2005
Het licht in hun ogen
November 2005


Het licht in hun ogen

We krijgen een heilig licht in onze ogen en ons gelaat als we een persoonlijke band met onze dierbare hemelse Vader en zijn Zoon hebben.

Geliefde broeders, zusters en vrienden over de hele wereld. Nederig vraag ik vanochtend bij mijn toespraak om uw begrip en om de hulp van de Heilige Geest.

Ik ben getroffen door de korte profetische boodschap van president Hinckley aan het begin van deze conferentie. Ik getuig dat president Hinckley onze profeet is. Hij wordt rijkelijk gezegend met de leiding van het Hoofd van de kerk, onze Heer en Heiland Jezus Christus.

Ik dacht onlangs aan een historische vergadering die 17 jaar geleden in Jeruzalem is gehouden. Het ging over de pacht van het perceel waarop later het Jerusalem Center for Near Eastern Studies van de Brigham Young University werd gebouwd. Voordat de pachtakte kon worden ondertekend, moesten president Ezra Taft Benson en ouderling Jeffrey R. Holland, die toen president van de Brigham Young University was, namens de kerk en de universiteit aan de Israëlische regering beloven geen zendingswerk in Israël te verrichten. Misschien vraagt u zich af waarom we ermee instemden geen zendingswerk te doen. Dat was omdat we alleen een bouwvergunning kregen om dat schitterende gebouw in die historische stad Jeruzalem neer te zetten als we ons daartoe bereid verklaarden. Voor zover we weten, hebben de kerk en de BYU zich altijd strikt aan die belofte gehouden. Nadat de akte was ondertekend, vroeg een van onze vrienden inzichtelijk: ‘O, we weten dat u geen zendingswerk zult verrichten, maar wat gaat u aan het licht in hun ogen doen?’ Hij bedoelde onze studenten die in Israël studeerden.

Wat was dat licht in hun ogen dat onze vriend zo duidelijk kon zien? De Heer heeft zelf het antwoord gegeven: ‘En het licht dat schijnt, dat u licht geeft, is uit Hem die uw ogen verlicht, hetgeen hetzelfde licht is dat uw verstand verlevendigt.’1 Waar komt dat licht vandaan? Opnieuw heeft de Heer zelf het antwoord gegeven: ‘[Omdat] Ik het ware licht ben dat ieder mens verlicht die in de wereld komt.’2 De Heer is het ware licht, en ‘de Geest verlicht ieder mens ter wereld die luistert naar de stem van de Geest.’3 Het licht is op ons gelaat en in onze ogen te zien.

Paul Harvey, een beroemd nieuwslezer, bezocht enkele jaren geleden een van onze opleidingsinstituten. Later verklaarde hij: ‘Ieder (…) jonge gezicht straalde een soort (…) verheven vertrouwen uit. Tegenwoordig zien veel jonge ogen er vroegtijdig oud uit door de talloze compromissen met hun geweten. Maar [deze jonge mensen] hebben die benijdenswaardige voorsprong die voortkomt uit discipline, trouw en toewijding.’4

Wie zich oprecht bekeren, ontvangen de Geest van Christus en worden gedoopt ter vergeving van hun zonden. Door handoplegging en het priesterschap van God ontvangen zij de gave van de Heilige Geest.5 Het is ‘de gave Gods […] aan allen die Hem ijverig zoeken.’6 Volgens ouderling Parley P. Pratt is de gave van de Heilige Geest, ‘als het ware, (…) vreugde in het hart, [en] licht in de ogen.’7 De Heilige Geest is de Trooster die de Heiland beloofde voordat Hij werd gekruisigd.8 De Heilige Geest geeft getrouwe heiligen geestelijke leiding en bescherming. Hij vergroot onze kennis en ons begrip van ‘alles’.9 Dat is vooral belangrijk in een tijd dat de geestelijke blindheid toeneemt.

De secularisatie neemt in het grootste deel van de wereld toe. Die secularisatie wordt gedefinieerd als ‘het proces waardoor de voornaamste sectoren van het maatschappelijk leven onttrokken worden aan de kerk en het geloof.’10 Secularisatie aanvaardt weinig absolute waarheden. Haar voornaamste betrachtingen zijn eigenbelang en genot. Vaak hebben de aanhangers van secularisatie een andere blik in hun ogen. Jesaja noemde dat: ‘De aanblik van hun gelaat getuigt tegen hen.’11

Maar ondanks alle secularisatie in de wereld hongeren en dorsten veel mensen naar geestelijke zaken en naar het woord van de Heer. Amos heeft geprofeteerd: ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here Here, dat Ik een honger in het land zal zenden —geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des Heren te horen.

‘Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des Heren; maar vinden zullen zij het niet.’12

Waar kunnen wij de woorden van de Heer horen? We kunnen naar onze profeet, president Gordon B. Hinckley, luisteren, en naar de leden van het Eerste Presidium, het Quorum der Twaalf Apostelen en de andere algemene autoriteiten. We kunnen ze ook van onze ringpresident en bisschop horen. Zendelingen kunnen ze van hun zendingspresident horen. We kunnen ze in de Schriften vinden. En we kunnen de stille, zachte stem van de Heilige Geest horen. Als wij de woorden van de Heer horen, worden wij uit de duisternis geroepen ‘tot zijn wonderbaar licht.’13

Wat doen we eraan om het licht in onze ogen en in ons gelaat te laten schijnen? Veel van dat licht is afkomstig van onze ‘discipline, trouw en toewijding’14 aan enkele absolute waarheden. De belangrijkste waarheid is dat er een God is, die de Vader van onze ziel is, en aan wie we verantwoording moeten afleggen voor ons gedrag. De tweede waarheid is dat Jezus de Christus is, onze Heiland en Verlosser. De derde waarheid is dat het grote plan van geluk gehoorzaamheid aan Gods geboden vereist. En de vierde waarheid luidt dat het eeuwige leven de grootste gave van God is.15

Er zijn ook andere zegeningen die aan het licht in onze ogen bijdragen. Dat zijn de gaven van de Geest die van de Heiland afkomstig zijn.16 Vreugde, geluk, voldoening en gemoedsrust zijn de gaven van de Geest die voortkomen uit de kracht van de Heilige Geest.

Wat geluk hier en in de eeuwigheid betreft, zijn veel van onze leringen opzienbarend. Ze zijn enorm, en sommige ervan zijn uniek voor ons geloof. Deze waardevolle leringen zijn gebaseerd op onze getrouwheid, en omvatten het volgende — niet in volgorde van belangrijkheid:

  1. God en zijn Zoon zijn verheerlijkte personen. God de Vader is onze levende Schepper, en zijn Zoon, Jezus Christus, is onze Heiland en Verlosser. We zijn naar Gods beeld geschapen.17 Dat weten we omdat Joseph Smith Hen heeft gezien en met Hen heeft gesproken.18

  2. De tempelzegeningen verzegelen man en vrouw, en die zijn niet alleen in dit leven geldig, maar ook in de eeuwigheid. Kinderen en nakomelingen kunnen door die verzegeling aan elkaar verbonden worden.

  3. Ieder mannelijk lid van de kerk die dat waardig is, kan het priesterschap van God ontvangen en gebruiken. Hij kan zijn goddelijke gezag thuis gebruiken en onder toezicht van een gezagsdrager in de kerk.

  4. Aanvullende heilige Schriftuur omvatten het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden en de Parel van grote waarde.

  5. Hedendaagse apostelen en profeten spreken het woord van God, onder leiding van president Gordon B. Hinckley, die de profeet, ziener en openbaarder, en de bron van voortdurende openbaring is.

  6. De gave van de Heilige Geest is voor alle leden bestemd. Toen aan de profeet Joseph Smith werd gevraagd: ‘Waarin verschilt [uw kerk] van de andere kerken in onze tijd?’, antwoordde hij: ‘In de gave van de Heilige Geest door handoplegging; [en] alle andere overwegingen zijn vervat in die gave van de Heilige Geest.’19

  7. De verheffende invloed van de vrouw. In de ogen van de Heer is de vrouw volledig gelijkwaardig aan de man. Van nature verschilt de rol van de vrouw van die van de man. Die kennis hebben we door de herstelling van het evangelie in de volheid der tijden ontvangen, met daarnaast de erkenning dat vrouwen zijn begiftigd met de grote verantwoordelijkheid van het moederschap en de verzorging. Sinds 1842 heeft de vrouw meer mogelijkheden gekregen, toen de profeet Joseph Smith namens God voor hen de sleutel omdraaide van een deur die vanaf het begin van de mensheid gesloten was.20

Enkele jaren geleden kreeg Constance, een verpleegkundige in opleiding, de opdracht om een vrouw te helpen die tijdens een ongeluk aan haar been gewond was geraakt. De vrouw weigerde medische hulp omdat ze ooit een nare ervaring met iemand in het ziekenhuis had gehad. Ze was bang en zonderde zich helemaal af. De eerste keer dat Constance bij haar langsging, stuurde de vrouw haar weg. Bij haar tweede poging mocht Constance binnenkomen. Ondertussen was het been van de vrouw met grote zweren bedekt en op sommige plekken begon het vlees al te rotten. Maar ze wilde nog steeds niet behandeld worden.

Constance maakte er een gebedszaak van, en na een dag of twee kreeg ze een antwoord. Voor haar volgende bezoek nam ze wat waterstofperoxide mee. Omdat het geen pijn zou doen, mocht ze het op het been van de vrouw gebruiken. Vervolgens spraken ze over een daadwerkelijke behandeling in het ziekenhuis. Constance verzekerde haar ervan dat het ziekenhuis haar verblijf zo aangenaam mogelijk zou maken. Na een dag of twee had de vrouw de moed verzameld om naar het ziekenhuis te gaan. Toen Constance haar bezocht, glimlachte de vrouw en zei: ‘U hebt me overtuigd.’ Vervolgens vroeg ze onverwachts aan Constance: ‘Van welke kerk bent u lid?’ Constance vertelde haar dat ze lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen was. De vrouw zei: ‘Dat dacht ik al. Ik wist vanaf het eerste moment dat ik u zag dat u naar mij toe was gestuurd. Er was een licht in uw gezicht dat ik bij andere mensen van uw kerk had gezien. Ik moest u gewoon vertrouwen.’

Na drie maanden was het zwerende been helemaal genezen. Leden van de wijk waar de oude vrouw woonde, knapten haar huis en haar tuin op. De zendelingen bezochten haar, en vlak daarna liet ze zich dopen.21 En dat alles omdat ze het licht in het gelaat van die jonge verpleegkundige in opleiding had gezien.

Toen president Brigham Young een keer werd gevraagd waarom we soms alleen en vaak verdrietig worden achtergelaten, zei hij dat een mens moet leren om ‘als een onafhankelijk wezen te handelen (…) om te zien wat hij zal doen (…) en om zijn onafhankelijkheid te beproeven — om in het duister rechtschapen te blijven.’22 Dat wordt gemakkelijker als we het evangelie zien ‘gloeien (…) en zien afstralen van (…) verlichte personen.’23

Dienstbetoon in deze kerk is een zegen en een voorrecht waardoor het licht in onze ogen en op ons gelaat gaat schijnen. De Heiland heeft gezegd: ‘Laat dan uw licht voor dit volk zo schijnen dat zij uw goede werken kunnen zien en uw Vader die in de hemel is, verheerlijken.’24 De zegeningen die we door dienstbetoon in de kerk ontvangen, zijn niet onder woorden te brengen. De Heer belooft dat als we onze roeping grootmaken, we geluk en vreugde zullen vinden.

Alma vraagt of we zijn [Gods] beeld in ons gelaat hebben ontvangen.25 We krijgen een heilig licht in onze ogen en ons gelaat als we een persoonlijke band met onze dierbare hemelse Vader en zijn Zoon, onze Heiland en Verlosser, hebben. Met deze band zal ons gezicht het ‘verheven vertrouwen’26 weerspiegelen dat Hij leeft.

Ik geef u mijn getuigenis van de goddelijke aard van dit heilige werk dat wij verrichten. We krijgen een getuigenis door openbaring.27 Als jonge jongen kreeg ik mijn getuigenis door openbaring. Ik kan me geen specifieke gebeurtenis herinneren waardoor ik die openbaring kreeg. Het lijkt wel of het altijd een onderdeel van mijn bewustzijn is geweest. Ik ben dankbaar voor deze bevestigende kennis waardoor het mogelijk is om met de onbestendigheden van het leven om te gaan, waar we allemaal mee geconfronteerd worden.

We worden tijdens deze conferentie getroffen door de getuigenissen en boodschappen van onze broeders en zusters. Ik ben van mening dat u eigenlijk een dergelijke bevestiging kunt krijgen. Het kan heel goed zijn dat u een bevestiging krijgt dat wat u hoort de waarheid is. Brigham Young heeft gezegd: ‘Niet alleen de heiligen die aanwezig zijn (…) maar ook de heiligen uit alle landen, werelddelen of eilanden die het evangelie naleven dat door onze Heiland, zijn apostelen, en ook door Joseph Smith werd verkondigd; (…) geven hetzelfde getuigenis. Hun ogen zijn door de Geest en door God verlevendigd, en zij zien hetzelfde, hun hart is verlevendigd, en zij voelen en begrijpen hetzelfde.’28

Ik weet met heel mijn hart en ziel dat God leeft. Ik geloof dat Hij een ieder van ons met zijn liefde zal verlichten, als wij ernaar streven om die liefde waardig te zijn. In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.

Noten

  1. Alma 88:11; cursivering toegevoegd.

  2. LV 93:2.

  3. LV 84:46.

  4. Nieuwsuitzending, 8 december 1967, typoscript, p. 1.

  5. Zie LV 20:37.

  6. 1 Nephi 10:17.

  7. Key to the Science of Theology: A Voice of Warning (1978), p, 61.

  8. Zie Johannes 14:26.

  9. Johannes 14:26.

  10. Van Dale — Groot woordenboek der Nederlandse taal, dertiende herziene uitgave, ‘secularisatie’, p. 3025.

  11. 2 Nephi 13:9.

  12. Amos 8:11–12.

  13. 1 Petrus 2:9.

  14. Paul Harvey, nieuwsuitzending, 8 december 1967.

  15. Zie LV 14:7.

  16. Zie LV 46:11.

  17. Zie Genesis 1:26–27.

  18. Zie Geschiedenis van Joseph Smith 1:17–18.

  19. History of the Church, deel 4, p. 42.

  20. See George Albert Smith, ‘Address to Members of the Relief Society’, Relief Society Magazine, december 1945, p. 717; zie ook ZHV-notulen, 28 april 1842, Archieven van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, p. 40.

  21. Zie Constance Polve, ‘Een strijd die gewonnen werd’, De Ster, maart 1981, pp. 21–24.

  22. Brigham Young’s Office Journal, 28 januari 1857, Archieven van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

  23. Neal A. Maxwell, ‘Weest goedsmoeds’, De Ster, april 1983, p. 137.

  24. 3 Nephi 12.16.

  25. Zie Alma 5:14.

  26. Paul Harvey, nieuwsuitzending, 8 december 1967.

  27. Zie Discourses of Brigham Young, samengesteld door John A. Widtsoe (1998), p. 35.

  28. Discourses of Brigham Young, p. 31.