen zijn bereik waren gekomen?

De zendeling onderbrak zijn angstige bespiegelingen omdat er een onbekende man op hem afkwam die hem wilde begroeten. De fris geschoren man had een zelfverzekerde glimlach en aan zijn blik kon je zien dat het een goed mens was. Hij droeg een wit shirt en een zorgvuldig geknoopte stropdas, en stond op het punt om die sabbatmorgen het avondmaal voor te bereiden voor de kleine gemeente. Pas toen de man tegen hem begon te praten, herkende de zendeling hem. Het was de nieuwe Ivan, niet de oude Ivan die ze hadden lesgegeven en gedoopt! De zendeling zag in zijn vriend de belichaming van geloof, bekering en vergeving; hij zag de verzoening in werking.

De zendeling vertelde zijn collega’s op de zoneconferentie dat Ivan was veranderd en ontzettend was gegroeid in de maanden dat ze elkaar niet hadden gezien. Ivan had het evangelie aanvaard en dat straalde van hem af. Hij had een ‘verandering van hart’ (Alma 5:26) ervaren, groot genoeg om zich te laten dopen en voorwaarts te streven in het voortgaande bekeringsproces. Hij was zich aan het voorbereiden op het hoge priesterschap en de verordeningen van de tempel. Ivan was met recht ‘wedergeboren’ (Alma 7:14).

Aan het eind van zijn relaas vroeg de zendeling zich hardop af: ‘In hoeverre heb ik in het laatste half jaar een “verandering van hart” ondergaan?’ Waarop hij liet volgen: ‘Ben ik “wedergeboren”?’ Dat zijn twee belangrijke vragen die ieder van ons zich privé op geregelde basis zou moeten afvragen.

In de afgelopen jaren heb ik nagedacht over de woorden van de jonge zendeling en de verandering in Ivan. Ik heb de rol bepeinsd die een ‘machtige verandering’ (Alma 5:12) in ons hart en ‘geestelijk uit God geboren’ (Alma 5.14) worden, spelen bij de aanvaarding van het herstelde evangelie. Ik ben tot de slotsom gekomen dat ze een belangrijke plaats innemen in het evangelie van Jezus Christus, en dat het niet slechts eenmalige, afgeronde ervaringen zijn. Ze bieden ons voortdurend de kans om ons bekeringsproces en onze individuele verfijning te verdiepen. Ze bereiden ons voor op het eeuwige leven.

De geestelijke wedergeboorte — een uitdaging

De wedergeboorte en de machtige verandering van hart zijn een uitdaging waar we allemaal voor komen te staan. Er zijn mensen in de christelijke gemeenschap die geloven dat de wedergeboorte niet meer inhoudt dan Christus als de Redder van de wereld aan te nemen, los van iemands levenwijze. Anderen beweren dat het voldoende is de rol van Christus te erkennen, eventueel gecombineerd met een mondelinge uiting van geloof in Christus, om ons uiteindelijk terug in de tegenwoordigheid van de Vader en de Zoon te brengen. Hoe goed bedoeld deze manier van denken ook is, zij is niet juist.

In het Nieuwe Testament staan vele verwijzingen naar de wedergeboorte, maar uit de vertaling blijkt niet altijd precies hoe die wordt bereikt. De Heiland (zie Johannes 3:5–7), Johannes de Doper (zie Matteüs 3:11), en Paulus (zie Romeinen 6:2–6; 2 Korintiërs 5:17; Galaten 4:29; Efeziërs 4.24) verkondigen de wedergeboorte, maar ze leggen niet uit wat die inhoudt.

In het Boek van Mormon daarentegen wordt beter uitgelegd hoe iemand tot een verandering van hart of een wedergeboorte komt. De profeten in het boek geven een duidelijke leerstellige uitleg van het proces. Beide zinsneden worden behandeld door Alma de jonge, die de leden van de kerk drie vragen stelde: ‘Ik vraag u, mijn broeders der kerk: zijt gij geestelijk uit God geboren? Hebt gij zijn beeld in uw gelaat ontvangen? Hebt gij die machtige verandering in uw hart ondervonden?’ (Alma 5:14.)

We weten uit de standaardwerken dat we door de doop door onderdompeling lid van de kerk worden, maar dat de verordening op zich niet de geestelijke wedergeboorte is, die ons in staat stelt om in de tegenwoordigheid van onze hemelse Vader terug te keren. Evenzo hebben we, doordat we na onze doop bevestigd worden, het recht op het voortdurende gezelschap van de Heilige Geest. Maar alleen als we ons werkelijk hebben bekeerd — en dus echt de Heilige Geest hebben ontvangen — kunnen we geheiligd worden en geestelijk wedergeboren worden. Vandaar dat we Alma’s indringende vragen herhaaldelijk ter harte moeten nemen.

President Brigham Young (1801–1877) heeft ooit als volgt over de ‘nieuwe geboorte’ gesproken: ‘Er is zoiets als de geboorte van de Geest terwijl we nog in dit leven zijn. En wanneer we onze eigen onafhankelijke schepping volmaakt gaan begrijpen, die God ons geschonken heeft, en de geestenwereld, en de beginselen en invloeden die op dit organisme van kracht zijn, gaan we begrijpen dat iemand zo volledig en uitsluitend aan de Geest van waarheid en aan God kan zijn toegewijd, en zo opgaat in die Geest dat met recht van een nieuwe geboorte kan worden gesproken.’1

Koning Benjamin leerde zijn volk in een bezielende redevoering hoe zij de evangeliebeginselen moesten naleven (zie Mosiah 2–4). Toen vroeg hij stoutmoedig of zij zijn woorden geloofden. Hun aangrijpende antwoord verschaft een krachtig voorbeeld: ‘En allen riepen zij als met één stem, zeggende: Ja, wij geloven alle woorden die gij tot ons hebt gesproken; en ook weten wij dat ze zeker en waar zijn, dankzij de Geest van de almachtige Heer, die een grote verandering in ons, ofwel in ons hart, heeft teweeggebracht, waardoor wij niet meer geneigd zijn om kwaad te doen, maar wél om voortdurend goed te doen’ (Mosiah 5:2).

Ook zeiden zij: ‘Wij zijn bereid een verbond met onze God aan te gaan dat wij voor de rest van onze levensdagen zijn wil zullen doen, en gehoorzaam zullen zijn aan zijn geboden in alle dingen die Hij ons zal gebieden’ (Mosiah 5:5; cursivering toegevoegd).

Koning Benjamin legde toen aan het volk uit wat er was gebeurd en wat het gevolg was, waarmee hij een uitstekende definitie van de wedergeboorte gaf:

‘Gij hebt de woorden gesproken die ik verlangde; en het verbond dat gij hebt gesloten, is een rechtvaardig verbond.

‘En nu, wegens het verbond dat gij hebt gesloten, zult gij de kinderen van Christus worden genoemd, zijn zonen en zijn dochters; want zie, heden heeft Hij u geestelijk verwekt; want gij zegt dat uw hart door geloof in zijn naam is veranderd; daarom zijt gij uit Hem geboren en zijn zonen en zijn dochters geworden’ (Mosiah 5:6–7).

Deze volgelingen van koning Benjamin hadden duidelijk een dusdanig grote verandering van hart ondervonden, dat ze niet meer geneigd waren om kwaad te doen; verder waren ze duidelijk geestelijk verwekt, ofwel wedergeboren.

Denk eraan dat de wedergeboorte niet onze herinneringen aan voorbije zonden uitwist, maar zij verschaft wel gemoedsrust en opheffing van wroeging (zie Mosiah 27:29; Alma 36:19).

Zegeningen van de wedergeboorte

Ouderling Bruce R. McConkie (1915–1985) van het Quorum der Twaalf Apostelen herinnerde ons eraan dat ‘de leden van de kerk die zijn wedergeboren zich in een gezegende en bevoorrechte positie bevinden. Zij hebben die positie niet bereikt door louter en alleen lid van de kerk te worden, maar door geloof (1 Johannes 5:1), rechtvaardigheid (1 Johannes 2:29), liefde (1 Johannes 4:7), en het overwinnen van de wereld (1 Johannes 5:4).’2

Alma de jonge ervoer persoonlijk wat het inhoudt om te veranderen van een vijand van God in een nieuwe mens, iemand die bekeerd is en daarom toegewijd aan de opbouw van het koninkrijk:

‘Want, zeide hij, ik heb mij van mijn zonden bekeerd en ben door de Heer verlost; zie, ik ben uit de Geest geboren.

‘En de Heer zeide tot mij: Verwonder u niet dat het gehele mensdom moet worden wedergeboren, ja, mannen en vrouwen, alle natiën, geslachten, talen en volken; ja, geboren uit God, veranderd van hun vleselijke en gevallen staat in een staat van rechtvaardigheid, waardoor zij, door God verlost, zijn zonen en dochters worden;

‘Aldus worden zij nieuwe schepselen; en tenzij zij dat doen, kunnen zij geenszins het koninkrijk Gods beërven’ (Mosiah 27:24–26; cursivering toegevoegd).

Als alle mensen wedergeboren moeten worden en een verandering van hart moeten ondergaan, doet het er niet toe of we in de kerk zijn geboren of later pas tot de kerk zijn toegetreden. We moeten allemaal ergens in onze bekeringsproces op een punt komen dat we de verandering van hart en de wedergeboorte door de Geest ondergaan. Het proces dat tot de wedergeboorte en de verandering van hart leidt, is voor iedereen bestemd, voor alle naties en daarom voor iedereen.

In de Schriften staan voorbeelden van mensen wier wedergeboorte zich op een opmerkelijke wijze voltrok, zoals Paulus (zie Handelingen 9:1–20) en Alma de jonge (zie Mosiah 27:8–37). Voor de meeste mensen uit de Bijbel en het Boek van Mormon én tegenwoordig is die verandering van hart niet één op zichzelf staande gebeurtenis, maar eerder een persoonlijk, geleidelijk proces.

Ouderling McConkie heeft in de conferentie van de ring Brigham Young University 1 deze troostrijke en bemoedigende woorden gesproken: ‘Voor de meeste mensen is bekering [geestelijke wedergeboorte en de bijbehorende vergeving van zonden] een proces; en het gaat van stap voor stap, trede na trede, stadium na stadium, van een lagere staat naar een hogere, van genade op genade, tot de tijd aanbreekt dat de persoon zich helemaal heeft overgegeven aan de rechtvaardige zaak. Dat betekent dat iemand vandaag een zonde overwint en morgen nog een. Hij vervolmaakt zijn leven in het ene aspect nu en in een ander aspect later. En het bekeringsproces gaat verder totdat het voltooid is, totdat we letterlijk, zoals het Boek van Mormon zegt, heiligen Gods worden in plaats van natuurlijke mensen.’3

Het doet er niet toe of onze geestelijke wedergeboorte plotseling of, gebruikelijker, geleidelijk is. Hoewel het proces kan verschillen, is het resultaat hetzelfde. Er is geen verschil in de kwaliteit van de bekering. Voor iedereen die een machtige verandering van hart ondergaat, gaat dat vergezeld van gevoelens van vreugde en liefde, die de voorgaande pijnen van ongehoorzaamheid verdrijven (Zie Alma 36:20–21). Hoe goed is onze hemelse Vader! Hoe allesomvattend is de verzoening van zijn Zoon!

Door gehoorzaam te zijn aan deze ware leerstellingen kunnen u en ik, gelijk de zendeling in Oost-Europa en zijn onderzoeker, deelhebbers worden van een machtige verandering van hart en een geestelijke wedergeboorte, waarmee wij beslag leggen op de beloofde zegeningen van vrede, liefde, ware vreugde en de wil om voortdurend het goede te doen.

Noten

  1. Deseret News, 2 mei 1860, p. 68.

  2. Mormon Doctrine, 2e editie (1966), p. 101; zie ook Bijbelvertaling van Joseph Smith, 1 Johannes 3:9.

  3. Be Ye Converted, Brigham Young University Speeches of the Year (11 februari 1968), p. 12.