Schriften
Ether 1


Het boek Ether

De kroniek van de Jaredieten, ontleend aan de vierentwintig platen die gevonden zijn door het volk van Limhi in de dagen van koning Mosiah.

Hoofdstuk 1

Moroni vat de geschriften van Ether samen — Ethers afstamming wordt vermeld — De taal van de Jaredieten wordt bij de toren van Babel niet verward — De Heer belooft hen naar een verkieslijk land te voeren en hen tot een groot volk te maken.

1 En nu ga ik, Moroni, ertoe over een verslag te geven van die oude inwoners die door de hand van de Heer werden vernietigd op het oppervlak van dit noordelijke land.

2 En ik ontleen mijn verslag aan de vierentwintig platen die gevonden waren door het volk van Limhi, dat het boek Ether wordt genoemd.

3 En daar ik veronderstel dat het eerste gedeelte van die kroniek — dat handelt over de schepping van de wereld, en ook van Adam, en een verslag bevat vanaf die tijd tot aan de grote toren, en alle dingen die tot aan die tijd onder de mensenkinderen hebben plaatsgevonden — zich onder de Joden bevindt —

4 daarom schrijf ik niet die dingen op die gebeurd zijn vanaf de dagen van Adam tot aan die tijd; evenwel staan ze op de platen; en wie ze vindt, zal de macht hebben om het volledige verslag te verkrijgen.

5 Doch zie, ik geef niet het volledige verslag, maar ik geef een gedeelte van het verslag, vanaf de toren totdat zij vernietigd werden.

6 En ik geef het verslag op deze wijze. Hij die deze kroniek heeft geschreven, was Ether, en hij was een afstammeling van Coriantor.

7 Coriantor was de zoon van Moron.

8 En Moron was de zoon van Ethem.

9 En Ethem was de zoon van Ahah.

10 En Ahah was de zoon van Seth.

11 En Seth was de zoon van Shiblon.

12 En Shiblon was de zoon van Com.

13 En Com was de zoon van Coriantum.

14 En Coriantum was de zoon van Amnigaddah.

15 En Amnigaddah was de zoon van Aäron.

16 En Aäron was een afstammeling van Heth, die de zoon was van Hearthom.

17 En Hearthom was de zoon van Lib.

18 En Lib was de zoon van Kish.

19 En Kish was de zoon van Corom.

20 En Corom was de zoon van Levi.

21 En Levi was de zoon van Kim.

22 En Kim was de zoon van Morianton.

23 En Morianton was een afstammeling van Riplakish.

24 En Riplakish was de zoon van Shez.

25 En Shez was de zoon van Heth.

26 En Heth was de zoon van Com.

27 En Com was de zoon van Coriantumr.

28 En Coriantumr was de zoon van Emer.

29 En Emer was de zoon van Omer.

30 En Omer was de zoon van Shule.

31 En Shule was de zoon van Kib.

32 En Kib was de zoon van Orihah, die de zoon was van Jared;

33 welke Jared, met zijn broer en hun gezinnen, met enkele anderen en hun gezinnen, van de grote toren kwam ten tijde dat de Heer de taal van het volk verwarde en in zijn verbolgenheid zwoer dat zij over het gehele aardoppervlak zouden worden verstrooid; en volgens het woord van de Heer werd het volk verstrooid.

34 En omdat de broer van Jared een groot en machtig man was, en een man die door de Heer hoogst begunstigd was, zei zijn broer Jared tot hem: Roep de Heer aan, opdat Hij ons niet zal verwarren en wij elkaars woorden niet zullen verstaan.

35 En het geschiedde dat de broer van Jared de Heer aanriep, en de Heer had medelijden met Jared; daarom verwarde Hij de taal van Jared niet; en Jared en zijn broer werden niet verward.

36 Toen zei Jared tot zijn broer: Roep de Heer opnieuw aan, en misschien zal Hij zijn toorn afwenden van hen die onze vrienden zijn, zodat Hij hun taal niet zal verwarren.

37 En het geschiedde dat de broer van Jared de Heer aanriep, en de Heer had ook medelijden met hun vrienden en met hun gezinnen, zodat zij niet werden verward.

38 En het geschiedde dat Jared wederom tot zijn broer sprak en zei: Ga navraag doen bij de Heer of Hij ons uit het land zal verdrijven, en indien Hij ons uit het land zal verdrijven, vraag Hem dan waarheen wij zullen gaan. En wie weet of de Heer ons dan niet in een land zal brengen dat verkieslijk is boven het gehele aardrijk? En indien dat zo is, laten wij de Heer dan getrouw zijn, zodat wij het als ons erfdeel kunnen ontvangen.

39 En het geschiedde dat de broer van Jared de Heer aanriep volgens hetgeen door de mond van Jared was gesproken.

40 En het geschiedde dat de Heer de broer van Jared hoorde en medelijden met hem had en tot hem zei:

41 Welaan nu, breng uw kudden van iedere soort bijeen, zowel mannetjes als wijfjes, en ook het zaad van de aarde van iedere soort; en uw gezinnen; en ook Jared, uw broer, en zijn gezin; en ook uw vrienden en hun gezinnen, en de vrienden van Jared en hun gezinnen.

42 En wanneer u dat hebt gedaan, zult u aan het hoofd van hen afdalen naar het dal dat in het noorden ligt. En daar zal Ik u ontmoeten, en Ik zal voor u uitgaan naar een land dat verkieslijk is boven alle landen van de aarde.

43 En daar zal Ik u en uw nageslacht zegenen, en uit uw nageslacht en uit het nageslacht van uw broer, en uit hen die met u zullen meegaan, zal Ik voor Mij een grote natie doen opstaan. En er zal op het gehele aardoppervlak niet een groter zijn dan de natie die Ik voor Mij zal doen opstaan uit uw nageslacht. En aldus zal Ik met u handelen, omdat u Mij deze lange tijd hebt aangeroepen.