Leringen van kerkpresidenten
‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’


Hoofdstuk 14

‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’

We moeten de Heer en zijn doeleinden op de eerste plaats zetten en geen afgoden aanbidden.

Uit het leven van Spencer W. Kimball

President Spencer W. Kimball spoorde de heiligen der laatste dagen aan om de Heer op de eerste plaats te zetten en hun hart niet naar wereldse zaken uit te laten gaan. Hij leerde ze dat dingen zoals materiële bezittingen, zaken, ontspanning en prestige vóór de Heer laten gaan hetzelfde is als afgoden aanbidden. Hij beklemtoonde dat afgoden ‘alles omvatten wat iemand afhoudt van zijn plicht, trouw, liefde en dienstbaarheid jegens God’.1

Volledige toewijding aan de Heer was het fundament van het leven van president Kimball en dat van zijn ouders. Tegen het jaar 1900, toen Spencer nog klein was, werd zijn vader, Andrew, geroepen als president van de ring in het zuidoosten van Arizona. Het relatieve gemak van Salt Lake City verlaten en gaan wonen in een woestijngebied aan de grens van de beschaving zou niet makkelijk zijn voor de familie Kimball, maar voor Andrew Kimball ‘was er maar één antwoord mogelijk en dat was om te gaan.’2

Enkele jaren later gaf Spencer W. Kimball blijk van soortgelijke toewijding aan de Heer toen hij geroepen werd als tweede raadgever in een ringpresidium. Zijn vrouw, Camilla, en hij ‘hadden de mogelijkheid besproken dat hij verder zou studeren om accountant of leraar te worden’, maar het aanvaarden van deze kerkfunctie betekende dat hij deze plannen opzijzette.3

Toen president Kimball tot apostel geordend werd, onderstreepte president Heber J. Grant in zijn raad aan hem nog eens dit beginsel van de Heer en zijn koninkrijk voorop zetten: ‘Richt uw hart op de dienst aan de Heer, uw God. Neem u vanaf dit moment vast voor om deze zaak en dit werk absolute voorrang te geven in al uw gedachten.’4

Leringen van Spencer W. Kimball

Als we ons hart en ons vertrouwen aan iets anders dan de Heer geven, dan aanbidden we onze eigen afgoden

Bestudeer ik de Schriften uit de oudheid, dan raak ik er steeds meer van overtuigd dat het van groot belang is dat het gebod ‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’ het eerste van de tien geboden is.

Slechts weinig mensen hebben ooit bewust gekozen om God en zijn zegeningen te verwerpen. Maar we vernemen uit de Schriften dat de vleselijke mens altijd de neiging heeft gehad om zijn vertrouwen liever in materiële zaken te stellen dan in God omdat het oefenen van geloof altijd moeilijker heeft geleken dan vertrouwen op grijpbaarder zaken. Daarom hebben de mensen in alle tijdperken waarin zij in Satans macht zijn gekomen en het geloof zijn kwijtgeraakt in plaats daarvan vertrouwd op de ‘arm des vlezes’ en op ‘goden […] van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien of horen of kennis hebben’ (Daniël 5:23) — op afgoden. Ik merk dat dit een veel voorkomend thema is in het Oude Testament. Waar een mens zijn hart en vertrouwen op richt, is zijn god; en als zijn god niet de ware en levende God van Israël is, dan doet de mens aan afgoderij.

Ik ben er vast van overtuigd dat wij, als wij deze schriftteksten lezen en proberen ze op onszelf toe te passen (zie 1 Nephi 19:24), zoals Nephi heeft voorgesteld, veel overeenkomsten zullen zien tussen de aanbidding van gesneden beelden in tijden vanouds en patronen in ons eigen gedrag.5

Afgoderij is een van de ernstigste zonden. (…)

Hedendaagse afgoden kunnen de vorm aannemen van kleren, huizen, bedrijven, apparaten, auto’s, boten en veel andere afleidingen van de weg naar het godschap. (…)

Ontastbare zaken kunnen ook tot afgod worden verheven. Universitaire graden, letters voor je naam en titels kunnen ook afgoden worden. (…)

Veel mensen kopen een huis, richten het in en kopen een auto. Dan komen ze erachter dat ze ‘zich niet kunnen veroorloven’ tiende te betalen. Wie aanbidden zij dan? In elk geval niet de Heer van hemel en aarde. (…)

Velen verafgoden de jacht, vistochtjes, vakanties, weekendpicknicks en uitjes. Anderen hebben een sport als afgod: honkbal, voetbal, stierenvechten of golf. (…)

Nog een andere afgod die de mensen aanbidden, is die van macht en aanzien. (…) Deze afgoden van macht, rijkdom en invloed zijn bijzonder veeleisend en zijn net zo echt als het gouden kalf voor de Israëlieten in de wildernis.6

Gehecht raken aan wereldse zaken, kan ons vatbaar maken voor de invloed van Satan

Ook al denken we graag dat we modern zijn, en hebben wij de neiging te denken dat we verfijnder zijn dan alle mensen in het verleden, over het algemeen gesproken zijn wij afgodische mensen — en dat vindt de Heer uiterst weerzinwekkend.7

Dat herinnert me aan een artikel dat ik enkele jaren geleden las over een groep mensen die naar het oerwoud waren gegaan om apen te vangen. Ze probeerden verschillende manieren om de apen te vangen, waaronder netten. Maar toen ze zagen dat ze de kleine wezentjes met hun netten konden verwonden, hadden ze een ingenieuze oplossing. Ze bouwden een aantal kistjes en in de bovenkant maakten ze gaten die net groot genoeg waren voor een aap om zijn hand doorheen te steken. Ze zetten de kistjes onder de bomen en in elk deden ze een noot die de apen graag aten.

Toen de mannen weggingen, kwamen de apen uit de bomen en onderzochten de kistjes. Toen ze zagen dat er noten in zaten, deden ze hun hand erin om die te pakken. Maar als een aap probeerde zijn hand met een noot erin terug te trekken, kon hij zijn hand niet uit het kistje krijgen omdat zijn vuistje met de noot erin te groot was geworden.

Op dat moment kwamen de mannen uit het struikgewas en pakten de apen. En nu komt het vreemde: als de apen de mannen zagen aankomen, gilden ze het uit en probeerden ze weg te komen. Maar hoewel het heel makkelijk zou zijn geweest om de noot los te laten zodat ze hun hand uit het kistje konden trekken en vluchten, deden ze dat niet. Ze waren makkelijk te vangen.

En zo lijkt het mensen vaak te vergaan. Ze houden zo stevig vast aan wereldse zaken — aan het telestiale — dat geen enkele aansporing of dringende noodzaak hen kan overhalen om ze los te laten ten gunste van het celestiale. Satan krijgt ze makkelijk te pakken. Als wij erop staan om al onze tijd en middelen te besteden aan het opbouwen van een aards koninkrijk, dan is dat precies wat wij beërven.8

In plaats van ons hart op wereldse zaken te richten, zouden we onze middelen moeten aanwenden voor de opbouw van Gods koninkrijk

Het is niet noodzakelijkerwijs een zonde om rijkdommen te bezitten. Maar het verkrijgen en gebruiken van rijkdom kan wel met zonde gepaard gaan. (…)

De geschiedenis in het Boek van Mormon toont duidelijk aan hoe vernietigend het effect van de zucht naar rijkdom is. Telkens als de mensen rechtschapen werden, kregen zij welvaart. Dan volgde de overgang van welvaart naar rijkdom, van rijkdom naar de zucht naar rijkdom, gemak en luxe. Vervolgens waren zij geestelijk niet meer actief en vervielen tot zonde en goddeloosheid, waarop zij bijna door hun vijanden werden vernietigd. (…) Als zij hun rijkdom voor goede doelen hadden gebruikt, hadden ze blijvend welvarend kunnen zijn.9

De Heer heeft ons gezegend met een tot nog toe ongeëvenaarde welvaart. De middelen die ons ter beschikking zijn gesteld zijn goed. En ze zijn nodig voor ons werk hier op aarde. Maar ik ben bang dat velen van ons een overdaad aan kudden, grond, schuren en weelde hebben gekregen en hen als afgoden zijn gaan aanbidden. Die dingen hebben macht over ons. (…) Helemaal vergeten is het feit dat het onze taak is om deze vele hulpmiddelen in ons gezin en ons quorum te gebruiken voor de opbouw van Gods koninkrijk om het zendingswerk, familiehistorisch en tempelwerk te bevorderen, onze kinderen op te voeden tot vruchtbare dienstknechten van de Heer en anderen op alle denkbare manieren tot zegen te zijn opdat ook zij vruchtbaar mogen zijn. In plaats daarvan besteden we die zegeningen aan het bevredigen van onze eigen verlangens. Let op de woorden van Moroni: ‘Waarom tooit gij u met hetgeen geen leven heeft, en laat gij de hongerigen en de behoeftigen en de naakten en de zieken en de ellendigen aan u voorbijgaan en merkt gij hen niet op?’ (Mormon 8:39.)

Zoals de Heer in onze tijd zelf heeft gezegd: ‘(…) zij zoeken niet de Heer om zijn gerechtigheid te vestigen, maar ieder mens wandelt op zijn eigen weg, en naar het beeld van zijn eigen god, wiens beeld naar de gelijkenis der wereld is en wiens wezen dat van een afgod is, die oud wordt en in Babylon zal vergaan, ja, het grote Babylon, dat zal vallen’ (LV 1:16; cursivering toegevoegd).10

De Heer heeft gezegd: ‘(…) zoekt eerst zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden’ (Matteüs 6:33). Echter, we willen maar al te vaak éérst ‘dit alles’.11

Misschien ligt de zonde niet in ‘alles’ maar in onze houding ten opzichte van ‘alles’ en onze aanbidding ervan. Als een hebzuchtige persoon rijkdom niet op een positieve manier kan vergaren en bezitten terwijl hij toch trouw blijft aan God en zijn doeleinden; als een rijk man de sabbat niet kan heiligen en zijn lichaam en geest onbevlekt houden en gul zijn medemens dienen op de door God aangewezen manier; als de welvarende man alles onder controle heeft en al zijn bezittingen als een rentmeester kan beheren, onderworpen aan de beroepen die de Heer via zijn gezaghebbende dienstknechten op hem doet; dan zou die man voor het welzijn van zijn ziel beslist deze opdracht moeten uitvoeren: ‘ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen’ (Matteüs 19:21).

‘Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Zie Matteüs 6:21).12

De zegeningen van de Heer zijn veel meer waard dan de beloningen die de wereld biedt

Een kennis werd eens geroepen voor een functie in de kerk, maar hij vond dat hij die niet kon aanvaarden omdat zijn investeringen meer tijd en aandacht nodig hadden dan hij zou kunnen geven als hij ook het werk van de Heer deed. Hij verliet de dienst van de Heer om de Mammon te zoeken en hij is nu miljonair.

Maar ik vernam onlangs een interessant feit: als iemand tegen de huidige prijzen een miljoen dollar aan goudwaarde bezit, dan bezit hij ongeveer 27 miljardste van al het goud dat in de dunne aardkorst aanwezig is. Dat is zo weinig dat de mens het zich niet kan indenken. Maar er is nog meer: de Heer die de hele aarde heeft geschapen en er macht over heeft, en nog vele andere werelden heeft geschapen, ja, ‘ontelbare werelden’ (Mozes 1:33); en toen deze man de eed en het verbond van het priesterschap ontving (LV 84:33–44), kreeg hij een belofte van de Heer aangaande ‘alles wat mijn Vader heeft’ (vs. 38). Al die grote beloften opzijzetten voor een kist met goud en een gevoel van vleselijke veiligheid is een gigantische vergissing. Het is droevig en meelijwekkend te bedenken dat hij met zo weinig genoegen heeft genomen: de ziel van de mens is veel meer waard.

Een jonge man die op zending werd geroepen antwoordde dat hij daar niet zo goed in was. Hij was er wél goed in om zijn krachtige nieuwe auto in topconditie te houden. Hij genoot van het gevoel van kracht en acceleratie. En als hij reed, gaf de voortdurende beweging hem de illusie dat hij echt wat bereikte.

Zijn vader had de zaak telkens afgedaan met de woorden: ‘Hij werkt graag met zijn handen. Dat is goed genoeg voor hem.’

Goed genoeg voor een zoon van God? De jonge man besefte niet dat de kracht van zijn auto oneindig klein was in vergelijking met de kracht van de zee of de zon. En er zijn veel zonnen die uiteindelijk alle bestuurd worden door de wet en het priesterschap — een priesterschapskracht die hij in de dienst van de Heer had kunnen ontwikkelen. Hij nam genoegen met een zielige god, een mengsel van staal, rubber en glimmend chroom.

Een ouder echtpaar ging met pensioen — niet alleen in werelds, maar ook in kerkelijk opzicht. Ze kochten een pick-up en een kampeerauto en onttrokken zich aan alle verplichtingen. Ze trokken erop uit om de wereld te zien en te genieten van wat zij de rest van hun leven hadden vergaard. Ze hadden geen tijd voor de tempel, waren te druk voor genealogisch onderzoek en zendingswerk. Hij verloor het contact met zijn hogepriestersquorum en was niet genoeg thuis om aan zijn eigen geschiedenis te werken. Hun ervaring en leiderschap waren hard nodig in hun gemeente, maar omdat ze niet in staat waren om ‘tot het einde toe te volharden’, waren ze niet beschikbaar.13

Wij zouden de Heer met heel ons hart moeten liefhebben en volgen

Het is voor ons niet genoeg om de Heer als de Allerhoogste te erkennen en geen afgoden te aanbidden. We moeten de Heer met heel ons hart, macht, verstand en sterkte liefhebben. We moeten Hem eren en Hem volgen in het werk van het eeuwige leven. Wat een vreugde vindt Hij in de rechtschapenheid van zijn kinderen!14

Het is onze taak om het wereldse te verzaken als doelstelling op zich, afgoderij te vermijden en voort te gaan in geloof, en het evangelie aan onze vijanden te brengen opdat zij onze vijanden niet meer zijn.

Wij moeten de aanbidding van hedendaagse afgoden vermijden en niet meer vertrouwen op de ‘arm des vlezes’ want de Heer heeft in onze tijd tegen de hele wereld gezegd: ‘Ik zal niemand sparen die in Babylon blijft’ (LV 64:24).

Toen Petrus op pinksterdag een dergelijke boodschap aan de mensen verkondigde, werden velen van hen ‘diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?’ (Handelingen 2:37).

En Petrus antwoordde: ‘Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en [ontvang] de gave des Heiligen Geestes’ (vs. 38).

(…) Onze boodschap is dezelfde als die van Petrus. En het is wat de Heer zelf ‘tot de einden der aarde’ heeft gegeven ‘opdat allen die willen horen, mogen horen:

‘Bereidt u voor, bereidt u voor op hetgeen zal komen, want de Heer is nabij’ (LV 1:11–12).

Wij geloven dat de manier voor iedere persoon en ieder gezin om zich volgens de aanwijzingen van de Heer voor te bereiden is groter geloof te oefenen en zich in te zetten voor het werk van zijn koninkrijk op aarde, namelijk De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Het mag aanvankelijk een beetje moeilijk lijken, maar als iemand de visie van het ware werk begint te krijgen, als hij iets van de eeuwigheid in het ware perspectief begint te zien, dan beginnen de zegeningen de prijs van het achterlaten van ‘de wereld’ al ver te boven te gaan.15

Ideeën voor studie en bespreking

Denk na over deze ideeën terwijl u het hoofdstuk bestudeert of u zich voorbereidt op uw onderwijs. Zie pp. V–IX voor meer informatie.

  • Waarom zou ‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’ het eerste van de tien geboden zijn?

  • Denk eens over deze uitspraak na: ‘Waar een mens zijn hart en vertrouwen op richt, is zijn god’ (p. 162). Noemt u eens een aantal afgoden in de huidige wereld. (Zie voorbeelden op pp. 162–163.)

  • Wat kunnen we uit het verhaal over de apenvallen leren? (Zie p. 164.) Wat riskeren we als we het wereldse te stevig vasthouden?

  • Lees de pagina’s 165–166. Wat zijn enkele gevaren van rijkdom? Op welke manieren kunnen we rechtschapen gebruik maken van de middelen die de Heer ons geeft?

  • Neem de verhalen op pagina 167–168 door. Waarom zouden sommige mensen bereid zijn om de zegeningen van dienstbaarheid in het koninkrijk van de Heer te verliezen? Wat moet de motivatie voor onze dienstbaarheid zijn?

  • Wat zou het betekenen om ‘de Heer met heel je hart, macht, verstand en sterkte lief te hebben’? (Zie p. 168.) Hoe kunnen ouders hun kinderen helpen om de Heer lief te hebben?

Relevante teksten: Exodus 20:3–6; Matteüs 6:24; 22:36–38; Kolossensen 3:1–5; 2 Nephi 9:30, 37; LV 133:14

Noten

  1. The Miracle of Forgiveness (1969), p. 40.

  2. Spencer W. Kimball, onder redactie van Edward L. Kimball en Andrew E. Kimball jr. (1977), p. 20.

  3. Zie Edward L. Kimball, ‘Spencer W. Kimball’, in The Presidents of the Church, onder redactie van Leonard J. Arrington (1986), p. 381.

  4. Spencer W. Kimball, p. 205.

  5. ‘The False Gods We Worship’, Ensign, juni 1976, p. 4.

  6. The Miracle of Forgiveness, pp. 40–42.

  7. Ensign, juni 1976, p. 6.

  8. Ensign, juni 1976, pp. 5-6.

  9. The Miracle of Forgiveness, p. 47.

  10. Ensign, juni 1976, pp. 4-5.

  11. Conference Report, april 1972, p. 28; of Ensign, juli 1972, p. 38.

  12. The Teachings of Spencer W. Kimball, red. Edward L. Kimball (1982), p. 358.

  13. Ensign, juni 1976, p. 5.

  14. The Teachings of Spencer W. Kimball, p. 243.

  15. Ensign, juni 1976, p. 6.