Other Resources
Verzoening van Jezus Christus
vorige volgende

Verzoening van Jezus Christus

Het woord verzoenen betekent weer tot vrede, tot harmonie brengen. Door de verzoening van Jezus Christus kunnen we met onze hemelse Vader worden verzoend. (Zie Romeinen 5:10–11; 2 Nephi 25:23; Jakob 4:11.) We kunnen uiteindelijk voor eeuwig in zijn tegenwoordigheid wonen, als we ‘tot volmaking gekomen [zijn] door Jezus’. (Zie LV 76:62, 69.)

Jezus Christus was ‘vanaf de grondlegging der wereld […] bereid om [zijn] volk te verlossen’ (Ether 3:14). In de voorsterfelijke geestenwereld legde onze hemelse Vader het eeuwige heilsplan uit, dat een oneindige en eeuwige verzoening vereiste. De voorsterfelijke Jezus, die toen bekend was als Jehova, verklaarde nederig dat Hij de wil van de Vader zou doen en het plan zou uitvoeren. (Zie Mozes 4:2.) Aldus is Hij in het voorsterfelijke bestaan geordend om de verzoening te bewerkstelligen — naar de aarde te komen, de straf voor onze zonden te ondergaan, aan het kruis te sterven en uit het graf te herrijzen. Hij is ‘het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld’ (Openbaring 13:8; zie ook 1 Petrus 1:19–20; Mozes 7:47).

De verzoening is de hoogste uiting van de liefde die onze hemelse Vader voor ons heeft. (Zie Johannes 3:16.) Zij is tevens de edelste uiting van Jezus’ liefde voor de Vader en voor ons. (Zie Johannes 14:28–31; 15:9–13; 1 Johannes 3:16; LV 34:3; 138:1–4.)

Behoefte aan de verzoening

Alle mensen, afstammelingen van Adam en Eva, dragen de gevolgen van de val in zich. Iedereen ondergaat de geestelijke dood, met name uitgesloten te worden van de tegenwoordigheid van God, en iedereen is onderhevig aan de stoffelijke dood, de dood van het lichaam. (Zie Alma 42:6–9; LV 29:41–42.)

In onze gevallen staat zijn we onderhevig aan tegenstand en verleiding. Als we aan verleiding toegeven, scheppen we afstand tussen God en onszelf en moeten we het zonder zijn heerlijkheid stellen. (Zie Romeinen 3:23.)

De eeuwige gerechtigheid eist dat de gevolgen van de val voortduren en dat we voor onze misstappen worden gestraft. Zonder de verzoening zouden de geestelijke en stoffelijke dood een onoverbrugbare kloof tussen God en ons vormen. Daar we onszelf niet van de val of onze eigen zonden kunnen redden, zouden we voor eeuwig van onze hemelse Vader zijn afgesneden, want ‘niets wat onrein is, kan (…) in zijn tegenwoordigheid wonen’ (Mozes 6:57).

We kunnen alleen dan behouden worden als we door iemand anders worden gered. We hebben iemand nodig die de eisen van de gerechtigheid kan bevredigen — iemand die voor ons de last van de val op zich neemt en de boete voor onze zonden voldoet. Niemand anders dan Jezus Christus is bij machte om zo’n offer te brengen.

Jezus Christus, onze enige hoop

Al vóór de schepping van de aarde was de Heiland onze enige hoop op ‘vrede in deze wereld en het eeuwige leven in de toekomende wereld’ (LV 59:23).

Alleen Hij had de macht om zijn leven neer te leggen en het weer op te nemen. Van zijn moeder, Maria, een stervelinge, erfde Hij het vermogen om te sterven. Van zijn onsterfelijke Vader erfde hij het vermogen om over de dood te zegevieren. Hij verklaarde: ‘Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf’ (Johannes 5:26).

Alleen Hij kon ons verlossen van onze zonden. God de Vader heeft Hem die macht gegeven. (Zie Helaman 5:11.) De Heiland kon deze macht ontvangen en de verzoening teweegbrengen, omdat Hij nooit gezondigd had: ‘Hij onderging verzoekingen, maar sloeg er geen acht op’ (LV 20:22). Hij had een volmaakt, zondeloos leven geleid en de eisen van de gerechtigheid hadden geen vat op Hem. Hij had de kracht der verlossing in Zich en stond niet in de schuld bij de gerechtigheid. Daardoor kon Hij de schuld voldoen voor wie zich bekeert. Hij kan zeggen:

‘Vader, zie het lijden en de dood van Hem die geen zonde heeft begaan, in wie Gij welbehagen hadt; zie het bloed van uw Zoon dat vergoten is, het bloed van Hem die Gij gegeven hebt, opdat Gij zelf verheerlijkt zoudt worden; Vader, spaar dezen, mijn broeders die in mijn naam geloven, opdat zij tot Mij kunnen komen en het eeuwigdurend leven hebben’ (LV 45:4–5).

Voorwaar, ‘er [zal] geen andere naam, noch enige andere weg of middel, […] worden gegeven waardoor redding tot de mensenkinderen kan komen, dan alleen in en door de naam van Christus, de almachtige Heer’ (Mosiah 3:17).

Zoenoffer

Jezus bracht zijn zoenoffer in de hof van Getsemane en op het kruis op Golgota. In Getsemane onderwierp Hij zich aan de wil van de Vader en begon de zonden van alle mensen op Zich te nemen. Hij heeft enigszins aangegeven wat Hij heeft ondergaan toen Hij de losprijs voor onze zonden voldeed.

‘Ik, God, heb deze dingen voor allen geleden, opdat zij niet behoeven te lijden als zij zich bekeren; maar als zij zich niet bekeren, moeten zij lijden zoals Ik; welk lijden Mij, ja, God, de grootste van allen, van pijn deed sidderen en uit iedere porie bloeden, en naar lichaam en geest deed lijden — en Ik wilde dat Ik de bittere beker niet behoefde te drinken, en kon terugdeinzen — niettemin, ere zij de Vader, en Ik dronk en volbracht mijn voorbereidingen voor de mensenkinderen’ (LV 19:16–19; zie ook Lucas 22:44; Mosiah 3:7).

De Heiland zette zijn lijden voor onze zonden voort toen Hij toeliet dat Hij werd gekruisigd — ‘dat Hij aan het kruis werd verhoogd en voor de zonden der wereld werd gedood’ (1 Nephi 11:33).

Aan het kruis stierf Hij vrijwillig. Zijn lichaam werd in een graf gelegd tot Hij uit de dood herrees, ‘als eersteling van hen, die ontslapen zijn’ (1 Korintiërs 15:20). Met zijn dood en opstanding zegevierde Hij voor ons allen over de lichamelijke dood. Later heeft Hij verteld:

‘Ik [ben] in de wereld […] gekomen om de wil te doen van mijn Vader, want mijn Vader heeft Mij gezonden.

‘En mijn Vader heeft Mij gezonden opdat Ik aan het kruis zou worden verhoogd; en opdat Ik, na aan het kruis te zijn verhoogd, alle mensen tot Mij zou kunnen trekken, zodat evenals Ik door de mensen was verhoogd, ook de mensen zouden worden verhoogd door de Vader, om voor Mij te staan, om naar hun werken te worden geoordeeld, hetzij die goed, hetzij die kwaad zijn —

‘en om die reden ben Ik verhoogd; daarom zal Ik, volgens de macht van de Vader, alle mensen tot Mij trekken, zodat zij naar hun werken kunnen worden geoordeeld.

‘En het zal geschieden dat wie zich bekeert en zich in mijn naam laat dopen, zal worden vervuld; en indien hij tot het einde volhardt, zie, hem zal Ik onschuldig houden voor het aangezicht van mijn Vader ten dage dat Ik zal staan om de wereld te oordelen’ (3 Nephi 27:13–16).

Universele verlossing van de val

Door de verzoening verlost Jezus Christus alle mensen van de gevolgen van de val. Alle mensen die ooit geleefd hebben, nu leven of die nog zullen leven, zullen opstaan en in de tegenwoordigheid van God worden teruggebracht om te worden geoordeeld. (Zie 2 Nephi 2:5–10; Helaman 14:15–17.) Dankzij Jezus’ gave van barmhartigheid en verlossende genade zal iedereen de gave van de onsterfelijkheid en eeuwig leven in een verheerlijkt, herrezen lichaam ontvangen.

Redding van zonden

Hoewel wij onvoorwaardelijk van de universele gevolgen van de val worden verlost, zijn we verantwoordelijk voor onze eigen zonden. Maar we kunnen vergiffenis krijgen en gereinigd worden van zonden als we ‘het zoenbloed van Christus [laten] gelden’ (Mosiah 4:2). We moeten geloof oefenen in Jezus Christus, ons bekeren, ons laten dopen voor de vergeving van zonden, en de gave van de Heilige Geest ontvangen. Alma heeft gezegd:

‘Nu zeg ik u dat gij u moet bekeren en worden wedergeboren; want de Geest zegt: Indien gij niet wordt wedergeboren, kunt gij het koninkrijk van de hemel niet beërven; komt dus en laat u dopen tot bekering, opdat gij van uw zonden zult worden gewassen, opdat gij geloof zult hebben in het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, dat machtig is om te redden en te reinigen van alle onrechtvaardigheid’ (Alma 7:14).

Gave van het eeuwige leven

De Heiland heeft verklaard dat het eeuwig leven ‘de grootste van alle gaven Gods is’ (LV 14:7). Het eeuwige leven beërven houdt in waardig te worden gemaakt om in Gods tegenwoordigheid te wonen, een plek in de hoogste graad van het celestiale koninkrijk te beërven. Deze gave is alleen mogelijk door de verzoening van Jezus Christus. Mormon zegt: ‘Waar zult gij op hopen? Zie, ik zeg u dat gij door de verzoening van Christus en de kracht van zijn opstanding zult hopen tot het eeuwige leven te worden opgewekt, en wel wegens uw geloof in Hem volgens de belofte’ (Moroni 7:41).

Voordat we deze gave krijgen, moeten we aan bepaalde voorwaarden voldoen. We moeten geloof in Jezus Christus oefenen, ons van onze zonden bekeren en tot het einde toe volharden. We moeten de heilsverordeningen ontvangen: de doop, de gave van de Heilige Geest, de ordening in het Melchizedeks priesterschap (voor mannen), en de begiftiging en huwelijksverzegeling in de tempel. Als we deze verordeningen ontvangen en de bijbehorende verbonden nakomen, komen we tot Christus en ontvangen we uiteindelijk de gave van het eeuwige leven. (Zie Geloofsartikelen 1:3.)

In zijn oneindige gerechtigheid en barmhartigheid schenkt de Heer het eeuwige leven ook aan ‘allen die gestorven zijn zonder kennis van dit evangelie, maar het aangenomen zouden hebben indien zij langer hadden mogen blijven’ en aan ‘alle kinderen die sterven eer ze de jaren van verantwoordelijkheid bereikt hebben’ (LV 137:7, 10).

De Heiland nodigt iedereen uit tot het eeuwige leven: ‘Hij nodigt alle mensen uit, want de armen der barmhartigheid zijn naar hen uitgestrekt, en Hij zegt: Bekeert u, en Ik zal u aannemen. Ja, Hij zegt: Komt tot Mij en gij zult nemen van de vrucht van de boom des levens; ja, gij zult om niet eten en drinken van het brood en de wateren des levens’ (Alma 5:33–34).

Vrede en genezing door de verzoening

De zegeningen van Christus’ verzoening strekken zich tot in de eeuwigheid uit, maar behoren ook tot dit leven. Wanneer u meer tot Christus komt, zult u de vreugde ervaren van rein voor de Heer te zijn. U kunt dan de woorden van Alma beamen die, na grote zonden en rebellie, het pijnlijke maar genezende bekeringsproces ervoer. Nadat hij vergiffenis had ontvangen, getuigde hij:

‘[Ik] kon […] mij mijn pijnen niet meer herinneren; ja, ik werd niet meer verscheurd door de gedachte aan mijn zonden.

‘En o, wat een vreugde, en wat een wonderbaar licht zag ik; ja, mijn ziel werd vervuld met een vreugde die even buitengewoon was als voordien mijn pijn.

‘(…) ik zeg u, mijn zoon, dat niets zo uitzonderlijk en zo bitter kon zijn als mijn pijnen. (…) Ja, (…) aan de andere zijde [kon] niets zo uitzonderlijk en zoet […] zijn als mijn vreugde’ (Alma 36:19–21).

Behalve verlossing van de pijn van zonde, biedt de Heiland vrede in tijden van beproeving aan. Als deel van zijn verzoening heeft Jezus de pijnen, ziekten en zwakheden van alle mensen op zich genomen. (Zie Alma 7:11–12.) Hij begrijpt uw lijden, omdat Hij dat heeft ervaren. Dankzij dat volmaakte begrip weet Hij hoe Hij u kan helpen. U kunt ‘al uw bekommernis op Hem [werpen], want Hij zorgt voor u’ (1 Petrus 5:7).

Door uw geloof en rechtschapenheid en door zijn zoenoffer kunnen alle onrecht, schade en pijn van dit leven volledig worden gecompenseerd en worden rechtgetrokken. Zegeningen die u in dit leven misloopt, krijgt u in de eeuwigheid. En hoewel Hij nu niet al uw lijden wegneemt, zal Hij u zegenen met troost en begrip en met de kracht om ‘[uw] lasten met gemak [te] dragen’ (Mosiah 24:15).

De Heiland heeft gezegd: ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matteüs 11:28). Bij een andere gelegenheid beloofde Hij nogmaals zijn vrede, toen Hij zei: ‘In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen’ (Johannes 16:33). Dat zijn de beloften van de verzoening, in dit leven en in de eeuwigheid.