Zijn naam eren
    Footnotes
    Theme

    Zijn naam eren

    We dragen de naam van Jezus Christus omdat we wegens ons verbond van Hem zijn en bij Hem horen.

    Ouders die zich vol verwachting op de komst van een baby voorbereiden, hebben de taak een naam te kiezen. Misschien kreeg u bij uw geboorte een naam die al generaties in uw familie voorkomt. Of misschien was uw naam populair in het jaar of de streek waarin u bent geboren.

    De profeet Helaman en zijn vrouw gaven hun zonen Nephi en Lehi betekenisvolle namen van voorouders. Later vertelde Helaman zijn zonen:

    ‘Ik heb jullie de namen gegeven van onze eerste ouders […], opdat jullie, wanneer jullie aan jullie naam denken, jullie aan hen zullen denken; en wanneer jullie aan hen denken, jullie aan hun werken zullen denken; […] door hetgeen er is gezegd, en ook geschreven, dat zij goed waren.’

    ‘Welnu, mijn zonen, ik wil dat jullie datgene doen wat goed is.’1

    De namen Nephi en Lehi waren een herinnering aan het goede dat hun voorouders hadden gedaan, en een aanmoediging om ook goed te doen.

    Zusters, waar we ook wonen, welke taal we ook spreken, of we nu 8 jaar of 108 zijn, we dragen allemaal met hetzelfde doel een bijzondere naam.

    ‘Want [wij] allen die in Christus gedoopt [zijn, hebben ons] met Christus bekleed […] want allen [zijn wij] één in Christus Jezus.’2

    Als leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen hebben ‘wij voor het eerst onze bereidheid [betuigd] om de naam van Christus op ons te nemen […] met de verordening van de doop’.3 Met dat verbond hebben we beloofd Hem altijd indachtig te zijn, zijn geboden te onderhouden, en anderen te dienen. Elke zondag hernieuwen we onze bereidheid om dit verbond na te leven, als we aan het avondmaal deelnemen en ons opnieuw verheugen in de zegening dat wij ‘in een nieuw leven [kunnen] wandelen’.4

    De naam die we bij onze geboorte kregen, weerspiegelt onze persoonlijke identiteit en geeft weer dat we bij ons aardse gezin horen. Maar toen we bij onze doop werden ‘wedergeboren’, kregen we meer begrip van wie we zijn. ‘Wegens het verbond dat u hebt gesloten, zult u de kinderen van Christus worden genoemd […]; want zie, Hij [heeft] u geestelijk verwekt; want u zegt dat uw hart door geloof in zijn naam is veranderd; daarom bent u uit Hem geboren.’5

    We dragen dus de naam van Jezus Christus omdat we wegens ons verbond van Hem zijn en bij Hem horen. En ‘er [zal] geen andere naam, noch enige andere weg of middel, worden gegeven waardoor redding tot de mensenkinderen kan komen, dan alleen in en door de naam van Christus, de almachtige Heer’.6

    De naam van Jezus was lang vóór zijn geboorte bekend. Een engel profeteerde aan koning Benjamin: ‘En Hij zal Jezus Christus heten, de Zoon van God […]; en zijn moeder zal Maria heten.’7 Zijn werk van ‘verlossende liefde’8 werd ook aan Gods kinderen bekendgemaakt telkens als het evangelie op aarde was, vanaf de tijd van Adam en Eva tot nu, zodat ze zouden weten ‘op welke Bron zij mogen vertrouwen voor vergeving van hun zonden’.9

    Vorig jaar deed president Russell M. Nelson een profetische oproep aan de zusters, om ‘de toekomst vorm te geven door het verstrooide Israël te helpen vergaderen’. Hij moedigde ons aan om het Boek van Mormon te lezen en ‘elk vers dat over de Heiland gaat of naar Hem verwijst te markeren’. Hij vroeg ons om ‘bewust over Christus [te] spreken, [ons] in Christus [te] verheugen en Christus [te] prediken in [onze] familie- en vriendenkring’. Misschien ziet u al de vruchten van zijn belofte: ‘U en zij zullen daardoor dichter tot de Heiland komen. […] Er zullen ook veranderingen, wonderen zelfs, plaatsvinden.’10

    Onze belofte om de Heiland altijd indachtig te zijn, geeft ons de kracht om voor waarheid en deugd te staan – of we nu in een massa of op eenzame plaatsen zijn, waar niemand behalve God onze daden kent. Als we Hem en zijn naam indachtig zijn, hebben we geen plaats voor zelfvernederende vergelijkingen of arrogante oordelen. Met onze ogen op de Heiland gericht, zien we wie we werkelijk zijn – een gekoesterd kind van God.

    Doordat we ons verbond indachtig zijn, verstommen wereldse zorgen, maakt onzekerheid plaats voor moed, en vinden we hoop in tijden van beproeving.

    En als we op ons verbondspad struikelen en vallen, hoeven we alleen maar aan zijn naam en zijn barmhartigheid jegens ons te denken. ‘Want Hij bezit alle macht, alle wijsheid, en alle verstand; Hij doorgrondt alle dingen en Hij is een barmhartig Wezen […] tot heil van hen die zich bekeren en in zijn naam geloven.’11 Er is toch zeker geen zoeter geluid dan de naam van Jezus, voor allen met een gebroken hart en een verslagen geest die ‘meer [willen] doen om een beter mens te worden’.12

    President Nelson heeft gezegd: ‘De tijd dat u een stille christen kon zijn zonder uit uw comfortzone te komen, is voorbij. Uw godsdienst is niet beperkt tot alleen ’s zondags naar de kerk gaan. Het houdt in dat u van maandagochtend tot zondagavond een ware discipel bent. […] Deeltijddiscipelen van de Heer Jezus Christus bestaan niet.’13

    Onze bereidheid om de naam van Christus op ons te nemen, moet meer dan ijdele woorden zijn. Het is geen loze belofte of een cultureel verzinsel. Het is geen overgangsrite of een naamplaatje dat we dragen. Het is geen spreuk die we op een plank zetten of aan de muur hangen. Zijn naam heeft ons ‘bekleed’,14 is in ons hart geschreven en ‘in ons gelaat [gegrift]’.15

    We moeten het zoenoffer van de Heiland altijd indachtig zijn, in onze gedachten, onze daden en onze omgang met anderen. Niet alleen is Hij onze naam indachtig, Hij is ons altijd indachtig. De Heer heeft verklaard:

    ‘Want kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar schoot? Ja, al zouden zij vergeten, toch vergeet Ik u niet, o huis van Israël.

    ‘Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegraveerd.’16

    President George Albert Smith heeft gezegd: ‘Eer de namen die u draagt, want de dag komt dat u het voorrecht en de plicht hebt om verslag uit te brengen aan […] uw hemelse Vader […] over wat u met [die] namen hebt gedaan.’17

    Zijn wij net zoals Nephi en Lehi met hun zorgvuldig gekozen namen ware discipelen van de Heer Jezus Christus? Eren wij de naam van Jezus Christus die we vrijwillig op ons hebben genomen? Zijn wij zowel ‘dienaar’ als ‘getuige’18 van zijn barmhartigheid en zijn verlossende macht?

    Een tijdje geleden luisterde ik naar een audioboek van het Boek van Mormon. In het laatste hoofdstuk van 2 Nephi hoorde ik Nephi iets zeggen wat ik nog nooit zo had gelezen. In zijn kroniek spreekt en getuigt hij voortdurend van de ‘Verlosser’, de ‘Heilige van Israël’, het ‘Lam van God’, en de ‘Messias’. Maar aan het einde van zijn verslag hoorde ik deze woorden: ‘Ik roem in duidelijkheid; ik roem in waarheid; ik roem in mijn Jezus, want Hij heeft mijn ziel verlost.’19 Toen ik die woorden hoorde, werd mijn hart verblijd, en ik wilde er steeds opnieuw naar luisteren. Ik herkende dat vers en reageerde erop, zoals ik mijn eigen naam herken en erop reageer.

    De Heer heeft gezegd: ‘Ja, gezegend is dit volk dat gewillig is mijn naam te dragen; want in mijn naam zullen zij worden geroepen; en zij zijn de mijnen.’20

    Mogen wij als leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ‘de naam van Christus met blijdschap op [ons nemen]’21 door zijn naam met liefde, toewijding en goede werken te eren. Ik getuig dat Hij ‘het Lam Gods, ja, namelijk de Zoon van de eeuwige Vader’ is.22 In de naam van zijn heilig Kind, Jezus Christus. Amen.