Leringen van kerkpresidenten
‘Ieder lid een zendeling’


Hoofdstuk 6

‘Ieder lid een zendeling’

De wereld hongert naar de waarheid. (…) Wij hebben die. Kunnen we dat aan — deze taak die God op onze schouders heeft gelegd?1

Inleiding

Beide ouders van president David O. McKay waren bekeerling tot de kerk, door toedoen van zendelingen die hun zending in Groot-Brittannië vervulden. Het gezin waaruit zijn vader, David McKay, kwam trad in 1850 in Schotland tot de kerk toe. Het was een van de eerste gezinnen die in die streek tot de kerk toetraden. Het ouderlijk gezin van zijn moeder, Jennette Evans, kwam in ongeveer dezelfde tijd in Wales tot de kerk, ondanks grote tegenwerking van naaste verwanten.

Door dat rechtschapen erfgoed dat zijn ouders aan hem doorgaven, kreeg president McKay een groot getuigenis van het belang en de verstrekkende gevolgen van zendingswerk. In 1953, tijdens een rondreis door Europa, bezocht president McKay het bescheiden huisje waarin zijn vader in zijn jeugd had gewoond. Llewelyn, de zoon van president McKay, die hem op de reis vergezelde, beschreef de ervaring als volgt:

‘[Toen we het huis naderden] brak de zon door de wolken heen en straalde ons toe alsof zij de vreugde en het geluk in mijn vaders hart weerspiegelde. Toen we voor het huis stonden, kreeg mijn vader, die door de deur naar binnen keek, tranen in zijn ogen. “Als er rond 1850 geen zendelingen op deze deur hadden geklopt, zou ik hier vandaag niet zijn geweest!”’2

Leringen van David O. McKay

De leden van de kerk is opdracht gegeven om zendingswerk te doen

‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes

en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’ (Matteüs 28:19–20).

Dat was de opdracht die de oorspronkelijke twaalf kregen. En dat is ook de opdracht die de mensen in deze tijd in de Leer en Verbonden hebben gekregen — om een licht voor de wereld te zijn. ‘En evenzo heb Ik mijn eeuwigdurend verbond in de wereld gezonden om een licht voor de wereld te zijn, en een standaard voor mijn volk, en voor de andere volken om zich daar te verzamelen, en om een boodschapper te zijn voor mijn aangezicht om voor Mij uit de weg te bereiden.’ [Zie LV 45:9.]

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen was net een jaar oud toen de profeet Joseph Smith deze verklaring onder inspiratie ontving. Hij was toen 25 jaar. Ik vind het prachtig dat hij tot een dergelijke verklaring gekomen is, die veel te bieden heeft, die allesomvattend is in zijn bereik. (…)

Het zogenaamde mormonisme heeft een banier voor de volken gehesen en nodigt de wereld uit, in begrijpelijk taal, waarvan deze openbaring getuigt, tot vrede, tot rust, tot voldoening.3

De tekst (…) ‘gaat heen in de gehele wereld’ is de zendingsopdracht die de herrezen Christus aan zijn apostelen heeft gegeven. In feite zegt Hij:

Beschouw dit werk als onvoltooid totdat alle volken het evangelie hebben geaccepteerd en mijn discipelen zijn geworden. (…)

Met dezelfde opdracht van de herrezen Heer die in persoon met zijn Vader is verschenen in het begin van de negentiende eeuw, verkondigt De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen het evangelie aan ‘alle natiën, geslachten, talen en volken’, en wel zo snel als de middelen en medewerkers haar verbreiding toestaan.4

Iedere heilige der laatste dagen behoort bij zendingswerk betrokken te zijn

Als ik twee van de krachtigste overtuigingen in het hart van de heiligen der laatste dagen moest formuleren, zou ik zeggen: Ten eerste, de stellige zekerheid dat het evangelie, zoals de Verlosser dat verkondigde toen Hij onder de mensen was, en dat later door mensenhand is aangepast, veranderd en verbasterd, door de Verlosser weer in alle zuiverheid en volledigheid is hersteld; en ten tweede, volkomen natuurlijk aansluitend op de eerste, de overtuiging in het hart van ieder lid van deze kerk dat de leden van de kerk tot taak hebben het herstelde evangelie aan alle naties, geslachten, talen en volken te verkondigen.5

Ik herinner mij gelezen dat ik ooit gelezen heb dat Christus, toen Hij op aarde was, tegen sommige mensen, die wisten dat Hij de Zoon van God was, heeft gezegd dat er een plicht rustte op degenen die van het bestaan van God wisten en van de waarheid van het evangelie van Christus. ‘Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Van een ieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd.’ [Lucas 12:48.] Deze kennis die de heiligen der laatste dagen bezitten, gaat dus vergezeld van een kolossale verplichting. Naar Gods volk, zowel vanouds als heden ten dage, wordt in de Schriften verwezen als een uitverkoren volk, een volk Gode ten eigendom, als een licht op een heuvel. ‘Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.’ [Zie Matteüs 5:14–16.]6

Wat een verantwoordelijkheid (…) goede mannen en goede vrouwen overal ter wereld tot de kennis Gods leiden, zodat ze weten wat hun zending op aarde is! Vaders en moeders, medearbeiders, beseft u nu wat het inhoudt de verantwoordelijkheid te nemen om de boodschap van vrede en welbehagen aan alle mensen te brengen?7

De wereld hongert naar de waarheid zoals nooit eerder in haar geschiedenis. Wij hebben die. Kunnen we dat aan — deze taak die God op onze schouders gelegd heeft?8

Ieder lid van de kerk dient te zijn bekeerd en kennis van het evangelie te hebben, met inbegrip van kennis van de Schriften. Wat zou het fijn zijn als alle leden van de kerk, evenals Petrus vanouds, ‘de Christus in uw harten als Here [heiligen], altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is’ (1 Petrus 3:15).

De taak van de kerk is het evangelie, zoals dat aan de profeet Joseph Smith is hersteld, te verkondigen, niet louter door het in woord te prediken en uit te dragen, of door informatiemateriaal te verspreiden; meer dan iets anders dienen we het evangelie thuis en op ons werk na te leven, met geloof en een getuigenis in ons hart, en dat uit te stralen waar we ook zijn. (…) Er is niets dat de voortgang van de waarheid kan tegenhouden, behalve onze zwaktes of ons plichtsverzuim.9

Ieder lid is een zendeling. Hij of zij heeft tot taak iemand — moeder, vader, buur, medewerker, collega — wie dan ook in contact te brengen met de boodschappers van het evangelie. Als elk lid zich van die taak kwijt en ervoor zorgt dat die moeder of die vader of wie dan ook in contact komt met de bevoegde vertegenwoordigers van de kerk kan geen enkele macht de groei van de kerk tegenhouden. En het is dat persoonlijke contact dat invloed zal hebben op die onderzoekers. Dat persoonlijke contact, daar gaat het om, en wat het teweegbrengt hangt van u af. En dat is iets waar ik nadruk op wil leggen. Er is een plicht waaraan niemand zich kan onttrekken, dat is de plicht van persoonlijke invloed (…). Het is wat u bent, niet wat u voorgeeft te zijn, dat mensen ertoe zal brengen de kerk te onderzoeken.10

Elk lid van de kerk behoort een zendeling te zijn. Hij is waarschijnlijk niet bevoegd om van deur tot deur te gaan, maar hij is wel bevoegd, uit hoofde van zijn lidmaatschap, om een goed voorbeeld van een goede buur te zijn. Zijn buren letten op hem. Zijn buren letten op zijn kinderen. Hij is een licht, en het is zijn plicht dat licht niet onder de korenmaat te zetten, maar het behoort op een heuvel te worden gezet, zodat iedereen zich erdoor kan laten leiden. (…)

Als u in overeenstemming leeft met deze eenvoudige beginselen, vervat in de verbonden die u in de wateren van de doop hebt gesloten, en sindsdien in de avondmaalsdienst, en velen van u in het huis van God, vervult u een edele zending, waarvoor God u zal belonen.

Moge ieder lid van de kerk deze verandering in zijn leven ervaren, opdat hij zo zal leven dat anderen zijn goede daden zien en ertoe worden gebracht onze Vader in de hemel te verheerlijken.11

Het evangelie is ons anker. We weten waar het voor staat. Als we het naleven, het voelen, en goed spreken over het evangelie, over de priesterschap, over de autoriteiten van de kerk, en zelfs goed spreken over onze vijanden, zullen we ons gelukkiger voelen, en zullen we het evangelie van Jezus Christus prediken. Iedereen kan dat doen. Het is mogelijk. God heeft het ons niet gevraagd en ons vervolgens de kracht om het te doen ontzegd.12

Voltijdzendelingen moeten waardig zijn om te dienen

Afdeling 4 van de Leer en Verbonden is een door de profeet Joseph Smith ontvangen openbaring dat ‘een wonderbaar werk […] op het punt [staat] onder de mensenkinderen tevoorschijn te komen.

“Daarom, o gij die u in dienst van God begeeft, ziet toe dat gij Hem met geheel uw hart, macht, verstand en kracht dient, opdat gij ten laatsten dage schuldeloos voor God zult staan.” (LV 4:1–2.) (…)

[Een] belangrijk kenmerk van deze openbaring, en van andere die omstreeks deze tijd zijn gegeven, is het noemen van essentiële vereisten voor hen die deel zouden nemen aan de totstandbrenging van dit wonderbare werk. Deze vereisten waren niet rijkdom, niet voornaamheid, niet politiek engagement, niet militaire rang, niet adelstand; maar het verlangen God te dienen met geheel uw ‘hart, macht, verstand en kracht’ — geestelijke vereisten die de vorming van een edele ziel behelzen. Ik herhaal: geen populariteit, geen rijkdom, geen theologische opleiding in kerkbestuur — toch ‘[stond er] een wonderbaar werk […] op het punt onder de mensenkinderen tevoorschijn te komen.’13

Er zijn bepaalde normen die [bisschoppen en ringpresidenten] moeten hanteren bij het roepen van onze zendelingen. Ten eerste moeten we geen [zendeling] op zending roepen om hem of haar te redden. De jongeman is aan het afdwalen en u bent van mening dat een zending hem goed zal doen. Dat kan wel zijn. Maar dat is niet de reden dat we hem op zending sturen. Kies [zendelingen] uit die waardig zijn om de kerk te vertegenwoordigen, zie erop toe dat zij voldoende volwassen zijn, maar bovenal dat ze karakter hebben.14

We dienen ons niet zozeer te laten leiden door de vraag of het die vertegenwoordigers goed zal doen, maar liever of ze voldoende voorbereid zijn en in staat zijn de taken die bij zendingswerk komen kijken, uit te voeren. Als u een zendeling wilt voordragen dient u de volgende vragen in uw achterhoofd te houden:

Kan hij met goed fatsoen de kerk vertegenwoordigen?

Heeft hij voldoende wilskracht om verleiding te weerstaan?

Is hij moreel rein gebleven en heeft hij daarmee bewezen dat hij in staat is om mogelijke verleidingen in het veld te weerstaan?

Heeft hij actief deelgenomen aan de kerkelijke programma’s?

Heeft hij er op zijn minst enig idee van wat de kerk de wereld te bieden heeft?

Is hij zich ervan bewust dat de kerk de belangrijkste organisatie ter wereld is, en de enige bevoegde instantie die de Heer Jezus Christus kan vertegenwoordigen in het heil van de mens? (…)

Heeft hij, in gebed of door ervaring, de nabijheid van God gevoeld, zodat hij de Heer kan benaderen zoals hij zijn aardse vader zou doen?15

Daarom moet iedere ouderling die uitgaat om het evangelie te verkondigen, allereerst het evangelie naar zijn beste vermogen naleven en in zijn hart de overtuiging hebben dat hij de waarheid verkondigt. Weliswaar kan dit getuigenis aanvankelijk enigszins vaag zijn; maar al onze kinderen hebben het in meer of mindere mate. (…) Door studie, dienstbetoon, nederigheid en gebed zal dat getuigenis groeien.

Hier is nog een vereiste: iedere ouderling behoort zich altijd als een christen, een heer, te gedragen. Wie is een heer? ‘Al wie open is’ — niets te verbergen, geen ontwijkende blik vanwege een schuldgevoel; ‘Al wie trouw is’ — trouw aan de waarheid, aan deugd, aan het woord van wijsheid — ‘trouw, met een menswaardige en vriendelijke houding, eerzaam, ook in zijn oordeel van anderen, houdt zich aan zijn woord alsook aan de wet, en is trouw aan God en zijn medemens — die soort man is een echte heer’, en die soort man behoort de ouderling van deze kerk te zijn als hij de wereld wil kerstenen.16

Iedere diaken, leraar en priester, iedere ouderling in de kerk begrijpt dat hij, wil hij de kerk kunnen vertegenwoordigen, gematigd in zijn gewoonten en moreel rein dient te zijn. Hem is geleerd dat hij, wat kuisheid betreft, niet met twee maten kan meten, dat iedere jonge man, maar ook iedere jonge vrouw, zichzelf verre hoort te houden van seksuele onreinheid. (…)

Deze jonge mannen is geleerd dat ze op pad gaan als afgezanten van de kerk, en dat een afgezant van welke organisatie ook — economisch of religieus — minimaal één goede eigenschap behoort te bezitten, en dat is betrouwbaarheid. Iemand heeft terecht gezegd: ‘Vertrouwd te worden is een groter compliment dan geliefd te zijn.’ En wie vertegenwoordigen deze zendelingen? Allereerst vertegenwoordigen zij hun ouders, omdat ze aan hen verplicht zijn hun goede naam hoog te houden. Ten tweede vertegenwoordigen ze de kerk, in het bijzonder de wijk waar ze deel van uitmaken. En ten derde vertegenwoordigen ze de Heer Jezus Christus, wiens gemachtigde dienstknechten zij zijn.

Deze ambassadeurs, want dat zijn ze, vertegenwoordigen deze drie groepen, en met die vertegenwoordiging dragen ze de grootste verantwoordelijkheid van hun leven.17

Zendingswerk heeft veel zegeningen tot gevolg

De beste manier om uw getuigenis te versterken, om voor uzelf te weten te komen dat Christus u steunt in uw werk en zijn kerk leidt, is uw plicht doen, (…) is zendingswerk doen.18

Werkzaam zijn (…) in het zendingsveld is velen tot zegen. Dat wordt ingezien door duizenden ouders in de kerk, die beseffen dat dergelijke arbeid van waarde is voor hun zoons en dochters, in wie deze ervaring waardering opwekt voor hun ouderlijk gezin en het evangelie. Ouders weten ook dat zendingswerk leidt tot een bewustwording van de waarheid van het evangelie, iets wat deze jonge mannen wellicht wel gevoeld maar niet verwoord hebben.19

De waarde en mogelijkheden van dit onderdeel van kerkactiviteit [zendingswerk] ontgaat velen van ons.

  1. Het is een onovertroffen voorbeeld van volkomen overgave aan de zaak van de Meester.

  2. Het is voor jongeren een prima stimulans om een rein leven te leiden, en ook een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van hun karakter.

  3. Het draagt bij tot, dat is goed zichtbaar, de educatie en verheffing van onze gemeenschappen.

  4. Het draagt bij tot onderling begrip onder de naties, en tot het sluiten van internationale vriendschappelijke betrekkingen.

  5. Daar het het doel van de Almachtige is het individu te redden, (…) past het zendingswerk heel harmonieus in de vervulling van zijn eeuwige plan!

‘Bedenkt dat de waarde van zielen groot is in de ogen van God; (…)

‘En al ware het zo dat u al uw dagen arbeidde om dit volk bekering toe te roepen, en slechts één ziel tot Mij bracht, hoe groot zal dan uw vreugde met hem zijn in het koninkrijk van mijn Vader!

Het hart van de mensen moet worden veranderd. Juist daarvoor is Christus in de wereld gekomen. De belangrijkste reden dat we het evangelie verkondigen is dat we het hart en het leven van de mens willen veranderen, en u broeders die van ring naar ring gaan en het bewijs en het getuigenis horen van hen die onlangs tot de kerk zijn toegetreden (…) kunnen getuigen hoe die bekering hun leven heeft veranderd. Door die bekering brengen zij vrede en welbehagen in de wereld in plaats van onenigheid [en] lijden.21

Onze zendelingen (…) verkondigen nu aan een kommervolle wereld dat de boodschap die bij de geboorte van Jezus werd aangekondigd — ‘vrede op aarde bij mensen des welbehagens’ [zie Lucas 2:14] — hier en nu werkelijkheid kan worden door zich te houden aan de beginselen van het evangelie.22

Ideeën voor studie en bespreking

  • President McKay uitte vaak zijn dankbaarheid voor de zendelingen die zijn ouders hadden onderwezen. Hoe is het zendingswerk u of iemand die u kent tot zegen geweest?

  • Op wie rust de verantwoordelijkheid van zendingswerk tegenwoordig? (Zie pp. 49–54.) Welke mogelijkheden hebben we om president McKays aanwijzing, dat ieder lid een zendeling is, op te volgen? Hoe kunnen we onszelf voorbereiden op de vervulling van deze taak?

  • Welke hulpmiddelen heeft de kerk verschaft waarmee wij het evangelie kunnen verbreiden? Hoe kunnen we zoal de voltijd- en wijkzendelingen in de unit assisteren?

  • Aan welke vereisten moeten voltijdzendelingen voldoen? (Zie pp. 54–56.) Waarom zijn naleving van de gedragsnormen en betrouwbaarheid van essentieel belang voor zendingswerk?

  • Wat kunnen jonge mensen doen om zich voor te bereiden op een zending? Wat kunnen volwassenen doen om de jongeren daarbij te helpen?

  • Hoe kunnen mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking bij het zendingswerk worden betrokken? Welke andere mogelijkheden zijn er om hen in te schakelen in het kerkwerk?

  • Op welke manieren kunnen oudere echtparen veel bijdragen in het zendingsveld?

Relevante teksten: 3 Nephi 12:14–16; LV 4:1–7; 18:15–18; 75:2–5; 88:81; 90:11

Noten

  1. Conference Report (oktober 1945), 113–114.

  2. Llewelyn R. McKay (1956). Home Memories of President David O. McKay , p. 15; alinea-indeling gewijzigd.

  3. Every Member a Missionary. Improvement Era (oktober 1961), 710–711.

  4. Conference Report (oktober 1949), 118.

  5. Conference Report (april 1927), 102.

  6. Conference Report (oktober 1910), 47.

  7. Conference Report (april 1927), 106.

  8. Conference Report (oktober 1945), 113–114.

  9. Conference Report, oktober 1969, 88–89; alinea-indeling gewijzigd.

  10. Toespraak van president David O. McKay op 1 maart 1961 uitgesproken in de Noord-Britse Zending. Archieven van de afdeling kerk- en familiegeschiedenis. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, 2–3.

  11. Conference Report, oktober 1958, p. 93–94.

  12. Conference Report (april 1910), 110.

  13. Conference Report (oktober 1966), 86.

  14. Conference Report (april 1950), 176.

  15. Conference Report (april 1961), 96.

  16. Conference Report (april 1927), 106.

  17. Conference Report (oktober 1949), 119–120.

  18. Conference Report (oktober 1959), 89.

  19. Conference Report (april 1961), 96.

  20. Conference Report (oktober 1949), 117.

  21. Conference Report (oktober 1953), 11.

  22. Conference Report (oktober 1966), 87.