Schriften
Moroni 2


Hoofdstuk 2

Jezus geeft de twaalf Nephitische discipelen de macht om de gave van de Heilige Geest te verlenen. Ongeveer 401–421 n.C.

De woorden van Christus, die Hij sprak tot zijn discipelen, de twaalf die Hij gekozen had, toen Hij hun de handen oplegde –

en Hij noemde hen bij de naam en zei: U zult de Vader aanroepen in mijn naam, in krachtig gebed; en wanneer u dat hebt gedaan, zult u de macht hebben om hem die u de handen oplegt, de Heilige Geest te geven; en u zult die in mijn naam geven, want aldus doen mijn apostelen.

Nu sprak Christus die woorden tot hen bij zijn eerste verschijning; en de menigte hoorde het niet, maar de discipelen hoorden het wel; en de Heilige Geest viel op zovelen als zij de handen oplegden.