Studiewijzers
BJS, Genesis 14


BJS, Genesis 14:25–40. Vergelijk Genesis 14:18–20

Melchizedek zegent Abram. Melchizedeks grootse bediening en de machten en zegeningen van het Melchizedeks priesterschap worden beschreven.

25 En Melchizedek verhief zijn stem en zegende Abram.

26 Melchizedek nu was een gelovig man die gerechtigheid tot stand bracht; en als kind vreesde hij God en stopte de muil van leeuwen en doofde de kracht van het vuur.

27 En aldus, na door God te zijn goedgekeurd, werd hij geordend als hogepriester naar de orde van het verbond dat God met Henoch had gesloten,

28 hetgeen naar de orde van de Zoon van God was; welke orde niet kwam door de mens, noch door de wil van de mens; noch door vader of moeder; noch door begin van dagen of einde van jaren; maar door God;

29 en zij werd aan de mens verleend door de roep van zijn eigen stem, volgens zijn eigen wil, aan allen die in zijn naam geloofden.

30 Want God had Henoch en zijn nageslacht met een eed bij Zichzelf gezworen dat eenieder die geordend werd naar deze orde en roeping macht zou hebben, door geloof, om bergen in stukken te breken, om de zeeën te scheiden, om wateren op te drogen, om ze uit hun loop te keren;

31 om de legers van de natiën te trotseren, om de aarde te verdelen, om elke band te verbreken, om in de tegenwoordigheid van God te staan; om alle dingen te doen naar zijn wil, naar zijn gebod, vorstendommen en machten te onderwerpen; en dit door de wil van de Zoon van God die was van voor de grondlegging van de wereld.

32 En mannen met dit geloof die deze orde van God hadden verworven, werden veranderd en ten hemel opgenomen.

33 En nu, Melchizedek was priester naar deze orde; daarom verwierf hij vrede in Salem en werd de vredevorst genoemd.

34 En zijn volk bracht gerechtigheid teweeg en verwierf de hemel, en zocht naar de stad van Henoch die God eerder had opgenomen, haar afscheidend van de aarde, omdat zij werd bewaard voor de laatste dagen of het einde van de wereld.

35 En Hij heeft gezegd en met een eed gezworen dat de hemelen en de aarde tezamen zouden komen; en de zonen van God beproefd zouden worden als door vuur.

36 En deze Melchizedek, die aldus gerechtigheid tot stand had gebracht, werd door zijn volk de koning van de hemel genoemd, of met andere woorden, de koning van de vrede.

37 En hij verhief zijn stem en hij zegende Abram, daar hij de hogepriester was en de bewaarder van het voorraadhuis van God.

38 Hij die God had gesteld om tienden te ontvangen voor de armen.

39 Daarom betaalde Abram hem tiende van alles wat hij had, van alle rijkdom die hij bezat, die God hem gegeven had boven hetgeen hij nodig had.

40 En het geschiedde dat God Abram zegende en hem rijkdom en eer en land gaf als eeuwigdurend bezit; naar het verbond dat hij had gesloten en naar de zegen waarmee Melchizedek hem gezegend had.