Handboeken en roepingen
38. Kerkbeleid en -richtlijnen
Voetnoten

Hide Footnotes

Thema

‘38. Kerkbeleid en -richtlijnen’, Algemeen handboek: dienen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (2020).

‘38. Kerkbeleid en -richtlijnen’, Algemeen Handboek.

38.

Kerkbeleid en -richtlijnen

38.1

Deelname in de kerk

Onze Vader in de hemel houdt van al zijn kinderen. ‘Allen zijn voor God gelijk’ en Hij nodigt allen uit ‘om tot Hem te komen en deel te hebben aan zijn goedheid’ (2 Nephi 26:33).

Leidinggevenden en leden van de kerk krijgen vaak de vraag wie bijeenkomsten van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen mogen bijwonen, wie kerklid mogen worden en wie de tempel mogen bezoeken.

38.1.2

Kerklid worden

Lidmaatschap in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is weggelegd voor mensen die ‘naar voren treden met een gebroken hart en een verslagen geest’, ‘gewillig zijn de naam van Jezus Christus op zich te nemen’, en verlangen om heilige doopverbonden te sluiten en na te komen (Leer en verbonden 20:37).

Een minderjarig kind van 8 jaar of ouder mag zich met toestemming van zijn of haar ouder(s) of voogd(en) laten dopen. De ouder(s) of voogd(en) dient/dienen de aan hun kind onderwezen kerkleer te begrijpen en het kind te steunen bij het sluiten en nakomen van het doopverbond.

38.1.3

Tempelbezoek

Tempels zijn heiligdommen waarin men essentiële verordeningen ontvangt en heilige verbonden sluit. De tempel is voor kerkleden een huis van God. Gezien dit heilige karakter en de te sluiten verbonden mogen alleen kerkleden met een geldige tempelaanbeveling de tempel betreden. Leden komen voor een tempelaanbeveling in aanmerking als ze de vereiste geboden trouw onderhouden en het evangelie van Jezus Christus naleven.

38.1.4

Deelname en zegeningen van ongehuwde leden

Alle leden, ook als zij nooit zijn getrouwd of geen familie in de kerk hebben, behoren het ideaal van een eeuwig gezin voor ogen te houden. Ze bereiden zich voor om waardig een tempelverzegeling aan te gaan en een liefhebbende vader of moeder te zijn. Voor sommigen gaan deze zegeningen pas in het leven hierna in vervulling, maar het uiteindelijke doel is voor iedereen gelijk.

Trouwe leden die door omstandigheden in dit leven niet de zegeningen van een eeuwig huwelijk en het ouderschap genieten, zullen alle beloofde zegeningen in de eeuwigheid ontvangen als ze de verbonden nakomen die ze met God hebben gesloten (zie Mosiah 2:41).

38.2

Richtlijnen voor verordeningen en zegens

De richtlijnen voor het verrichten van verordeningen en zegens staan in de volgende publicaties:

  • Hoofdstuk 18 van dit handboek

  • Leidraad voor het gezin, p. 18–25

  • Priesterschapsplichten en zegeningen, deel B, p. 42–47

De richtlijnen die verband houden met de tempelverordeningen worden behandeld in hoofdstuk 27 en 28 van dit handboek.

38.2.1

Algemene richtlijnen

38.2.1.1

Deelname aan verordeningen of zegens

In hoofdstuk 18 staat wie een bepaalde verordening mag verrichten, een zegen mag geven of eraan mag deelnemen.

38.2.1.2

Verordeningen en zegens vertalen en vertolken

Zo nodig kan een presiderend functionaris een priesterschapsdrager vragen om een verordening of zegen te vertalen of te vertolken in een taal die de betrokkene verstaat. Als er geen priesterschapsdrager beschikbaar is, kan een presiderend functionaris een bekwame man of vrouw vragen om als vertaler te fungeren.

Een presiderend functionaris kan ook een priesterschapsdrager als gebarentolk vragen om een verordening of zegen aan de betrokkene over te brengen als die doof of slechthorend is. Als er geen priesterschapsdrager beschikbaar is, mag een presiderend functionaris een bekwame man of vrouw vragen om als doventolk te fungeren.

Zie 38.2.12.4 en 38.2.12.5 voor informatie over vertaling en vertolking van patriarchale zegens in gebarentaal.

38.2.1.3

Verordeningen registreren

Wanneer iemand een heilsverordening of een priesterschapsordening ontvangt, zorgt een administrateur van de wijk waar de lidmaatschapskaart van het lid zich bevindt voor het volgende:

  • Hij krijgt de gegevens van de verordening of ordening.

  • Hij registreert deze gegevens op de lidmaatschapskaart en neemt ze over op het certificaat van het lid.

De volledige datums waarop de volgende verordeningen zijn verricht, worden op de lidmaatschapskaart geregistreerd: doop, bevestiging, ordeningen in het priesterschap, begiftiging, verzegeling aan ouders, en verzegeling aan partner. Bij ordeningen in het Melchizedeks priesterschap wordt ook de naam van de persoon die de ordening verricht heeft, geregistreerd.

38.2.1.4

Verordening of zegen in een andere wijk

In hoofdstuk 18 staan instructies voor priesterschapsdragers die een verordening buiten hun eigen wijk verrichten.

38.2.1.5

Verordeningen en zegens opnemen

Patriarchale zegens worden opgenomen en uitgetypt. De exacte bewoording van andere verordeningen en zegens wordt niet op schrift vastgelegd en er wordt geen geluidsopname van gemaakt. Een vaderlijke zegen mag wel worden vastgelegd.

38.2.1.6

Foto’s of video-opnamen van verordeningen en zegens

Het is niet toegestaan om tijdens een priesterschapsverordening of -zegen, of een doopdienst te fotograferen of te filmen.

38.2.1.7

Verordeningen voor geadopteerde kinderen

Als een adoptie rond is, ontvangen de adoptiekinderen verordeningen onder de achternaam van de adoptieouders. Een ouder kind dat na zijn of haar doop wordt geadopteerd, hoeft niet opnieuw te worden gedoopt. Een administrateur wijzigt de lidmaatschapskaart conform het adoptiebesluit.

Zie 38.5.2.4 voor meer informatie over het verzegelen van geadopteerde of pleegkinderen.

38.2.1.8

Verordeningen voor verstandelijk gehandicapten

Wanneer men een verordening overweegt voor iemand die verstandelijk gehandicapt is, houden de priesterschapsleiders en de ouders rekening met zijn of haar wensen en begripsvermogen. Als de betrokkene de kerknormen naleeft, de verordening wil ontvangen en laat zien voldoende verantwoordelijk en toerekeningsvatbaar te zijn, moet hem of haar geen verordening worden onthouden.

De verordeningen van heil en verhoging worden niet verricht voor personen met verstandelijke beperkingen die niet toerekeningsvatbaar zijn en geen verbonden met God kunnen sluiten. Deze verordeningen worden evenmin verricht voor kinderen die voor hun 8e zijn overleden. Voor hen geldt dat zij ‘behouden worden in het celestiale koninkrijk van de hemel’ (Leer en Verbonden 137:10; zie ook Moroni 8:8–12).

Een bisschop die vragen heeft over specifieke personen, wendt zich tot de ringpresident. De ringpresident legt zijn vragen zo nodig voor aan het kantoor van het Eerste Presidium.

Als leiders vaststellen dat iemand in aanmerking komt voor een verordening, leggen zij de betrokkene uit wat die inhoudt en bereiden hem of haar erop voor.

De informatie over verordeningen voor verstandelijk gehandicapten is als volgt ingedeeld:

38.2.1.9

Verordeningen en zegens door en voor lichamelijk gehandicapten

Lichamelijk gehandicapten, die bijvoorbeeld een of beide armen missen, van het middel of de nek af verlamd zijn, of doof of slechthorend zijn, kunnen verordeningen en zegens verrichten en ontvangen. De leiders treffen de noodzakelijke maatregelen voor die personen zodat zij op een voor hen geschikte wijze kunnen deelnemen. Als leiders vragen hebben waar ze geen oplossing voor hebben, kan de ringpresident de vragen doorsturen naar het kantoor van het Eerste Presidium.

Doven of slechthorenden kunnen via gebarentaal communiceren als zij een verordening verrichten of ontvangen. Een priesterschapsleider die toeziet op een verordening, zorgt ervoor dat de ontvanger die begrijpt met behulp van een tolk of andere middelen (zie 38.2.1.2).

38.2.1.10

Procedure bij een ongeldige verordening

Verordeningen zonder geldige gegevens. Om administratieve redenen wordt een verordening pas als geldig aangemerkt als ten minste het jaar waarin die verricht is op de lidmaatschapskaart voorkomt. Als de datum op de kaart ontbreekt of onjuist is, kan de verordening bekrachtigd worden als het kerklid de bisschop het originele certificaat kan laten zien, dat na de verordening is verstrekt. De bisschop vraagt de wijkadministrateur deze informatie op de lidmaatschapskaart te registreren.

Als de gegevens niet in het ledenregister van de kerk voorkomen, moet de bisschop of de administrateur zorgen voor een verklaring van twee getuigen. De twee getuigen moeten:

  • Minstens 10 jaar oud zijn geweest toen de verordening werd verricht.

  • De verordening gezien of gehoord hebben.

  • Op het moment dat zij getuigen ingeschreven leden van de kerk zijn.

  • Hun getuigenis op schrift stellen, waarin zij (1) aangeven wat de volledige datum van de verordening is of (2) het jaar waarin de verordening is verricht en wie die verricht heeft.

  • Hun verklaring ondertekenen in aanwezigheid van een lid van de bisschap of hogere kerkfunctionaris.

Pas na ontvangst van een dergelijke verklaring machtigt de bisschop de administrateur om de juiste datum op de lidmaatschapskaart te registreren. Het schriftelijke getuigenis mag worden vernietigd.

Als de verordening niet bekrachtigd kan worden met een origineel certificaat, raadpleging van het ledenregister, of de verklaring van twee getuigen, moet die opnieuw verricht worden om als geldig aangemerkt te worden.

Als het lid na de ongeldige verordening nog andere verordeningen heeft ontvangen, moeten die door het Eerste Presidium geratificeerd worden om als geldig aangemerkt te worden. Een ratificatie wordt door de ringpresident schriftelijk bij het kantoor van het Eerste Presidium aangevraagd.

Verordeningen die in afwijkende volgorde zijn ontvangen. Een verordening is ongeldig als iemand die in afwijkende volgorde heeft ontvangen. De begiftiging van een man is bijvoorbeeld niet geldig als hij die heeft ontvangen voordat hem het Melchizedeks priesterschap is verleend. Het Eerste Presidium kan die verordening echter ratificeren. Een ratificatie wordt door de ringpresident schriftelijk bij het kantoor van het Eerste Presidium aangevraagd.

Verordeningen die vóór de gestelde leeftijd zijn ontvangen. Een verordening is ongeldig als iemand die vóór de gestelde leeftijd heeft ontvangen. De doop is bijvoorbeeld ongeldig als iemand vóór zijn 8e verjaardag is gedoopt. Als er na de ongeldige verordening geen andere verordeningen zijn ontvangen, wordt die opnieuw verricht. Als er na de ongeldige verordening andere verordeningen zijn ontvangen, zoals een ordening in het priesterschap, moeten die verordeningen en de ongeldige verordening door het Eerste Presidium worden geratificeerd. Een ratificatie wordt door de ringpresident schriftelijk bij het kantoor van het Eerste Presidium aangevraagd.

Gegevens van opnieuw verrichte verordeningen. Als een verordening opnieuw wordt verricht, registreert de administrateur de datum waarop de verordening weer verricht is op de lidmaatschapskaart, ook al klopt daardoor de volgorde van de verordeningsdatums op de kaart niet meer.

38.2.2

Kinderen een naam en een zegen geven

De volgende richtlijnen zijn van toepassing op het geven van een naam en een zegen aan kinderen in bijzondere situaties. Zie 18.6 voor instructies om kinderen een naam en een zegen te geven.

38.2.2.1

Buitenechtelijke kinderen

Buitenechtelijke kinderen kunnen in een avondmaalsdienst (doorgaans een vasten-en-getuigenisdienst) een naam en een zegen krijgen. De bisschop mag, als de familie daar de voorkeur aan geeft, een Melchizedeks-priesterschapsdrager machtigen het kind thuis te zegenen, waarbij een lid van de bisschap presideert.

38.2.2.2

Ernstig zieke baby’s

Als een pasgeboren baby ernstig ziek is, mag een Melchizedeks-priesterschapsdrager het kind in het ziekenhuis of thuis een naam en een zegen geven zonder daarvoor eerst gemachtigd te zijn door de bisschop. Daarna informeert hij direct de bisschop, zodat de noodzakelijke documenten kunnen worden aangemaakt.

38.2.2.3

Baby’s van wie een of beide ouders geen lid van de kerk zijn

Als een of beide ouders of voogden van een kind geen lid van de kerk zijn en men geeft aan het kind te willen laten zegenen, moet de bisschop van beide betrokkenen vooraf mondeling toestemming krijgen. Hij legt uit dat er een lidmaatschapskaart voor het kind zal worden aangemaakt na de zegen. Hij vertelt ze ook

  • dat wijkleden nu en dan contact met ze opnemen,

  • en dat ze te zijner tijd bezoek van hem of de wijkzendelingen krijgen met het voorstel dat het kind zich op 8-jarige leeftijd laat dopen.

38.2.3

Doop en bevestiging

38.2.3.1

Ingeschreven kinderen

Zie 18.7 en 18.8.

38.2.3.2

Bekeerlingen

De zendingspresident draagt de priesterschapssleutels voor de doop van bekeerlingen in een zendingsgebied (zie de definitie van bekeerlingen in 18.7.1). Op zijn aanwijzing houdt een voltijdzendeling een doop-en-bevestigingsgesprek met elke kandidaat en geeft toestemming voor de verordeningen. De zendingspresident ziet ook toe op de registratie van de verordeningen door het zendingskantoor, zodat er een lidmaatschapskaart wordt aangemaakt.

De voltijdzendelingen werken nauw samen met de wijkzendingsleider (als er een geroepen is) of het lid van het quorumpresidium ouderlingen dat het zendingswerk in de wijk leidt. Deze persoon plant en leidt doopdiensten op aanwijzing van de bisschap.

Bekeerlingen worden doorgaans bevestigd in een avondmaalsdienst van de wijk waartoe zij behoren, bij voorkeur op de zondag na hun doop. De bisschop kan bij uitzondering toestaan dat een bekeerling tijdens de doopdienst wordt bevestigd, bijvoorbeeld als het aantal bevestigingen te veel tijd in de avondmaalsdienst zou vergen of om aan de behoeften van de nieuwe bekeerling of bezoekende familieleden tegemoet te komen.

Voormalige leden die zich laten herdopen en herbevestigen na intrekking of opzegging van hun lidmaatschap, worden niet als bekeerling aangemerkt. Een zendeling kan ook geen doopgesprek met hen voeren. Zie 32.16 voor informatie over voormalige leden die weer lid van de kerk willen worden.

38.2.3.3

Doop-en-bevestigingsgesprekken

Een bevoegde priesterschapsleider of zendeling voert met elke kandidaat-dopeling een gesprek volgens de richtlijnen in deze paragraaf.

8-jarige kinderen. De bisschop of een daartoe aangewezen raadgever voert een gesprek voor de doop en bevestiging met:

  • Ingeschreven kinderen van 8 jaar.

  • Kinderen van 8 jaar die niet staan ingeschreven, maar van wie ten minste één ouder of voogd lid van de kerk is.

De voltijdzendelingen onderwijzen en voeren een gesprek met 8-jarige kinderen van wie de ouders geen lid zijn en met kinderen die 9 jaar of ouder zijn ten tijde van de doop.

Een lid van de bisschap dat een doopgesprek met een kind voert, vergewist zich ervan dat het kind de doeleinden van de doop begrijpt. Ook overtuigt hij zich ervan dat het kind het doopverbond begrijpt en zich eraan wil houden. Geleid door de Geest kan hij vragen stellen die vergelijkbaar zijn met de eerste twee vragen in het doopgesprek voor bekeerlingen (zie ‘Doopgesprek met bekeerling’ verderop in deze paragraaf). Voor verdere vragen houdt de vragensteller voor ogen dat kinderen tot hun 8e zondeloos voor God zijn.

Bekeerlingen. De districtsleider-voltijdzendeling voert doorgaans het doopgesprek met de kandidaat-dopeling (omschreven in 38.2.3.2). De zoneleider doet dat als de kandidaat-dopeling de lessen heeft gekregen van de districtsleider. Zendelingen zijn bevoegd om deze gesprekken te voeren door delegatie van gezag van de zendingspresident.

Iedere kandidaat-dopeling maakt voor zijn doop en bevestiging kennis met de bisschop. De bisschop voert echter met geen van de kandidaten een doopgesprek, noch gaat hij na of ze de kerknormen naleven.

De zendingspresident moet toestemming geven voor de doop en bevestiging als de kandidaat-dopeling ooit een zwaar misdrijf heeft begaan, bij een abortus betrokken is geweest of een seksuele zonde met iemand van hetzelfde geslacht heeft begaan. In die gevallen voert de zendingspresident een diepgaand gesprek en schrijft een doop-en-bevestigingskaart uit als hij van mening is dat de kandidaat-dopeling zich bekeerd heeft en zich aan de kerknormen houdt.

De zendingspresident mag zo nodig een van zijn raadgevers machtigen om het gesprek te voeren. Elk gesprek moet afzonderlijk worden geautoriseerd. De raadgever die een gesprek voert, brengt verslag uit aan de zendingspresident, die vervolgens de doop en bevestiging goedkeurt of afwijst.

De zendingspresident moet een gesprek voeren met de kandidaat-dopeling en goedkeuring van het Eerste Presidium krijgen voor zijn of haar doop en bevestiging, als hij of zij:

  • Een moord heeft begaan (zie 38.2.3.13).

  • Bij de praktisering van het meervoudig huwelijk betrokken is geweest (zie 38.2.3.8).

  • In transitie is gegaan om zijn of haar geboortegeslacht aan te passen (zie 38.2.3.14).

  • Voorwaardelijk vrij is of onder toezicht staat (zie 38.2.3.13).

Doopgesprek met bekeerling. Wie een doop-en-bevestigingsgesprek met een bekeerling voert, stelt onder invloed van de Geest de volgende vragen om na te gaan of de kandidaat-dopeling aan de voorwaarden in Leer en Verbonden 20:37 voldoet (zie ook Mosiah 18:8–10; Moroni 6:1–4). Deze vragen dienen aan iemands leeftijd en begripsvermogen te worden aangepast.

  1. Gelooft u dat God onze eeuwige Vader is? Gelooft u dat Jezus Christus de Zoon van God is, en de Heiland en Verlosser van de wereld?

  2. Gelooft u dat de kerk en het evangelie van Jezus Christus door de profeet Joseph Smith zijn hersteld? Gelooft u dat [huidige president van de kerk] een profeet van God is? Wat betekent dit voor u?

  3. Wat houdt bekering in voor u? Hebt u het gevoel dat u zich bekeerd hebt van vroegere zonden?

  4. Hebt u ooit een zwaar misdrijf begaan? Zo ja, bent u nu voorwaardelijk vrij of staat u onder toezicht? (Zie 38.2.3.13 voor instructies als iemand bevestigend beantwoordt.) Bent u ooit bij een abortus betrokken geweest? Hebt u ooit een seksuele zonde met iemand van hetzelfde geslacht begaan?

  5. U is geleerd dat u als lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen geacht wordt de evangelienormen na te leven. Wat betekenen de volgende normen volgens u? Bent u bereid die te gehoorzamen?

    1. De wet van kuisheid, die elke seksuele omgang buiten het wettelijke huwelijk tussen man en vrouw verbiedt

    2. De wet van tiende

    3. Het woord van wijsheid

    4. De sabbat heiligen, wat onder meer inhoudt dat u elke week aan het avondmaal deelneemt en goeddoet aan anderen

  6. Bij uw doop sluit u een verbond met God dat u bereid bent de naam van Christus op u te nemen en zijn geboden uw verdere leven na te komen. Bent u bereid dit verbond te sluiten en ernaar te streven om het getrouw na te leven?

Als blijkt dat de kandidaat-dopeling klaar is voor de doop, vult de vragensteller een doop-en-bevestigingskaart in aan de hand van de aanwijzingen bij het formulier. Na de bevestiging zien de bisschop en de wijkadministrateur erop toe dat de bevestigingsgegevens compleet en correct zijn. Zie 18.8.3 voor meer informatie over de Doop-en-bevestigingskaart.

38.2.3.4

Richtlijnen voor doopdiensten, dopen en bevestigen

Zie 18.7.2 voor richtlijnen voor doopdiensten.

Zie 18.7 en 18.8 voor richtlijnen voor de doop en bevestiging.

38.2.3.5

Wie ontoerekeningsvatbaar zijn

Personen die verstandelijk gehandicapt zijn en zich niet bewust kunnen bekeren, kunnen door de bisschop als ontoerekeningsvatbaar beschouwd worden. Die mensen hoeven zich niet te laten dopen en bevestigen, ongeacht hun leeftijd (zie 38.2.1.8).

Als iemand later in zijn leven kan aangeven wat bekering inhoudt, verlangd te worden gedoopt en laat zien voldoende toerekeningsvatbaar te zijn, mag hij of zij zich laten dopen en bevestigen. De doop en bevestiging van iemand die later in zijn of haar leven verstandelijk gehandicapt raakt, blijven geldig.

Zie 38.2.1.8 voor aanvullende richtlijnen. Zie 33.6.10 voor informatie over de lidmaatschapskaarten van personen die ontoerekeningsvatbaar zijn.

38.2.3.6

Minderjarigen

Een wettelijk minderjarig kind kan zich alleen laten dopen en bevestigen als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  1. De ouder(s) of voogd(en) heeft/hebben daartoe toestemming gegeven. Ze dienen de aan hun kind onderwezen kerkleer te begrijpen en het te steunen bij het sluiten van het doopverbond. Wie het doop-en-bevestigingsgesprek voert, moet om een schriftelijke bevestiging van deze toestemming verzoeken als hij meent dat dit misverstanden zal voorkomen.

  2. Daarnaast moet wie het gesprek voert, ervan overtuigd zijn dat het kind het doopverbond goed begrijpt en zijn of haar best zal doen om daaraan gehoorzaam te zijn door de geboden na te komen, waaronder op zondag naar de kerk gaan.

38.2.3.7

Kinderen van gescheiden ouders

Een kind van gescheiden ouders kan zich laten dopen en bevestigen als de ouder(s) aan wie het ouderlijk gezag is toegewezen, toestemming geeft/geven. Als de moeder aan wie het kind is toegewezen, hertrouwd is en haar kind niet formeel geadopteerd is door de stiefvader maar wel zijn achternaam aangenomen heeft, mag het kind worden gedoopt en bevestigd met de naam waaronder hij of zij bekendstaat. Op de lidmaatschapskaart en het certificaat moet echter wel de wettige naam staan waaronder het kind bekend is bij de burgerlijke stand.

38.2.3.8

Volwassenen die bij een meervoudig huwelijk betrokken zijn

Een volwassene die voorheen het meervoudig huwelijk heeft aangemoedigd, verkondigd of uitgeoefend, moet door het Eerste Presidium worden gefiatteerd, voordat hij of zij kan worden gedoopt en bevestigd. De zendingspresident kan dit verzoek voorleggen aan het kantoor van het Eerste Presidium. Het verzoek dient informatie te bevatten over de betrokkenheid van de persoon bij het meervoudig huwelijk en zijn of haar daaropvolgende bekering en huidige gezinssituatie.

38.2.3.9

Gehuwden

Iemand die gehuwd is, wordt niet gedoopt zonder toestemming van zijn of haar huwelijkspartner.

38.2.3.10

Wie ongehuwd samenwonen

Een kandidaat-dopeling die ongehuwd met iemand van het andere geslacht samenwoont, moet of met die persoon trouwen of op zichzelf gaan wonen voordat hij of zij zich kan laten dopen.

38.2.3.11

Personen van wie het kerklidmaatschap is ingetrokken of opgezegd

Personen van wie het kerklidmaatschap is ingetrokken of opgezegd, kunnen door de doop en bevestiging weer tot de kerk toetreden. In 32.16 staan daarvoor instructies.

38.2.3.12

Wie betrokken zijn geweest bij een abortus

Zie ‘Bekeerlingen’ in 38.2.3.3.

38.2.3.13

Veroordeelden

Iemand die wegens een misdaad veroordeeld is en zich wil laten dopen of herdopen, kan niet worden gedoopt en bevestigd voordat zijn of haar gevangenisstraf voorbij is. Iemand die veroordeeld is voor een zedenmisdrijf mag niet gedoopt en bevestigd worden voordat zijn of haar voorwaardelijke invrijheidstelling en toezicht voorbij zijn (tenzij het Eerste Presidium een uitzondering toestaat). Hij of zij moet worden aangemoedigd om nauw samen te werken met de plaatselijke priesterschapsleiders en alles doen om voor de doop en bevestiging in aanmerking te komen.

Voltijdzendelingen geven geen les aan mensen in huizen van bewaring of gevangenissen.

Iemand die wegens moord veroordeeld is of een moord bekend heeft (zelfs als dit in vertrouwen aan een priesterschapsleider is gedaan), mag niet zonder toestemming van het Eerste Presidium worden gedoopt of bevestigd. Het verzoek tot goedkeuring moet alle relevante details bevatten, die de zendingspresident (als de persoon nog niet eerder is gedoopt), of de bisschop of de ringpresident (als een voormalig lid wederopgenomen wil worden) in een persoonlijk gesprek heeft vastgesteld. Beroepsmatige politie- of militaire acties vallen niet onder moord zoals dat hier wordt gebruikt. In dit verband wordt abortus evenmin met moord gelijkgesteld.

38.2.4

Het avondmaal

Zie 18.9.

38.2.5

Het priesterschap verlenen en tot een ambt ordenen

38.2.5.1

Ambten in het Melchizedeks priesterschap

Taken van de ringpresident en de bisschop. De ringpresident bezit de priesterschapssleutels voor de verlening van het Melchizedeks priesterschap en de ordening tot de ambten van ouderling en hogepriester. Doorgaans neemt de bisschop echter het initiatief in de voordracht voor deze ordeningen.

Met de goedkeuring van het ringpresidium voert de bisschop een gesprek met het lid volgens de instructies op de Ordeningskaart Melchizedeks priesterschap. Voordat hij dat doet, gaat hij na of er op de lidmaatschapskaart van de betrokkene sprake is van een aantekening, een verordeningsrestrictie of een lidmaatschapsrestrictie.

Nadat de bisschop een gesprek met het lid heeft gevoerd, voert de ringpresident of een van zijn raadgevers een diepgaand gesprek volgens de instructies op de Ordeningskaart Melchizedeks priesterschap. Hij let er ook op dat het lid de eed en het verbond van het priesterschap begrijpt en ermee instemt ernaar te leven (zie Leer en Verbonden 84:33–44).

Na het gesprek vraagt het ringpresidium de hoge raad de ordening van de broeder te steunen. Een lid van het ringpresidium stelt daarna de broeder ter steunverlening voor in de algemene bijeenkomst van de ringconferentie of in een algemene ringpriesterschapsvergadering (zie Leer en Verbonden 20:65, 67). De broeder dient te gaan staan alvorens de leden hun steun kenbaar maken. Het lid van het ringpresidium kan zeggen:

‘Wij stellen u voor het Melchizedeks priesterschap te verlenen aan [naam] en hem te ordenen tot ouderling [of wij stellen u voor (naam) te ordenen tot hogepriester]. Wie hiermee instemt, maakt dat kenbaar door de hand op te steken. [Wacht kort op de steunverlening.] Wie tegen is, maakt dat eveneens kenbaar. [Wacht kort op mogelijke tegenstemmen.]’

De persoon die gesteund wordt, neemt zelf deel aan de steunverlening. Als er meerdere personen worden voorgesteld, kunnen zij gewoonlijk tegelijk worden gesteund.

Als een goed lid van de kerk tegenstemt, overlegt een lid van het ringpresidium na de bijeenkomst onder vier ogen met hem of haar. De functionaris stelt vast of hij of zij kennis heeft van feiten waaruit blijkt dat de persoon schuldig is aan gedrag dat hem uitsluit van de ordening tot het priesterschapsambt.

Het kan noodzakelijk zijn dat een broeder moet worden geordend voordat hij in een algemene bijeenkomst van de ring ter steunverlening kan worden voorgesteld. In dat geval wordt hij in de avondmaalsdienst van zijn wijk ter steunverlening voorgesteld. Daarna wordt zijn naam in de volgende ringconferentie of algemene ringpriesterschapsvergadering voorgelegd ter bekrachtiging van de ordening.

Na de noodzakelijke gesprekken en goedkeuringen wordt de ordening volgens de instructies in 18.10 verricht.

Ouderlingen. Broeders die de kerknormen naleven, kunnen het Melchizedeks priesterschap ontvangen en tot ouderling worden geordend als ze 18 jaar of ouder zijn. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van de jongeman, zoals zijn getuigenis en de mate van volwassenheid, schoolexamens, zijn behoefte aan contact met leeftijdgenoten, of zijn vervolgopleiding, beslist de bisschop of een jongeman al snel na zijn 18e verjaardag wordt geordend of nog enige tijd priester blijft. De bisschap overlegt eerst met de jongeman en zijn ouders. Tegen de tijd dat ze 19 worden of als ze elders gaan studeren, in militaire dienst gaan of een baan vinden, dienen alle daarvoor waardige mannen tot ouderling te zijn geordend.

Mannen van 18 jaar of ouder die pas lid van de kerk zijn geworden, blijven nog enige tijd priester om zich een goed begrip van het evangelie eigen te maken en blijk te geven van hun getrouwheid, voordat ze tot ouderling worden geordend. Hier staat geen vaste tijd voor.

Hogepriesters. Mannen worden tot hogepriester geordend als ze tot een functie in een ringpresidium, hoge raad of bisschap geroepen worden, of als ze om andere redenen door hun bisschop worden voorgedragen en de ringpresident zijn goedkeuring geeft. Als uitzondering hierop hoeven raadgevers van een bisschop van een wijk in een ring voor alleenstaanden niet tot hogepriester te worden geordend (zie 37.3.2). Als dergelijke raadgevers ouderling zijn, maken ze geen deel uit van het hogepriestersquorum.

Alleen hogepriesters mogen in de kring staan bij de ordening tot het ambt van hogepriester.

38.2.5.2

Ambten in het Aäronisch priesterschap

Taken van de bisschop. De bisschop bezit de priesterschapssleutels voor verlening van het Aäronisch priesterschap en de ordening tot de ambten van diaken, leraar en priester. Broeders die de kerknormen naleven, worden gewoonlijk op de volgende leeftijden geordend, maar nooit voordien:

  • Diaken: aan het begin van het jaar waarin ze 12 worden

  • Leraar: aan het begin van het jaar waarin ze 14 worden

  • Priester: aan het begin van het jaar waarin ze 16 worden

De bisschop of een van zijn raadgevers voert een gesprek met wie op de nominatie staat geordend te worden tot diaken of leraar om vast te stellen of hij de kerknormen naleeft. De bisschop voert echter zelf een gesprek met wie priester zal worden. Voordat hij een ordeningsgesprek voert met een jongeman, vraagt een lid van de bisschap daarvoor toestemming aan de ouders of voogden.

Als uit het gesprek blijkt dat het lid de kerknormen naleeft, vult de leider de ordeningskaart Aäronisch priesterschap in. De bisschop of een van zijn raadgevers stelt het lid in een avondmaalsdienst ter steunverlening aan de leden voor (zie Leer en Verbonden 20:65). Men gaat daarbij op dezelfde manier te werk als bij de ordening van mannen tot het Melchizedeks priesterschap (zie 38.2.5.1). Als een goed lid tegenstemt, overlegt een lid van de bisschap na de bijeenkomst onder vier ogen met hem of haar.

Na de steunverlening wordt het lid door of op aanwijzing van de bisschop geordend volgens de instructies in 18.10.

Jongemannen van gescheiden ouders. Een jongeman van wie de ouders gescheiden zijn, mag tot het Aäronisch priesterschap geordend worden als de ouder(s) aan wie het gezag is toegewezen, toestemming geeft/geven. Als de moeder de voogdij heeft en is hertrouwd, en als de jongeman niet formeel is geadopteerd maar wel de achternaam van de stiefvader heeft aangenomen, mag hij geordend worden met de naam waaronder hij bekendstaat. Op het certificaat moet echter wel de wettige naam staan waaronder de jongeman bij de burgerlijke stand bekend is.

Wie pas gedoopt en bevestigd zijn. Broeders die onlangs zijn gedoopt en bevestigd, wordt spoedig na hun bevestiging, doorgaans binnen een week, het Aäronisch priesterschap verleend, waarna zij tot het bestemde ambt worden geordend, als zij op zijn minst 11 jaar zijn en 12 worden tijdens het lopende jaar. Voordat ze het priesterschap ontvangen, wordt er een normengesprek met ze gevoerd en worden ze ter steunverlening in de avondmaalsdienst voorgesteld. Ze worden normaal gezien op deze leeftijden tot de volgende ambten geordend:

  • Diaken: vanaf januari van het jaar waarin ze 12 worden

  • Leraar: vanaf januari van het jaar waarin ze 14 worden

  • Priester: vanaf januari van het jaar waarin ze 16 worden

Broeders van 19 jaar en ouder worden ook als toekomstig ouderling beschouwd (zie 38.2.5.3).

Broeders die net zijn gedoopt en bevestigd, moeten een gesprek met de bisschop krijgen en in de wijk worden gesteund, voordat ze tot een ambt in het Aäronisch priesterschap worden geordend. Daarom worden ze niet op de dag van hun doop of bevestiging geordend.

De doop van gezinsleden moet niet worden uitgesteld tot de vader het priesterschap ontvangt en de doop zelf kan verrichten.

38.2.5.3

Toekomstig ouderlingen

Een toekomstig ouderling is een mannelijk kerklid van 19 jaar of ouder die niet het Melchizedeks priesterschap draagt. Ook getrouwde broeders onder de 19 die niet het Melchizedeks priesterschap dragen, zijn toekomstig ouderling.

De bisschop heeft regelmatig een gesprek met elke toekomstig ouderling en werkt nauw met de andere priesterschapsleiders samen om ze voor te bereiden op het Melchizedeks priesterschap. Als een toekomstig ouderling nog geen priester is, moet hij tot dat ambt geordend worden zodra hij de kerknormen naleeft. Hij hoeft niet eerst tot diaken of leraar geordend te worden. Als hij voldoende begrip van het evangelie heeft en de kerknormen naleeft, mag hij tot ouderling geordend worden.

Zie 8.6 voor meer informatie over toekomstig ouderlingen.

38.2.5.4

Andere omstandigheden

Wie minder dan een jaar in de wijk wonen. Als een mannelijk lid minder dan een jaar in de wijk woont, neemt de bisschop contact op met zijn vorige bisschop om na te gaan of het lid de kerknormen naleeft, voordat hij zijn goedkeuring geeft aan een ordening in het Aäronisch priesterschap of hem voor ordening in het Melchizedeks priesterschap voordraagt.

Als iemand wordt geordend terwijl hij van huis is en als zijn lidmaatschapskaart nog steeds in zijn thuiswijk is, laat de bisschop van de wijk waar hij is geordend dat aan de bisschop van de thuiswijk weten, zodat de lidmaatschapskaart kan worden bijgewerkt. Het ordeningscertificaat wordt uitgeschreven in de wijk waar de ordening heeft plaatsgevonden.

Broeders in een wijk voor jonge alleenstaanden of alleenstaanden. Mannen van 18 jaar en ouder in een wijk voor jonge alleenstaanden of alleenstaanden worden tot ouderling geordend als zij de normen naleven. Wie niet tot ouderling zijn geordend, behoren als toekomstig ouderling tot het ouderlingenquorum.

Militairen in oorlogs- of afgelegen gebieden. Een militair wordt gewoonlijk geordend in de wijk waar zich zijn lidmaatschapskaart bevindt. Dat is soms echter niet haalbaar als de militair lange tijd op zee is of zich in een oorlogs- of afgelegen gebied bevindt. In die gevallen benadert de militair de groepsleider van leden in de krijgsmacht. Als de groepsleider van mening is dat de militair toe is aan de ordening, stuurt hij een aanbevelingsbrief aan de presiderende functionaris van de kerkunit die toezicht houdt op de groep militairen. Die presiderende functionaris neemt contact op met de bisschop van de thuiswijk om te informeren of de militair de normen heeft nageleefd.

Voor ordening tot een ambt in het Aäronisch priesterschap kan de presiderende functionaris de groepsleider of een geestelijk verzorger van de kerk machtigen om een gesprek met de broeder te voeren en op de ordening toe te zien. Voor ordening tot het ambt van ouderling kan de ring- of zendingspresident een geestelijk verzorger van de kerk machtigen om een gesprek met de broeder te voeren en op de ordening toe te zien. Alle ordeningen worden gesteund en bekrachtigd volgens de instructies in 38.2.5.1 en 38.2.5.2.

Verstandelijk gehandicapten. De priesterschapsleiders bepalen of verstandelijk gehandicapte broeders het priesterschap ontvangen. Als het lid bij zijn ouders woont, overleggen de priesterschapsleiders met hen. Voordat men tot ordening overgaat, moet de verstandelijk gehandicapte broeder er eerst blijk van geven dat hij voldoende toerekeningsvatbaar is en de verantwoordelijkheid begrijpt. Priesterschapsdragers met een dergelijke handicap krijgen de hulp die zij nodig hebben om zoveel mogelijk deel te nemen.

Wie zich hebben laten herdopen en herbevestigen. Zie 32.17 voor instructies over het ordenen van broeders die zich hebben laten herdopen en herbevestigen na intrekking of opzegging van hun lidmaatschap.

Wie zich als transgender beschouwt. Een lid dat op eigen initiatief een medische of chirurgische ingreep heeft ondergaan om van geboortegeslacht te veranderen (een ‘geslachtsoperatie’ of ‘geslachtsverandering’), of zich volledig als iemand van het andere geslacht gedraagt, mag het priesterschap niet ontvangen of uitoefenen. Gebiedspresidiums helpen plaatselijke leiders om persoonlijke situaties met tact aan te pakken (zie 38.6.21).

Een mannelijk lid dat worstelt met genderidentiteit, maar geen medische of chirurgische ingreep nastreeft om van geboortegeslacht te veranderen, zich niet als iemand van het andere geslacht gedraagt en de kerknormen naleeft, mag het priesterschap ontvangen en uitoefenen.

38.2.6

Functionarissen en leerkrachten aanstellen

Zie 18.11.

38.2.7

Olie wijden

Zie 18.12.

38.2.8

De zieken zalven

Zie 18.13.

38.2.9

Zegen tot troost en raad, waaronder een vaderlijke zegen

Zie 18.14.

38.2.10

Een woning wijden

Zie 18.15.

38.2.11

Een graf wijden

Zie 18.16.

38.2.12

Patriarchale zegens

Informatie over patriarchale zegens staat in de volgende paragrafen en in de volgende publicaties:

  • Paragraaf 18.17 en 38.9 in dit handboek

  • Informatie en wenken voor patriarchen

  • Wereldwijde instructiebijeenkomst voor leidinggevenden: de patriarch

38.2.12.1

Algemene richtlijnen

Ieder gedoopt lid dat de kerknormen naleeft, mag een patriarchale zegen ontvangen, waarin hij of zij geïnspireerde raad van onze hemelse Vader krijgt. Ouders en leidinggevenden in de kerk raden de leden aan om zich geestelijk op een patriarchale zegen voor te bereiden. De bisschop of een van zijn raadgevers voert een gesprek met een lid dat een patriarchale zegen wil. Als het lid de kerknormen naleeft, maakt de gespreksvoerder een aanbeveling voor een patriarchale zegen aan. Hij stuurt die via het systeem voor patriarchale zegens op ChurchofJesusChrist.org in. Als de zegen wordt gegeven door een patriarch die buiten de ring van de betrokkene woont, moet een lid van beide ringpresidiums de aanbeveling ook via het systeem voor patriarchale zegens goedkeuren. Een dergelijke machtiging vindt alleen plaats zoals in 38.2.12.2 wordt aangegeven.

Wie een aanbeveling voor een patriarchale zegen uitschrijft, ziet erop toe dat het lid volwassen genoeg is om de betekenis en het belang van de zegen te begrijpen. In het ideale geval is de betrokkene nog zo jong dat vele belangrijke beslissingen in het leven nog vóór hem of haar liggen, hoewel ook oudere volwassenen worden aangemoedigd om hun patriarchale zegen te ontvangen. De priesterschapsleiders stellen geen minimumleeftijd voor het ontvangen van een patriarchale zegen.

Een nieuw lid moet de fundamentele leringen van het evangelie goed begrijpen voordat het zijn patriarchale zegen ontvangt.

Als een gedoopt lid verstandelijk gehandicapt is, verstrekt de bisschop, in overleg met de ouders, alleen een aanbeveling als hij van mening is dat er voldoende begripsvermogen is. Leden dienen in gedachte te houden dat een patriarchale zegen bestemd is voor de ontvanger en niet voor de ouders.

Een zendeling(e) ontvangt zijn of haar patriarchale zegen zo mogelijk voordat de zending begint. Een zendeling(e) die in een opleidingscentrum voor zendelingen verblijft, mag alleen op de volgende voorwaarden een patriarchale zegen ontvangen:

  • De zendeling(e) komt uit een gebied waar geen patriarch een zegen kan geven in de moedertaal van de zendeling(e).

  • De zendeling(e) gaat naar een gebied waar geen patriarch een zegen kan geven in de moedertaal van de zendeling(e).

  • De zendeling(e) zal naar huis terugkeren naar een gebied waar geen patriarch is.

  • Een patriarch in de buurt van het opleidingscentrum voor zendelingen kan een zegen geven in de moedertaal van de zendeling(e).

Als een zendeling(e) zonder een patriarchale zegen te hebben ontvangen in het zendingsveld arriveert, is de zendingspresident gemachtigd om een gesprek met hem of haar te hebben, een aanbeveling voor een patriarchale zegen op te stellen en via het systeem voor patriarchale zegens in te sturen. De zendingspresident ziet erop toe dat de zendeling(e) de zegen in zijn of haar moedertaal kan ontvangen. Als dat niet mogelijk is, dient de zendeling(e) te wachten tot hij of zij weer naar huis gaat om daar een patriarchale zegen te ontvangen.

38.2.12.2

Patriarchale zegens geven aan leden buiten de ring

Doorgaans geeft een ringpatriarch alleen patriarchale zegens aan leden uit zijn ring. Hij mag echter in de volgende gevallen zegens geven aan leden uit andere ringen:

  • Een patriarch mag een patriarchale zegen geven aan zijn nageslacht (kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen), ongeacht waar ze wonen. Een lid van de bisschap voert een gesprek en stuurt een aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens op ChurchofJesusChrist.org in. Als degene die de zegen ontvangt in een andere ring woont dan de patriarch, moet een lid van beide ringpresidiums de aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens goedkeuren.

  • Een lid dat in een ring woont zonder functionerende patriarch mag naar een patriarch in een naburige ring gaan. Een lid van de bisschap voert een gesprek en stuurt een aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens in. Een lid van beide ringpresidiums moet de aanbeveling via het systeem goedkeuren.

  • Een lid dat in een district woont, mag naar een patriarch in een nabijgelegen ring gaan. De gemeentepresident voert een gesprek en stuurt een aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens in. Een lid van het zendingspresidium en het presidium van de nabijgelegen ring waarin de patriarch woont, moet de aanbeveling via het systeem goedkeuren.

  • Een lid dat een andere taal spreekt dan de ringpatriarch mag naar een patriarch in een naburige ring gaan om een patriarchale zegen in zijn of haar moedertaal te ontvangen. Een lid van de bisschap voert een gesprek en stuurt een aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens in. Een lid van beide ringpresidiums moet de aanbeveling via het systeem goedkeuren.

38.2.12.3

Patriarchale zegens voor leden die in de krijgsmacht gaan

Als een lid dat de kerknormen naleeft in de krijgsmacht gaat, moedigen de priesterschapsleiders hem of haar aan een patriarchale zegen te ontvangen voordat hij of zij zich meldt.

Als het voor het lid niet mogelijk is om vóór vertrek een patriarchale zegen te ontvangen, mag hij of zij die ontvangen van een patriarch in zijn of haar standplaats. De ringpresident van de standplaats neemt contact op met een lid van de bisschap van de thuiswijk van de betrokkene. De ringpresident voert vervolgens een gesprek en stuurt een aanbeveling via het systeem voor patriarchale zegens in. De ringpatriarch in de standplaats van het lid geeft vervolgens de patriarchale zegen. Voor meer informatie neemt de ringpresident of andere presiderende priesterschapsleider in de standplaats van het lid contact op met het kantoor van het Quorum der Twaalf via Q12Patriarchs@ChurchofJesusChrist.org.

38.2.12.4

Vertaling van een patriarchale zegen

De kerk voorziet niet in de vertaling van patriarchale zegens. Bovendien ontraadt zij de leden om patriarchale zegens te vertalen, daar het moeilijk is de geïnspireerde diepere betekenis en gevoelens van een zegen over te brengen. Als een lid niettemin de taal van de patriarch niet begrijpt en verlangt dat de zegen in een andere taal wordt vertaald, dan is het aan hem of haar om een vertrouwd en getrouw lid te vinden die de vertaling kan verzorgen. De vertaler moet zorgvuldig worden gekozen, de taal goed beheersen, en het geestelijke en vertrouwelijke karakter van de zegen kunnen begrijpen. Vertalingen van zegens worden niet op de hoofdzetel van de kerk bewaard.

Een ringpresident mag een brailletranscriptie van een patriarchale zegen aanvragen door contact op te nemen met het kantoor van het Quorum der Twaalf.

38.2.12.5

Patriarchale zegen vertolkt in gebarentaal

Als een lid een vertolking in gebarentaal nodig heeft om de patriarchale zegen te begrijpen op het moment dat die wordt uitgesproken, dan is het aan hem of haar om een vertrouwd en getrouw lid te vinden die als gebarentolk kan fungeren.

38.2.12.6

Een tweede patriarchale zegen

In zeer zeldzame situaties kan een lid om een tweede patriarchale zegen vragen. Dat wordt echter niet aangemoedigd en het verzoek wordt niet altijd ingewilligd. Als een trouw lid een belangrijke reden heeft voor zo’n verzoek, dan bespreekt hij of zij dat met de bisschop. Als de bisschop van mening is dat een tweede zegen nodig is, stelt hij een aanbeveling voor een patriarchale zegen op en stuurt die via het systeem voor patriarchale zegens op ChurchofJesusChrist.org in. De ringpresident voert vervolgens een gesprek met het lid en leest de oorspronkelijke patriarchale zegen met hem of haar door. Als hij van mening is dat een tweede zegen nodig is, neemt de ringpresident contact op met het kantoor van het Quorum der Twaalf.

Als het verzoek wordt goedgekeurd, informeert de ringpresident de betrokkene en de patriarch voordat hij de aanbeveling in het systeem voor patriarchale zegens goedkeurt. De ringpresident informeert de betrokkene ook dat de tweede zegen de oorspronkelijke zegen vervangt. Daarna mag de patriarch een tweede patriarchale zegen geven.

38.2.12.7

Afschrift van een patriarchale zegen

Zie 18.17.2.

38.2.13

Overzicht van ordeningen

38.2.13.1

Overzicht van ordeningen

Functie

Voordracht door

Goedkeuring van

Steunverlening door

Ordeningsgesprek en ordening door

Functie

Patriarch

Voordracht door

Ringpresidium

Goedkeuring van

Quorum der Twaalf

Steunverlening door

Ringconferentie of algemene ringpriesterschapsvergadering

Ordeningsgesprek en ordening door

Lid van het Eerste Presidium of de Twaalf, of de ringpresident na schriftelijke toestemming van het Quorum der Twaalf

Functie

Hogepriester

Voordracht door

Bisschop en ringpresidium

Goedkeuring van

Ringpresidium en hoge raad

Steunverlening door

Ringconferentie of algemene ringpriesterschapsvergadering

Ordeningsgesprek en ordening door

Ordeningsgesprek door bisschop, en ringpresident of een van zijn raadgevers; ordening op aanwijzing van ringpresident

Functie

Ouderling

Voordracht door

Bisschop

Goedkeuring van

Ringpresidium en hoge raad

Steunverlening door

Ringconferentie of algemene ringpriesterschapsvergadering

Ordeningsgesprek en ordening door

Ordeningsgesprek door bisschop, en ringpresident of een van zijn raadgevers; ordening op aanwijzing van ringpresident

Functie

Bisschop

Voordracht door

Ringpresidium

Goedkeuring van

Eerste Presidium en Quorum der Twaalf

Steunverlening door

Leden in de wijk (avondmaalsdienst)

Ordeningsgesprek en ordening door

Een algemeen autoriteit of gebiedszeventiger, of ringpresident na schriftelijke toestemming van het Eerste Presidium

Functie

Priester

Voordracht door

Bisschop

Goedkeuring van

Bisschap

Steunverlening door

Leden in de wijk (avondmaalsdienst)

Ordeningsgesprek en ordening door

Ordeningsgesprek door bisschop; ordening op aanwijzing van bisschop

Functie

Leraar of diaken

Voordracht door

Bisschop

Goedkeuring van

Bisschap

Steunverlening door

Leden in de wijk (avondmaalsdienst)

Ordeningsgesprek en ordening door

Ordeningsgesprek door bisschop; ordening op aanwijzing van bisschop

38.3

Burgerlijk huwelijk

Kerkleiders moedigen de leden aan een tempelhuwelijk waardig te zijn, in de tempel te trouwen en zich te laten verzegelen. Waar een tempelhuwelijk niet wettelijk erkend wordt, kan men eerst een burgerlijk huwelijk sluiten, gevolgd door een tempelverzegeling. Deze procedure kan ook de voorkeur hebben als ouders of naaste familieleden de tempel niet mogen betreden.

Deze paragraaf bevat instructies voor leiders over de voltrekking van burgerlijke huwelijken. Een burgerlijk huwelijk is geldig zolang het echtpaar leeft. Het is niet meer van kracht na de dood.

Een burgerlijk huwelijk wordt voltrokken volgens de wetten van het land waarin het huwelijk plaatsvindt.

Een burgerlijk huwelijk en verwante godsdienstige ceremonies worden niet op de sabbat of op ongebruikelijke uren voltrokken.

De bisschop overlegt met zijn ringpresident als hij vragen over het burgerlijk huwelijk heeft die niet in deze paragraaf worden beantwoord. De ringpresident kan zijn vragen aan het kantoor van het Eerste Presidium voorleggen.

38.3.1

Wie een burgerlijk huwelijk mag voltrekken

Waar de plaatselijke wet dat toelaat, mogen de volgende kerkleiders vanwege de functie die zij vervullen een burgerlijk huwelijk voltrekken: ring-, zendings-, districtspresident, en bisschop en gemeentepresident.

De geestelijk verzorgers van de kerk in actieve militaire dienst kunnen zonder voorafgaande toestemming een burgerlijk huwelijk voltrekken. De geestelijk verzorgers die aan reservisten of gardisten zijn toegewezen, moeten eerst toestemming van de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten krijgen voordat zij een burgerlijk huwelijk voltrekken.

Niet-militaire geestelijk verzorgers die in ziekenhuizen, zorginstellingen, gevangenissen, grenswacht of voor de politie of brandweer werken, moeten ook vooraf toestemming van die afdeling krijgen voordat zij een burgerlijk huwelijk voltrekken.

Gepensioneerde geestelijk verzorgers zijn niet gemachtigd een burgerlijk huwelijk te voltrekken als geestelijk verzorger.

Wie een huwelijk voltrekt uit hoofde van zijn functie als kerkleider of bekrachtigd geestelijk verzorger houdt zich aan de richtlijnen in dit onderdeel en aan alle wettelijke vereisten.

Geestelijk verzorgers van de kerk worden niet als presiderende functionaris van de kerk beschouwd tenzij ze ringpresident, bisschop of gemeentepresident zijn. Wanneer een geestelijk verzorger geen presiderende functionaris van de kerk is en een burgerlijk huwelijk voltrekt, treedt hij of zij op als vertegenwoordiger van de overheid of burgerlijke instantie waarvoor hij of zij werkt. Daarom gebruiken deze geestelijk verzorgers een licht afwijkende bewoording bij een burgerlijk huwelijk (zie 38.3.6).

Kerkfunctionarissen en geestelijk verzorgers van de kerk mogen hun kerkelijk gezag niet gebruiken om een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht te voltrekken.

Kerkfunctionarissen en geestelijk verzorgers van de kerk die een burgerlijk huwelijk voor kerkleden voltrekken, verschaffen de nodige informatie over het huwelijk aan de administrateur van de wijk of gemeente. De administrateur werkt de lidmaatschapskaarten bij.

Een kerkfunctionaris of geestelijk verzorger die in de hoedanigheid van kerkfunctionaris een huwelijk voltrekt, neemt hiervoor geen vergoeding aan.

38.3.2

Burgerlijk huwelijk van leden uit andere units

Het is een kerkfunctionaris niet toegestaan een huwelijk te voltrekken tussen partners die geen van beiden tot de unit behoren die hij presideert. Geestelijk verzorgers van de kerk vormen hierop een uitzondering. Elke andere uitzondering op deze regel moet worden goedgekeurd door het Eerste Presidium.

38.3.3

Burgerlijk huwelijk van niet-leden

Bevoegde kerkfunctionarissen mogen, zonder speciale toestemming, een huwelijk tussen niet-leden voltrekken.

38.3.4

Waar een burgerlijk huwelijk wordt voltrokken

Een burgerlijk huwelijk dat door een kerkleider wordt voltrokken in een land waar de wet dat toestaat, vindt bij voorkeur bij een familielid thuis of in de kerk plaats. Een huwelijk mag dan in een kerkgebouw in de kapel, de recreatiezaal of in een andere geschikte ruimte worden voltrokken. Een priesterschapsleider die een huwelijk niet bij iemand thuis of in de kerk voltrekt, moet in dat geval wel de trouwlocatie na overleg met het echtpaar goedkeuren. Zie 35.4.22 voor richtlijnen over het gebruik van kerkgebouwen voor huwelijken en bruiloften.

38.3.5

Als een burgerlijk huwelijk door een ambtenaar van de burgerlijke stand of in een openbare ruimte moet worden voltrokken

In sommige gebieden mag een huwelijk alleen door een ambtenaar van de burgerlijke stand worden voltrokken. In sommige gebieden stelt men eveneens als voorwaarde dat de huwelijksplechtigheid in een openbare ruimte wordt voltrokken. In deze gevallen kan een bevoegd priesterschapsfunctionaris na het burgerlijk huwelijk een korte dienst houden, waarin hij het echtpaar goede raad geeft en hun huwelijk namens de kerk erkent. Als het echtpaar na hun burgerlijk huwelijk in de tempel verzegeld zal worden, gebeurt dat zo snel als praktisch haalbaar is.

38.3.6

Ceremonie voor een burgerlijk huwelijk

De voltrekking van een burgerlijk huwelijk door een kerkfunctionaris is een eenvoudige en waardige aangelegenheid. De ceremonie moet bijvoorbeeld niet overdadig zijn of met veel praalvertoon gepaard gaan. Als een huwelijksplechtigheid in de kerk plaatsvindt, is een bruidsmars ongepast. Als de ceremonie in de kapel plaatsvindt, zijn videocamera’s en fototoestellen niet toegestaan (zie 35.4.15).

Voordat hij het burgerlijk huwelijk voltrekt, kan de kerkfunctionaris het bruidspaar raad geven over de heilige aard van de huwelijksbeloften en andere raad naar de Geest hem ingeeft.

De kerkfunctionaris zegt, ter voltrekking van het burgerlijk huwelijk, tegen het bruidspaar: ‘Neem elkaar bij de rechterhand.’ Dan zegt hij: ‘[Volledige namen van de bruidegom en de bruid], u hebt elkaar bij de rechterhand genomen als symbool van de beloften die u nu gaat afleggen in tegenwoordigheid van God en deze getuigen.’ (Het paar kan deze getuigen zelf uitkiezen of voordragen.)

De functionaris richt zich tot de bruidegom en vraagt: ‘[Volledige naam van de bruidegom], neemt u [volledige naam van de bruid] tot vrouw, en belooft u plechtig uit eigen beweging dat u haar, als haar metgezel en wettige echtgenoot, zult aankleven en niemand anders; dat u alle wetten, verantwoordelijkheden en verplichtingen die betrekking hebben op de heilige huwelijkse staat, zult nakomen; en dat u haar zo lang als u beiden leeft, zult liefhebben, eren en koesteren?’

De bruidegom zegt: ‘Ja.’

Dan richt hij zich tot de bruid en zegt: ‘[Volledige naam van de bruid], neemt u [volledige naam van de bruidegom] tot man, en belooft u plechtig uit eigen beweging dat u hem, als zijn metgezellin en wettige echtgenote, zult aankleven en niemand anders; dat u alle wetten, verantwoordelijkheden en verplichtingen die betrekking hebben op de heilige huwelijkse staat, zult nakomen; en dat u hem zo lang als u beiden leeft, zult liefhebben, eren en koesteren?’

De bruid zegt: ‘Ja.’

De kerkfunctionaris richt zich dan tot het bruidspaar en zegt: ‘Krachtens het gezag dat bij mij berust als ouderling in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, verklaar ik u, [naam van de bruidegom] en [naam van de bruid] man en vrouw, wettig gehuwd voor de duur van uw sterfelijke leven.’

[Alternatieve bewoording in het geval de geestelijk verzorger niet als presiderende kerkfunctionaris optreedt: ‘Krachtens het gezag dat bij mij berust als geestelijk verzorger in de [naam van de militaire tak of burgerlijke organisatie], verklaar ik u, [naam van de bruidegom] en [naam van de bruid] man en vrouw, wettig gehuwd voor de duur van uw sterfelijke leven.’

‘Moge God deze verbintenis zegenen met vreugde in uw nageslacht en een lang, gelukkig leven samen. Moge u met zijn zegen de geloften die u gedaan hebt, nakomen. Deze zegeningen smeek ik over u af in de naam van de Heer Jezus Christus. Amen.’

De uitnodiging elkaar als man en vrouw te kussen is optioneel en al naar gelang de culturele normen van het echtpaar dat net gehuwd is.

38.4

Tempelaanbevelingen verstrekken in specifieke situaties

De bisschop overlegt met zijn ringpresident als hij vragen over de verstrekking van tempelaanbevelingen heeft die niet in deze paragraaf worden beantwoord. De ringpresident kan zijn vragen aan het kantoor van het Eerste Presidium voorleggen.

38.4.1

Wie zich hebben laten herdopen en herbevestigen na intrekking of opzegging van hun lidmaatschap

Leden die hun begiftiging niet hadden ontvangen. Na hun doop en bevestiging mogen deze leden een aanbeveling voor beperkte toegang krijgen om zich voor de doden te laten dopen en bevestigen, zoals uitgelegd in 26.4.2. Dit gebeurt meestal binnen een week nadat ze zijn bevestigd. Broeders moeten tot een ambt in het priesterschap zijn geordend voordat hun een aanbeveling voor beperkte toegang wordt verstrekt.

Deze leden mogen pas een jaar na hun wederopneming in de kerk door doop en bevestiging een tempelaanbeveling voor hun eigen begiftiging ontvangen.

Leden die hun begiftiging eerder hadden ontvangen. Deze leden kunnen pas een tempelaanbeveling, inclusief die voor beperkte toegang, ontvangen als zij hun tempelzegeningen hebben teruggekregen door middel van de verordening van teruggave van zegeningen (zie 32.17.2).

38.4.2

Wie een ernstige zonde heeft begaan

Een lid dat een ernstige zonde heeft begaan, krijgt pas weer een tempelaanbeveling als hij of zij zich heeft bekeerd. De bisschop bepaalt de wachtperiode tussen de zonde en de verstrekking van de aanbeveling. Die periode moet lang genoeg zijn om te kunnen vaststellen of de betrokkene zich oprecht heeft bekeerd.

38.4.3

Wie zich als transgender beschouwt

Een lid dat op eigen initiatief een medische of chirurgische ingreep heeft ondergaan om van geboortegeslacht te veranderen (een ‘geslachtsoperatie’ of ‘geslachtsverandering’), of zich volledig als iemand van het andere geslacht gedraagt, mag geen tempelaanbeveling ontvangen. Gebiedspresidiums helpen plaatselijke leiders om persoonlijke situaties met tact aan te pakken (zie 38.6.21).

Een lid dat worstelt met genderidentiteit, maar geen medische of chirurgische ingreep nastreeft om van geboortegeslacht te veranderen, zich niet als iemand van het andere geslacht gedraagt en de kerknormen naleeft, komt voor een tempelaanbeveling en tempelverordeningen in aanmerking.

38.4.4

Wie naaste verwanten in afvallige groeperingen heeft

Leden ontvangen een tempelaanbeveling op grond van hun eigen getrouwheid. Sommige leden hebben ouders of andere naaste verwanten die tot een afvallige groepering behoren. Dat staat de tempelwaardigheid van het betreffende lid op zich niet in de weg. Deze leden moeten voordat een tempelaanbeveling wordt verstrekt, wel bevestigen dat ze niet met de leringen van afvallige groeperingen instemmen.

38.5

Beleid bij verzegelingen

Verordeningen ter verzegeling omvatten verbonden die gezinsleden voor eeuwig aan elkaar kunnen verbinden. Deze verordeningen zijn: (1) verzegeling van een man en vrouw, en (2) verzegeling van kinderen aan ouders.

Leden die bezorgd zijn over het eeuwige karakter van de verzegelverordening en de relaties die daar op familie- en huwelijksvlak bij horen, kunnen troost putten uit de wetenschap dat onze hemelse Vader liefdevol en rechtvaardig is. Trouwe kinderen die aan hun ouders zijn verzegeld of binnen het verbond zijn geboren, behouden de zegen dat ze ouders voor de eeuwigheid hebben. Dat geldt ook als de ouders hun huwelijksverzegeling annuleren, hun lidmaatschap wordt ingetrokken of ze hun lidmaatschap opzeggen.

Leden die gescheiden, maar nog steeds aan hun voormalige huwelijkspartner verzegeld zijn, maken zich vaak zorgen over die verzegeling. Die verzegeling zal in het nasterfelijk bestaan niet van de man of de vrouw worden afgedwongen. Als de tempelverbonden zijn verbroken en er geen bekering volgt, wordt de verzegeling tussen de man en vrouw herroepen. Wie echter hun verbonden naleven, behouden de persoonlijke zegeningen van de verzegeling. Dat geldt ook als de huwelijkspartner de verbonden heeft verbroken of zich uit het huwelijk heeft teruggetrokken.

Zodra annulering van de verzegeling door het Eerste Presidium is goedgekeurd, vervallen de individuele zegeningen met betrekking tot die verzegeling. Priesterschapsleiders drukken de leden die annulering van hun verzegeling willen, deze beginselen op het hart. Zij respecteren echter de keuzevrijheid van de leden bij deze beslissing.

De bisschop overlegt met zijn ringpresident als hij vragen over het beleid bij verzegelingen heeft die niet in deze paragraaf worden beantwoord. De ringpresident neemt contact op met het kantoor van het Eerste Presidium of de tempel in zijn tempeldistrict als hij advies nodig heeft over verzegelingskwesties die niet in deze instructies worden behandeld.

38.5.1

Verzegeling van man en vrouw

38.5.1.1

Verzegeling van in leven zijnde leden na burgerlijk huwelijk

Een man en vrouw die buiten de tempel gehuwd zijn en al minstens één jaar lid van de kerk zijn, kunnen in de tempel worden verzegeld als ze voorbereid en tempelwaardig zijn. Ze hoeven geen jaar na hun burgerlijk huwelijk te wachten en kunnen worden verzegeld zodra de omstandigheden dat toelaten.

De priesterschapsleider overtuigt zich ervan dat het huwelijk rechtsgeldig is vóór hij een aanbeveling voor verzegeling verstrekt.

38.5.1.2

Verzegeling van in leven zijnde leden na echtscheiding

Vrouwen. Een in leven zijnde vrouw kan maar aan één man worden verzegeld. Als zij is verzegeld aan een man, maar daar later van scheidt, moet het Eerste Presidium die verzegeling annuleren, voordat zij zich in dit leven aan een andere man kan laten verzegelen (zie 38.5.1.4).

Een levende vrouw die op dat moment ongehuwd is, mag aan haar overleden voormalige echtgenoot worden verzegeld, ook als ze waren gescheiden. Een levende vrouw die op dat moment gehuwd is, mag niet aan een overleden echtgenoot worden verzegeld als er geen goedkeuring van het Eerste Presidium is.

Mannen. Als een man en vrouw zijn verzegeld, maar later gescheiden, moet het Eerste Presidium voor de man eerst een verzegelingsfiattering afgeven, voordat er een andere vrouw aan hem verzegeld kan worden (zie 38.5.1.4). Fiattering van de verzegeling is noodzakelijk, zelfs als (1) de voorgaande verzegeling geannuleerd is of (2) de vrouw van wie hij is gescheiden, overleden is.

Fiattering van de verzegeling is noodzakelijk als de man is gescheiden van de vrouw die het recentst aan hem verzegeld is. Als een man bijvoorbeeld een fiattering van de verzegeling heeft ontvangen om na een scheiding van zijn eerste vrouw aan zijn tweede vrouw te worden verzegeld, en zij komt later te overlijden, heeft hij geen verzegelingsfiattering nodig om aan een derde vrouw verzegeld te worden.

38.5.1.3

Verzegeling van in leven zijnde leden na de dood van de huwelijkspartner

Vrouwen. Als een levende vrouw in de tempel aan een echtgenoot verzegeld is, kan zij niet aan haar tweede echtgenoot worden verzegeld, tenzij zij een annulering van de eerste verzegeling heeft ontvangen.

Mannen. Als een man en vrouw zijn verzegeld en de vrouw overlijdt, kan de man een andere vrouw aan zich laten verzegelen, mits zij aan niemand anders is verzegeld. In dat geval heeft hij geen verzegelingsfiattering van het Eerste Presidium nodig, tenzij hij was gescheiden van zijn voormalige echtgenote voordat ze stierf (zie 38.5.1.2 voor het beleid in geval van een echtscheiding).

Vóór een levende huwelijkspartner zich aan een overleden huwelijkspartner kan laten verzegelen, moet hij of zij schriftelijke toestemming hebben ontvangen van de weduwe of weduwnaar van de overleden huwelijkspartner (als die er is).

38.5.1.4

Verzoek tot verzegelingsannulering of verzegelingsfiattering

Als ze al aan een andere echtgenoot is verzegeld, moet een vrouw een annulering van die verzegeling van het Eerste Presidium krijgen voordat ze bij leven aan een andere man kan worden verzegeld. Een man die gescheiden is van een vrouw die aan hem verzegeld is, moet van het Eerste Presidium eerst een verzegelingsfiattering krijgen, voordat er een andere vrouw aan hem kan worden verzegeld (zie 38.5.1.2).

Wanneer de bisschop en ringpresident een verzegelingsannulering of een verzegelingsfiattering voorstellen, dienen zij daartoe op Hulpmiddelen leiders en administrateurs een verzoek aan het Eerste Presidium in. Leiders die geen toegang tot Hulpmiddelen leiders en administrateurs hebben, vragen bij het kantoor vertrouwelijke documenten op de hoofdzetel van de kerk een formulier Verzoek aan het Eerste Presidium aan. Leiders nemen geen contact op met het kantoor van het Eerste Presidium om het formulier aan te vragen. De instructies staan op het formulier.

De ringpresident vergewist zich ervan dat de scheiding definitief is alvorens het verzoek in te dienen. Hij gaat ook na of er aan alle wettelijke regelingen in verband met de echtscheiding, zoals alimentatie voor ex-partner en kinderen, wordt voldaan.

Als een lid een verzoek tot annulering of fiattering heeft ingediend, kan hij of zij pas een afspraak met de tempel maken voor een huwelijk of verzegeling na ontvangst van een brief van het Eerste Presidium waarin toestemming voor de annulering of fiattering wordt gegeven. De betrokkene overlegt die brief in de tempel.

38.5.1.5

Restrictie op een verzegeling in de tempel opheffen

Als iemand overspel pleegt terwijl hij of zij een tempelhuwelijk heeft, kan hij of zij niet verzegeld worden aan de persoon met wie overspel is gepleegd, tenzij de verzegeling wordt goedgekeurd door de president van de kerk. Die goedkeuring kan pas worden aangevraagd als het paar minstens vijf jaar is getrouwd. Het paar kan dit tegelijk met een verzoek om verzegelingsannulering of verzegelingsfiattering aanvragen.

Een echtpaar dat de opheffing van een verzegelingsrestrictie wenst, kan een gesprek aanvragen met hun bisschop en ringpresident. Als deze leiders van mening zijn dat opheffing van de restrictie aanbevolen kan worden, schrijven ze een brief aan het Eerste Presidium waarin zij hun aanbeveling samenvatten en aangeven of de verzoekers zich de afgelopen vijf jaar hebben gehouden aan de kerknormen en of hun huwelijk in die periode stabiel was. Het echtpaar schrijft ook een brief aan het Eerste Presidium waarin zij hun verzoek kenbaar maken. De ringpresident stuurt al deze brieven aan het Eerste Presidium.

38.5.1.6

Verzegeling na een tempelhuwelijk voor dit leven

Een echtpaar dat in de tempel voor dit leven is gehuwd, wordt later doorgaans niet verzegeld. Vóór zo’n verzegeling kan plaatsvinden, moet het Eerste Presidium eerst de annulering van de vorige verzegeling van de vrouw goedkeuren. Een dergelijk verzoek wordt alleen onder uitzonderlijke omstandigheden in behandeling genomen. Als de bisschop en ringpresident van mening zijn dat een annulering gerechtvaardigd is, dienen zij daartoe via Hulpmiddelen leiders en administrateurs een verzoek aan het Eerste Presidium in.

38.5.1.7

Verzegeling van overleden leden

Overleden vrouwen. Een overleden vrouw kan worden verzegeld aan alle mannen met wie zij tijdens haar leven wettig was gehuwd. Als zij echter tijdens haar leven aan een van hen is verzegeld, moeten alle echtgenoten overleden zijn, voordat zij kan worden verzegeld aan andere mannen met wie zij was getrouwd. Dit geldt ook voor voormalige echtgenoten van wie ze is gescheiden.

Overleden mannen. Alle vrouwen met wie een overleden man tijdens zijn leven wettig gehuwd is geweest, kunnen aan hem verzegeld worden als ze overleden zijn of als ze in leven zijn en niet aan een andere man verzegeld zijn.

Overleden gescheiden echtparen. Overleden gescheiden echtparen kunnen plaatsvervangend aan elkaar worden verzegeld. Die verzegeling is vaak de enige manier voor de kinderen van dergelijke echtparen om zich aan hun ouders te laten verzegelen. Zie 28.3.8 voor een restrictie als het lidmaatschap van de man of vrouw bij leven was ingetrokken of opgezegd. Het Eerste Presidium dient goedkeuring te geven voor de verzegeling van een overleden echtpaar dat hun verzegeling bij leven heeft laten annuleren.

38.5.1.8

Gevolgen van intrekking of opzegging van lidmaatschap

Als een man en vrouw in de tempel zijn verzegeld, en het lidmaatschap van een van hen wordt ingetrokken of opgezegd, dan worden zijn of haar tempelzegeningen ook ingetrokken. De zegeningen van de verzegeling voor de huwelijkspartner en kinderen blijven echter wel van kracht als ze de kerknormen naleven.

Kinderen die na intrekking of opzegging van het lidmaatschap van een van de ouders worden geboren, zijn niet in het verbond geboren. Zie 38.5.2.8.

38.5.2

Verzegeling van kinderen aan ouders

38.5.2.1

Kinderen die in het verbond zijn geboren

Kinderen die na de tempelverzegeling van hun ouders worden geboren, worden in het verbond van die verzegeling geboren. Ze hoeven zich niet aan hun ouders te laten verzegelen. In het verbond geboren worden, geeft de kinderen recht op ouders in de eeuwigheid, op voorwaarde van getrouwheid.

Als een vrouw die hertrouwt, al aan een man verzegeld is, worden de kinderen uit haar tweede huwelijk geboren in het verbond van haar eerste verzegeling, tenzij zij worden geboren na de annulering van die verzegeling of na herroeping ervan wegens lidmaatschapsintrekking of -opzegging.

38.5.2.2

Kinderen die niet in het verbond zijn geboren

Kinderen die niet in het verbond zijn geboren, kunnen deel gaan uitmaken van een eeuwig gezin door zich te laten verzegelen aan hun biologische of adoptieouders. Voor die kinderen gelden dezelfde beloften als voor hen die in het verbond worden geboren.

Een kind wordt verzegeld aan twee ouders – man en vrouw – en niet aan slechts één ouder.

Jongens die 12 jaar of ouder worden in het jaar dat de verzegeling plaatsvindt, moeten het priesterschap dragen en tot het juiste ambt voor hun leeftijd geordend zijn, voordat zij aan hun ouders verzegeld kunnen worden. Getrouwde leden, of leden die 21 jaar of ouder zijn, kunnen pas aan hun ouders worden verzegeld als ze zelf begiftigd zijn.

Een overledene wordt meestal aan zijn of haar biologische of adoptieouders verzegeld. Een overleden kind kan echter ook verzegeld worden aan:

  • Een biologische vader en stiefmoeder.

  • Een biologische moeder en stiefvader.

  • Pleeg- of grootouders die het kind hebben opgevoed.

  • Een echtpaar dat het kind wilde adopteren, maar de procedure niet kon afronden voordat het kind kwam te overlijden.

Deze verzegelingen mogen verricht worden, zelfs als het overleden kind al aan zijn of haar biologische of adoptieouders verzegeld was. Goedkeuring van het Eerste Presidium is niet vereist. Voor verzegeling aan niet-biologische of niet-adoptieouders in andere omstandigheden dan de genoemde is toestemming van het Eerste Presidium nodig.

38.5.2.3

Verzegeling van in leven zijnde broers en zussen bijwonen

Om de verzegeling van hun in leven zijnde (stief/half)broers en -zussen aan hun ouders bij te wonen, moeten kinderen jonger dan 21 jaar in het verbond zijn geboren of aan hun ouders zijn verzegeld. Bovendien moeten kinderen van minstens 8 jaar gedoopt en bevestigd zijn, en jongens die 12 jaar of ouder worden in het jaar dat de verzegeling plaatsvindt, moeten het priesterschap dragen en tot het juiste ambt voor hun leeftijd geordend zijn.

Leden die getrouwd zijn, of 21 jaar of ouder zijn, moeten zijn begiftigd om de verzegeling bij te wonen.

38.5.2.4

In leven zijnde adoptie- of pleegkinderen

In leven zijnde kinderen die in het verbond zijn geboren of aan hun ouders zijn verzegeld, kunnen niet aan andere ouders worden verzegeld, tenzij het Eerste Presidium daar goedkeuring voor geeft.

In leven zijnde wettelijk geadopteerde kinderen die niet in het verbond zijn geboren noch aan de vorige ouders zijn verzegeld, kunnen na afronding van de adoptie aan hun adoptieouders worden verzegeld. In de tempel moet een kopie van de definitieve adoptietoewijzing worden overhandigd; een gerechtelijke voogdijtoewijzing is niet voldoende om een verzegeling te kunnen verrichten. Men hoeft de biologische ouders van die kinderen niet te achterhalen.

Er is goedkeuring van het Eerste Presidium nodig als een in leven zijnd lid zich aan zijn pleegouders wil laten verzegelen. Die voorwaarde geldt evenzeer als de biologische ouders van het pleegkind onbekend zijn en niet kunnen worden achterhaald, ondanks pogingen daartoe. Dergelijke verzoeken worden gedaan door de ringpresident.

38.5.2.5

Overleden adoptie- of pleegkinderen

Een overleden geadopteerd persoon wordt meestal aan zijn of haar adoptieouders verzegeld.

Een overleden pleegkind wordt meestal aan zijn of haar biologische ouders verzegeld.

38.5.2.6

Verzegeling van in leven zijnde kinderen aan een biologische ouder en een stiefouder

Een in leven zijnd ongehuwd kind onder 21 jaar dat niet in het verbond is geboren of eerder is verzegeld, en dat niet is geadopteerd, kan aan een biologische ouder en een stiefouder worden verzegeld als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

  1. De biologische ouder aan wie het kind zal worden verzegeld, heeft het wettige gezag over het kind en neemt het grootste deel van de dagelijkse voogdij van het kind voor zijn of haar rekening.

  2. De andere biologische ouder heeft schriftelijk toestemming gegeven. Een gerechtelijke voogdijtoewijzing is niet voldoende voor fiattering van een verzegeling. De toestemmingsbrief moet bewoordingen als de volgende bevatten: ‘Ik, [naam van de biologische ouder], geef toestemming voor [naam van kind of de kinderen] om in de tempel aan [naam van ouders] verzegeld te worden. Ik begrijp dat de verzegeling een kerkelijke ceremonie is en geen juridische implicaties heeft.’ Die brief moet vóór de verzegeling in de tempel worden overhandigd.

Als de andere biologische ouder overleden is of als zijn of haar ouderlijke rechten wettelijk volledig zijn ingetrokken, is er geen toestemming nodig.

Als de andere biologische ouder wordt vermist, en als serieuze zoekacties zonder resultaat zijn gebleven, is er geen toestemming nodig. In dit geval schrijft de bisschop of ringpresident een brief waarin staat dat serieuze zoekacties om de vermiste ouder te vinden zonder resultaat gebleven zijn. Die brief moet vóór de verzegeling in de tempel worden overhandigd.

Een in leven zijnd begiftigd lid dat 21 jaar of ouder is of gehuwd en niet in het verbond geboren is en niet aan ouders verzegeld is, kan verzegeld worden aan een biologische ouder en een stiefouder.

38.5.2.7

Kinderen verwekt door kunstmatige inseminatie of reageerbuisbevruchting

Kinderen die zijn verwekt door kunstmatige inseminatie of reageerbuisbevruchting worden in het verbond geboren als hun ouders zijn verzegeld. Als de kinderen worden geboren voordat hun ouders aan elkaar zijn verzegeld, kunnen ze aan hun ouders worden verzegeld wanneer die zich aan elkaar hebben laten verzegelen.

Als een kind is geboren uit een draagmoeder, verwijst de ringpresident de kwestie door naar het kantoor van het Eerste Presidium.

38.5.2.8

Status van kinderen als een verzegeling wordt geannuleerd of ingetrokken

De verzegeling van kinderen die in het verbond zijn geboren of later aan hun ouders zijn verzegeld, blijft van kracht, zelfs als de verzegeling van de ouders nadien wordt (1) geannuleerd, of (2) ingetrokken na lidmaatschapsintrekking of -opzegging van een van de ouders. Kinderen die geboren worden als de verzegeling van hun ouders al is geannuleerd of ingetrokken, worden niet in het verbond geboren. Die kinderen moeten aan hun ouders verzegeld worden als de tempelzegeningen aan de ouders worden teruggegeven (indien van toepassing) en elk ander obstakel is verwijderd.

38.6

Beleid inzake morele kwesties

Opmerking: een deel van de inhoud van deze paragraaf wordt in de toekomst mogelijk nog gewijzigd.

38.6.2

Mishandeling en misbruik

38.6.2.6

Ring- of wijkraad

Ringpresidiums en bisschappen nemen in ring- of wijkraden geregeld het kerkbeleid en de kerkrichtlijnen inzake het voorkomen van en handelen bij misbruik en mishandeling door. Ze behandelen de inhoud van ‘Preventing and Responding to Abuse’, een bijlage bij de brief van het Eerste Presidium van 26 maart 2018. Ze betrekken de raadsleden bij de bespreking. Leidinggevenden en raadsleden streven naar de leiding van de Geest wanneer zij dit gevoelige onderwerp behandelen en samen bespreken.

Raadsleden volgen en bespreken de cursus ‘Kinderen en jongeren beschermen’. Raadsleden moeten de training Kinderen en jongeren beschermen ook voltooien (zie 38.6.2).

38.6.3

Kunstmatige inseminatie

De kerk raadt kunstmatige inseminatie met zaad dat niet van de echtgenoot is, ten sterkste af. Het is echter een persoonlijke zaak die uiteindelijk aan de man en vrouw zelf overgelaten moet worden.

Kunstmatige inseminatie van alleenstaande zusters wordt niet goedgekeurd. Alleenstaande zusters die dat wel doen, wordt mogelijk restricties op sommige lidmaatschapsprivileges opgelegd.

38.6.4

Geboortebeperking

Het is het voorrecht van gehuwde paren die kinderen kunnen krijgen om een lichaam te verschaffen aan de geestkinderen van God. Het is vervolgens hun verantwoordelijkheid om hen te verzorgen en op te voeden. De keuze van het aantal kinderen en het tijdstip van de gezinsuitbreiding is uitermate persoonlijk. Die kwestie moet aan het echtpaar in overleg met de Heer worden overgelaten. De leden van de kerk oordelen elkaar niet in deze aangelegenheid.

De seksuele omgang tussen man en vrouw is bedoeld om mooi en heilig zijn. Die omgang is door God ingesteld om kinderen te verwekken en om de liefde tussen man en vrouw tot uiting te brengen.

38.6.7

Vrouwelijke genitale verminking

De kerk veroordeelt vrouwelijke genitale verminking. [Nadere richtlijnen volgen.]

38.6.9

Reageerbuisbevruchting

De kerk raadt reageerbuisbevruchting met zaad dat niet van de man, of een eicel die niet van de vrouw is, ten sterkste af. Het is echter een persoonlijke zaak die uiteindelijk aan de man en vrouw zelf overgelaten moet worden.

38.6.10

Occulte praktijken

Leden van de kerk moeten zich niet inlaten met welke vorm van satanisme dan ook of zich op welke manier dan ook bezighouden met het occulte. ‘Dergelijke activiteiten behoren tot de duistere werken waarvan in de Schriften wordt gesproken. Zij zijn erop gericht het geloof in Christus te vernietigen en brengen het heil in gevaar van hen die dit kwaad willens en wetens propageren. Deze zaken moeten niet in spelletjes aan de orde komen, onderwerp van gesprek in kerkbijeenkomsten zijn of in gesprekken onderling diepgaand besproken worden.’ (Brief van het Eerste Presidium, 18 september 1991.)

38.6.12

Aantrekking tot hetzelfde geslacht en gedrag

De kerk spoort gezinnen en leden aan zich met begrip, liefde en respect op te stellen jegens personen die zich tot anderen van hetzelfde geslacht voelen aangetrokken. De kerk bevordert ook het begrip in de samenleving in het algemeen met haar nadruk op vriendelijkheid, inclusie, liefde voor anderen en respect voor alle mensen. De kerk neemt geen standpunt in over de oorzaken van gevoelens voor hetzelfde geslacht.

Gods geboden verbieden iedere vorm van onkuis gedrag, of die nu homoseksueel of heteroseksueel van aard zijn. Kerkleiders geven persoonlijke begeleiding aan leden die de wet van kuisheid hebben overtreden. Leiders helpen ze om tot een goed begrip van het geloof in Jezus Christus en zijn verzoening, het bekeringsproces en het doel van het leven te komen. Gedrag dat tegen de wet van kuisheid indruist, kan reden zijn om een kerklidmaatschapsraad te houden (zie 38.6.5). Vergeving van dergelijk gedrag is mogelijk als men zich oprecht bekeert.

Als leden zich aangetrokken voelen tot anderen van hetzelfde geslacht en ernaar streven om de wet van kuisheid na te leven, steunen en bemoedigen leidinggevenden hen in hun voornemen. Die leden mogen een kerkroeping krijgen, een tempelaanbeveling bezitten en tempelverordeningen ontvangen mits ze de kerknormen naleven. Mannelijke leden mogen het priesterschap ontvangen en uitoefenen.

Door omstandigheden wordt sommige kerkleden de zegeningen van een eeuwig huwelijk en ouderschap in dit leven onthouden. Zij zullen alle beloofde zegeningen in de eeuwigheid ontvangen als ze de verbonden nakomen die ze met God hebben gesloten (zie Mosiah 2:41).

De kerk biedt de volgende informatiebronnen om mensen die met aantrekking tot hetzelfde geslacht te maken hebben beter te begrijpen en te steunen:

  • Same-Sex Attraction’, Gospel Topics, topics.ChurchofJesusChrist.org

  • Same-Sex Attraction’, Life Help, ChurchofJesusChrist.org

Naast de geïnspireerde hulp van hun kerkleiders kunnen leden baat bij therapeutische hulp hebben. Leiders kunnen voor hulp contact opnemen met gezinsondersteunende diensten. Zie 38.6.2.2 voor contactgegevens.

38.6.13

Het homohuwelijk

Als leerstellig beginsel, gebaseerd op de Schriften, bevestigt de kerk dat het huwelijk tussen man en vrouw van essentieel belang is voor Gods plan voor de eeuwige bestemming van zijn kinderen. De kerk bevestigt ook dat Gods wet het huwelijk definieert als een wettige verbintenis tussen een man en een vrouw.

Seksuele omgang is alleen toegestaan tussen een man en een vrouw die wettig met elkaar gehuwd zijn. Elke andere seksuele omgang, met inbegrip van die tussen personen van hetzelfde geslacht, is zondig en ondermijnt het door God ingestelde instituut van het gezin.

38.6.14

Seksuele voorlichting

In eerste instantie zijn de ouders verantwoordelijk voor de seksuele voorlichting van hun kinderen. Als dit onderwerp thuis openlijk en duidelijk besproken wordt, stelt dat de jonge mensen mede in staat ernstige zedelijke zonden te voorkomen.

Als de school seksuele voorlichting geeft, letten de ouders er goed op dat de informatie die aan hun kinderen gegeven wordt, overeenstemt met hoogstaande morele en ethische waarden.

38.6.16

Ongehuwde aanstaande ouders

Leden van de kerk die ongehuwd zwanger zijn, wordt aangeraden een gesprek met hun bisschop te hebben. Gezinsondersteunende diensten zijn beschikbaar voor:

  • Advies aan kerkleiders.

  • Hulp en advies aan ongehuwde aanstaande ouders en hun familie.

Er is voor deze diensten geen verwijzing van de bisschop nodig. Er zijn ook geen kosten aan verbonden.

Leiders kunnen voor hulp contact opnemen met gezinsondersteunende diensten. Zie 38.6.2.2 voor contactgegevens.

Op ‘Unwed Pregnancy’ (Gospel Topics, topics.ChurchofJesusChrist.org) staan ook richtlijnen voor persoonlijke begeleiding aan ongehuwde aanstaande ouders.

38.6.17

Spermadonatie

De kerk raadt spermadonatie ten sterkste af.

38.6.18

Zelfmoord

Het sterfelijk leven is een kostbare gave van God en het is verkeerd om zichzelf van het leven te beroven. Iemand die dat toch doet, is mogelijk niet verantwoordelijk voor zijn of haar daad. Alleen God kan de situatie volledig begrijpen en beoordelen. De kerk is een groot voorstander van zelfmoordpreventie en moedigt medeleven aan voor mensen die met zelfmoord te maken krijgen.

Leidinggevenden adviseren en troosten de familieleden van iemand die zelfmoord heeft gepleegd. De familie stelt in overleg met de bisschop de plaats en vorm vast van de uitvaartdienst van de betrokkene. Er mag van het kerkgebouw gebruik gemaakt worden. Als iemand begiftigd was, mag hij of zij in tempelkleding begraven worden.

De bisschop praat met een lid dat ernstig overweegt om zelfmoord te plegen of daar een poging toe heeft gedaan. Hij raadt de betrokkene ook aan om professionele hulp te zoeken.

Zie suicide.ChurchofJesusChrist.org voor informatie over zelfmoord voorkomen en bediening.

38.6.19

Operatieve sterilisatie (ook onderbreking van de zaadleider)

De kerk raadt operatieve sterilisatie als vorm van vrijwillige geboortebeperking sterk af. Operatieve sterilisatie moet alleen overwogen worden als (1) het leven of de gezondheid ernstig bedreigd wordt of (2) iemand ontoerekeningsvatbaar en niet verantwoordelijk voor zijn of haar daden is.

Een dergelijke toestand moet vastgesteld worden door een bevoegd medicus en in overeenstemming zijn met de wetten van het land. Dan nog wordt de beslissing pas genomen na overleg tussen de verantwoordelijke personen onderling en met hun bisschop, en na een bevestiging van de Geest door gebed.

38.6.20

Draagmoederschap

De kerk raadt het draagmoederschap ten stelligste af. Het is echter een persoonlijke zaak die uiteindelijk aan de man en vrouw zelf overgelaten moet worden.

38.7

Beleid inzake medische en gezondheidskwesties

Opmerking: een deel van de inhoud van deze paragraaf wordt in de toekomst mogelijk nog gewijzigd.

38.7.1

Autopsie

Autopsie is toegestaan als de familie van de overledene toestemming geeft en die volgens de wettelijke richtlijnen verricht wordt.

38.7.2

Crematie

De kerk is doorgaans geen voorstander van crematie. De familie van de overledene bepaalt of het lichaam al of niet gecremeerd wordt, met inachtneming van de wetten van het land. In sommige landen is crematie verplicht.

Waar mogelijk wordt het lichaam van een overleden begiftigd lid voor de crematie in tempelkleding gekleed. Er kan een uitvaartdienst worden gehouden (zie 29.6).

38.7.3

Euthanasie

Euthanasie wordt omschreven als de opzettelijke beëindiging van het leven van patiënten die ongeneeslijk ziek zijn of ondraaglijk lijden. Iemand die actieve euthanasie toepast, of iemand bij zelfmoord helpt, overtreedt de geboden van God. (Zie ook 38.7.9.)

38.7.4

Mensen met hiv of aids

Leden die besmet zijn met het hiv-virus (Human Immunodeficiency Virus [de Nederlandse term is humaan immuundeficiëntievirus]) of die aids (Acquired Immune Deficiency Syndrome [de Nederlandse term is verworven immuundeficiëntiesyndroom]) hebben, worden met respect en medeleven bejegend. Sommige mensen met hiv zijn het onschuldige slachtoffer van de daden van anderen. Zij kunnen bijvoorbeeld besmet zijn geraakt door een onzorgvuldige bloedtransfusie of een besmette ouder. Als de besmetting het gevolg is van een overtreding van Gods wetten, staat de kerk het voorbeeld van de Heer voor, die de zonde veroordeelde, maar de zondaar liefhad en aanmoedigde tot bekering. Kerkleden bieden op vriendelijke wijze hulp. Zij troosten de bezochten, voorzien in hun behoeften en staan hen bij met de problemen die ze hebben.

De beste bescherming tegen hiv en aids is kuisheid vóór het huwelijk, volledige huwelijkstrouw, onthouding van relaties met anderen van hetzelfde geslacht, vermijding van druggebruik, en eerbied en zorg voor het lichaam.

Mensen met hiv of aids die de kerkbijeenkomsten bijwonen, vormen geen ernstig gevaar voor de gezondheid van anderen. Gezondheidsorganisaties bevestigen dat hiv niet kan worden overgebracht door terloops contact thuis, op school, in de kerk of op het werk.

Wie incidenteel bloed moeten opruimen of betrokken zijn bij eerste hulp, moeten vertrouwd raken met, en zich houden aan, de richtlijnen van de plaatselijke gezondheidsdienst.

38.7.5

Hypnose

Het gebruik van hypnose onder bevoegd, professioneel, medisch toezicht bij de behandeling van een ziekte of geestelijke aandoening is een medische kwestie ter beoordeling door de bevoegde medische instantie. Leden moeten niet meedoen aan hypnose met demonstratie of amusement tot doel.

38.7.6

Personen wier geslacht bij de geboorte niet duidelijk is

In zeer zeldzame omstandigheden wordt een baby geboren met genitaliën die niet duidelijk mannelijk of vrouwelijk zijn (ambigue genitaliën, seksuele ambiguïteit of interseksualiteit). Ouders of anderen moeten wellicht beslissingen nemen om het geslacht van hun kind te bepalen onder begeleiding van bekwame medici. Beslissingen over een medische of chirurgische ingreep worden vaak in de periode na de geboorte genomen. Men kan er echter ook mee wachten, tenzij ze medisch noodzakelijk zijn.

Medeleven en wijsheid zijn zeker op hun plaats voor jongeren of volwassenen die met seksuele ambiguïteit zijn geboren en later emotioneel moeite hebben met de beslissingen die in hun jonge jaren zijn genomen en zich eerder van het andere geslacht beschouwen.

Vragen over lidmaatschapskaarten, priesterschapsordening en tempelverordeningen voor jongeren of volwassenen die met seksuele ambiguïteit zijn geboren, worden aan het kantoor van het Eerste Presidium gericht.

38.7.7

Medische en gezondheidsbehandelingen

De leden moeten niet kiezen voor een medische of gezondheidsbehandeling die ethisch of wettelijk twijfelachtig is. Plaatselijke leiders adviseren leden met gezondheidsproblemen om deskundige medici te raadplegen die in hun land bevoegd zijn.

38.7.8

Donatie en transplantatie van organen en weefsel

De donatie van organen en weefsels is een onbaatzuchtige daad waar mensen met een levensbedreigende ziekte vaak zeer mee geholpen zijn. Het ter beschikking stellen van eigen organen of weefsel om medische redenen of toestemming geven voor de transplantatie van organen of weefsel van een overleden familielid is een zaak die door de persoon zelf of de familie van de overledene moet worden uitgemaakt.

Een besluit om een ter beschikking gesteld orgaan te aanvaarden, moet pas genomen worden na overleg met een bevoegd medicus en na bevestiging in gebed.

38.7.9

Rekken van het leven

Als iemand ernstig ziek wordt, moeten de leden geloof in de Heer oefenen en deskundige medische hulp inroepen. Maar als sterven onvermijdelijk is, moet de dood gezien worden als een zegen en een zinvol onderdeel van het eeuwige bestaan. Leden moeten zich niet verplicht voelen om het sterfelijke leven onredelijk lang te rekken. Na professioneel advies van een competent medicus en na door vasten en gebed goddelijke leiding te hebben gezocht, ligt de beslissing bij de familie.

38.7.10

Cursussen zelfbewustzijn

Veel particuliere groepen en commerciële instellingen bieden cursussen aan die naar zeggen het zelfbewustzijn, het gevoel van eigenwaarde en de spiritualiteit zullen doen toenemen. Sommige instellingen beloven de autonomie van het individu of de gezinsrelaties te verbeteren. Sommige bieden ‘ervaringstraining’ of ‘bezielingstraining’ aan.

Sommige groepen beweren of impliceren ten onrechte dat ze de goedkeuring van de kerk of van zekere algemene autoriteiten hebben. De kerk hecht haar goedkeuring echter aan geen van deze initiatieven en raadt haar leden aan geen waarde te hechten aan zulke beweringen. Het feit dat de kerk dergelijke initiatieven niet formeel betwist, wil niet zeggen dat de kerk daar stilzwijgend haar goedkeuring aan verbindt.

De leden worden er ook op geattendeerd dat bij sommige cursussen wordt uitgegaan van ideeën en methoden die schadelijk kunnen zijn. Voor veel van dergelijke cursussen worden bovendien hoge bedragen in rekening gebracht en moeten cliënten zich voor lange tijd vastleggen. Sommige mengen wereldlijke denkbeelden en evangelie op dusdanige wijze dat het de spiritualiteit en het geloof kan ondermijnen.

Die groepen beloven een snelle oplossing voor problemen die normaliter tijd en persoonlijke inspanning vergen. Hoewel de deelnemers zich voor een tijdje emotioneel verlicht of voldaan kunnen voelen, komen de oude problemen vaak terug, wat weer leidt tot meer teleurstelling en wanhoop.

Kerkleiders betalen niet voor dergelijke cursussen of activiteiten, noch moedigen zij deelname aan of propageren dat. Ook is het niet toegestaan het kerkgebouw te gebruiken voor die activiteiten.

Leiders maken leden duidelijk dat ware zelfverbetering het gevolg is van naleving van de evangeliebeginselen. De leden die kampen met sociale of emotionele problemen kunnen hun priesterschapsleiders vragen of zij bekend zijn met hulpverlening die in harmonie met de evangeliebeginselen is.

38.7.11

Doodgeboren kinderen

Voor doodgeboren kinderen worden geen tempelverordeningen verricht. Dat hoeft echter niet te betekenen dat een doodgeboren kindje in de eeuwigheid geen deel uitmaakt van het gezin. De ouders worden aangemoedigd om hun vertrouwen in de Heer te stellen, die weet wat in zulke gevallen het beste is. Het gezin mag de naam van een doodgeboren kind op de gezinslijst vermelden, met daarachter het woord doodgeboren tussen haakjes.

Of er een dienst wordt gehouden in de kerk of bij het graf is aan de ouders.

Het staat vast dat een kind leeft vóór de geboorte. De openbaringen vermelden echter niet wanneer de geest zijn intrede in het lichaam doet.

38.7.12

Woord van wijsheid

De enige officiële interpretatie van ‘hete dranken’ in het woord van wijsheid (Leer en Verbonden 89:9) is de uitspraak van vroegere kerkleiders dat dit op koffie en thee slaat.

De leden moeten geen drugs gebruiken. Ook nemen zij geen schadelijke of verslavende middelen tot zich, tenzij voorgeschreven door en onder toezicht van een deskundig arts.

38.8

Bestuurlijk beleid

38.8.1

Voorkoming en afhandeling van ongelukken

Zie 20.6.20.

38.8.2

Richtlijnen voor activiteiten

Zie 20.6.

38.8.3

Geadopteerde kinderen en hun biologische ouders

Vragen over de uitwisseling van informatie en contact tussen geadopteerde kinderen en hun biologische ouders behoren zorgvuldig behandeld te worden. De wettelijke rechten en emotionele noden van alle betrokken partijen dienen behartigd te worden.

In de Verenigde Staten en Canada nemen ringpresidenten en bisschoppen voor advies contact met Family Services op:

+1 801 240 1711

+1 800 453 3860, toestel 2-1711

FamilyServices.ChurchofJesusChrist.org

In andere landen nemen leidinggevenden contact op met de persoon verantwoordelijk voor de gezinsondersteunende diensten van het gebiedskantoor.

38.8.4

Adoptie en pleegouderschap

Leden die kinderen willen adopteren of pleegouder willen worden, moeten zich aan alle toepasselijke wetten van de betrokken landen en overheden houden.

Zie 38.6.16 voor informatie over adoptiekinderen.

38.8.5

Audiovisueel materiaal

Leden kunnen in de kerk onder de volgende voorwaarden van audiovisueel materiaal zoals cd’s, dvd’s en computerpresentaties gebruikmaken:

  • Het is niet toegestaan het materiaal in de avondmaalsdienst of de algemene bijeenkomst van de ringconferentie te gebruiken (er kan echter wel worden gebruikgemaakt van op een geluidsdrager vastgelegde muzikale begeleiding als er geen piano of orgel beschikbaar is of als er niemand is die kan spelen).

  • Het is niet toegestaan het materiaal te gebruiken als het auteursrecht dat verbiedt (zie 38.8.13).

  • Het is niet toegestaan het materiaal te gebruiken als het niet gepast is voor kerkbijeenkomsten.

Audiovisueel materiaal dat aan deze voorwaarden voldoet, mag tijdens andere zondagse bijeenkomsten dan de avondmaalsdienst of de algemene bijeenkomst van de ringconferentie in de kapel gebruikt worden als het een wezenlijk onderdeel van de bijeenkomst vormt.

38.8.6

Handtekeningen en foto’s van algemene autoriteiten en gebiedszeventigers

Leden dienen geen handtekening te vragen aan algemene autoriteiten of gebiedszeventigers, voor bijvoorbeeld hun Schriften, zangboek of programmaboekje. Dat doet af aan de heilige roeping van de autoriteiten en aan de geest van de bijeenkomst. Ook ontneemt het hun de kans om andere leden te begroeten.

Het is evenmin toegestaan om in de kapel foto’s te nemen van algemene autoriteiten en gebiedszeventigers.

38.8.7

Bijbel

Engelstalige leden behoren de door de kerk uitgebrachte uitgave van de King James Bible te gebruiken. Die uitgave bevat een thematisch register, voetnoten, andere studiewijzers, passages uit de Joseph Smith Translation, en verwijzingen naar andere teksten in de Bijbel en het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden en de Parel van grote waarde. Hoewel andere versies van de Bijbel makkelijker leesbaar kunnen zijn, staven de hedendaagse openbaringen in leerstellige zaken de King James Bible boven andere vertalingen in het Engels.

Spaanstalige leden behoren de door de kerk uitgebrachte uitgave van de Santa Biblia Reina Valera te gebruiken. Die uitgave bevat soortgelijke studiemiddelen als die in de Engelse uitgave van de kerk.

In veel andere talen heeft de kerk een bepaalde Bijbeluitgave goedgekeurd voor gebruik in kerkbijeenkomsten en lessen. De leden behoren die Bijbeluitgave te gebruiken.

De betrouwbaarste manier om de juistheid van een Bijbelvertaling te bepalen is niet om de verschillende bijbelteksten naast elkaar te leggen, maar door de tekst te toetsen aan het Boek van Mormon en de hedendaagse openbaringen.

Bij de distributiecentra van de kerk is de goedgekeurde uitgave van de Bijbel verkrijgbaar. Op scriptures.ChurchofJesusChrist.org staan de digitale tekst en audio-opnamen van de King James Bible en de Santa Biblia Reina Valera die de kerk heeft uitgegeven.

38.8.8

Boek van Mormon

De kerk ontraadt het herschrijven van het Boek van Mormon in de omgangstaal. Het Eerste Presidium heeft gezegd:

‘Als een heilige tekst in een andere taal wordt vertaald of in de omgangstaal wordt herschreven, is de kans groot dat er leerstellige fouten insluipen of dat de bewijzen van haar eeuwenoude oorsprong wegvallen. Om dat te voorkomen, zien het Eerste Presidium en de Raad der Twaalf nauw toe op de vertaling van de Schriften uit het Engels in andere talen en geven ze geen toestemming om de leerstellige inhoud van het Boek van Mormon in hedendaags Engels te hertalen. (Die terughoudendheid betreft niet de publicaties van de kerk voor kinderen.)’ (‘Modern-Language Editions of the Book of Mormon Discouraged’, Ensign, april 1993, 74.)

38.8.9

Werknemers van de kerk

De werknemers van de kerk houden zich te allen tijde aan de normen van de kerk. Om voor de kerk te werken, moet men een tempelaanbeveling waardig zijn. Dit geldt ook voor werknemers van de kerkelijke onderwijsinstellingen en de instituten voor hoger onderwijs van de kerk.

Periodiek neemt een vertegenwoordiger van de afdeling personeelszaken van de kerk contact op met ringpresidenten en bisschoppen om te informeren naar de tempelaanbevelingsstatus van huidige of potentiële werknemers. Zij doen dat schriftelijk of telefonisch. Leiders moeten daar direct op reageren.

De werknemers van de kerk houden zich aan de arbeidswetgeving. De hoofdzetel van de kerk of het gebiedskantoor kan informatie over de geldende wetten verschaffen.

38.8.10

Kerktijdschriften

Het Eerste Presidium moedigt de leden van de kerk aan de kerktijdschriften te lezen. De plaatselijke leiders moedigen de leden aan een abonnement op de kerktijdschriften te nemen. Deze tijdschriften bevatten de raad die de Heer ons bij monde van zijn hedendaagse profeten geeft. De kerktijdschriften sterken het geloof in de Heiland en bevatten geïnspireerde raad voor persoonlijke problemen.

De ringpresident en de bisschop mogen hun secretarissen opdragen om de abonneewerving op de kerktijdschriften te coördineren (zie 33.3.4 en 33.4.4). Bisschappen kunnen ook een tijdschriftenvertegenwoordiger van de wijk en assistenten roepen. Als er een tijdschriftenvertegenwoordiger is geroepen, geeft deze leiding aan wervingsacties voor de tijdschriften, is de leden behulpzaam bij het nemen of verlengen van hun abonnement, en leert de leden de voordelen van een abonnement op de kerktijdschriften.

Leden abonneren zich via het distributiecentrum op de kerktijdschriften. In sommige gebieden kunnen de leden zich via de website van de kerktijdschriften op een tijdschrift abonneren.

38.8.11

Naam en logo van de kerk

De naam en het logo van de kerk zijn belangrijke kenmerken van de kerk. Het zijn geregistreerde handelsmerken of ze zijn anderszins wettelijk beschermd. Ze worden alleen volgens de onderstaande richtlijnen gebruikt.

De units mogen de geschreven naam van de kerk (niet het logo) in hun publicaties afdrukken als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De activiteit of het programma waarmee de naam in verband wordt gebracht, vindt officieel onder auspiciën van de unit plaats (bijvoorbeeld het programma van een avondmaalsdienst).

  • De naam van de unit gaat vooraf aan de naam van de kerk (bijvoorbeeld, de wijk Duinzigt van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen).

  • Men maakt geen eigen versie van het officiële kerklogo.

Het officiële kerklogo (zie de voorkant van dit handboek) wordt alleen gebruikt voor artikelen die door de afdeling coördinatie op de hoofdzetel van de kerk zijn goedgekeurd. Voorbeelden van die artikelen zijn:

  • Officiële publicaties en briefpapier van de kerk

  • Naamplaatjes van zendelingen

  • Borden op kerkgebouwen

Het logo mag niet worden gebruikt als decoratief element, of als screensaver of achtergrond op een computer. Ook mag het niet gebruikt worden voor persoonlijke, commerciële of promotionele doeleinden, zoals op familiehistorische boeken, T-shirts, buttons of banieren. Vragen legt men voor aan:

Intellectual Property Office

50 East North Temple Street

Salt Lake City, UT 84150-0005, VS

Telefoon: +1 801 240 3959 of +1 800 453 3860, toestel 2-3959

Fax: +1 801 240 1187

E-mail: cor-intellectualproperty@ChurchofJesusChrist.org

38.8.12

Computers

De presiderende raden van de kerk hebben voor sommige units het gebruik van computers goedgekeurd, bijvoorbeeld voor administratie en familiegeschiedenis. De ringpresident ziet toe op de aanschaf en het gebruik van computers in de ring. De richtlijnen voor de aanschaf en het beheer van computers in de kerk zijn verkrijgbaar bij de hoofdzetel van de kerk of het gebiedskantoor. Deze richtlijnen verschaffen informatie over zaken zoals:

  • Hardware en software

  • Gedoneerde computers

  • Internetverbindingen

  • Reparaties

  • Computers van de hand doen

  • Gestolen of beschadigde computers

  • Beveiliging

  • Gebruik door leden

Zo nodig treft de ringpresident een regeling om de computers van ring en wijk toegankelijk te maken voor leden die familiegeschiedenis willen doen. Die computers van ring en wijk worden niet voor persoonlijke doeleinden gebruikt.

Ter beveiliging van vertrouwelijke informatie op computers, gebruiken leidinggevenden en administrateurs de wachtwoordbeveiliging op de administratieve computerprogramma’s van de kerk. Persoonlijke wachtwoorden voor toegang tot de financiële systemen van de kerk mogen nooit worden gedeeld. Aanvullende instructies voor het beschermen van vertrouwelijke informatie staan in 33.8 en 33.9.

De computers staan zo opgesteld dat de leden van de bisschap en de administrateurs de wekelijkse bijdragen van de leden discreet kunnen verwerken.

Zie 38.8.13 voor restricties op het kopiëren van computersoftware.

Het ringpresidium mag een assistent-ringadministrateur als technisch specialist van de ring aanwijzen. Zo nodig kan de ringadministrateur deze taak vervullen. De technisch specialist van de ring beheert de computers in de ring, inclusief de computers in de centra voor familiegeschiedenis. Die taken worden in 33.3.3.2 omschreven.

38.8.13

Auteursrechtelijk beschermd materiaal

De wet op creatieve werken en hun toegestane gebruik verschillen van land tot land. Het kerkbeleid dat in deze paragraaf aan de orde komt, is in lijn met internationale verdragen die in de meeste landen toepasbaar zijn. In deze paragraaf wordt met ‘auteursrecht’ de rechten van de maker bedoeld. Bepaalde rechten kunnen in sommige landen echter onder een andere naam bekendstaan.

Het auteursrecht houdt in dat de maker van een oorspronkelijk werk dat in een concrete vorm verschijnt, daarvoor wettelijke bescherming geniet. Dat kan zijn:

  • Een literair, muziek-, toneel- en choreografisch werk

  • Een fotografisch, kunst- of beeldhouwwerk

  • Een audio- of audiovisueel werk (zoals films, video’s, cd’s en dvd’s)

  • Computerprogramma’s of -spelletjes

  • Internet en andere gegevensbestanden

De leden van de kerk houden zich strikt aan het auteursrecht. Alleen de auteursrechthebbende kan doorgaans toestemming geven voor vermenigvuldiging (kopiëren), distributie, openbare uitvoering, openbaarmaking of het maken van afgeleide werken van hun werk. Gebruik maken van een werk in een van deze vormen zonder voorafgaande toestemming van de auteursrechthebbende is in strijd met het kerkbeleid en kan leiden tot gerechtelijke stappen tegen de kerk of de gebruiker.

Een gebruiker van een werk moet ervan uitgaan dat het werk auteursrechtelijk beschermd is. Gepubliceerde werken bevatten doorgaans een copyrightvermelding, zoals ‘© 1959 by A. Noniem.’ (Voor geluidsopnamen is het symbool ℗.) Een copyrightvermelding is niet vereist voor wettelijke bescherming. En ook als een publicatie niet meer wordt gedrukt, wil dat nog niet zeggen dat daarmee het auteursrecht is vervallen of dat vermenigvuldiging, distributie, uitvoering, openbaarmaking of het maken van afgeleide werken zonder voorafgaande toestemming gerechtvaardigd is.

Het Intellectual Property Office van de kerk (IPO) vraagt namens de kerk toestemming voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in kerkpublicaties of -programma’s, inclusief materiaal waarvan het auteursrecht berust bij Intellectual Reserve, Inc. (IRI). IRI is een op zichzelf staande non-profitorganisatie die de intellectuele eigendommen bezit die door de kerk worden gebruikt. Ga naar ChurchofJesusChrist.org en klik door op de link ‘Terms of Use’ onderaan de pagina voor meer informatie over het gebruik van materiaal dat de kerk toebehoort.

De volgende vragen en antwoorden kunnen leden meer begrip geven van het auteursrecht, zodat ze zich in de kerk en thuis aan de auteurswet houden. Wanneer de leden vragen hebben die niet in deze richtlijnen beantwoord worden, nemen ze contact op met:

Intellectual Property Office

50 East North Temple Street

Salt Lake City, UT 84150-0005, VS

Telefoon: +1 801 240 3959 of +1 800 453 3860, toestel 2-3959

Fax: +1 801 240 1187

E-mail: cor-intellectualproperty@ChurchofJesusChrist.org

Mag ik foto’s uit kerktijdschriften kopiëren? De foto’s in de kerkpublicaties mag men doorgaans kopiëren voor niet-commercieel gebruik in de kerk en thuis. Ze mogen zonder schriftelijke toestemming van het IPO echter niet voor commerciële doeleinden worden gekopieerd. Als een foto niet mag worden gekopieerd, staat er in de credits bij de foto de vermelding ‘kopiëren niet toegestaan’.

Mag ik gepubliceerd kerkmateriaal kopiëren? Kerkpublicaties kan men doorgaans kopiëren voor niet-commercieel gebruik in de kerk en thuis. Het mag zonder schriftelijke toestemming van het IPO echter niet voor commerciële doeleinden worden gekopieerd.

Mag ik muziek kopiëren? Op muziek is een bijzonder auteursrecht van toepassing. Iemand mag muziek uit Lofzangen, Kinderliedjes en de kerktijdschriften kopiëren voor niet-commercieel gebruik in de kerk en thuis, tenzij er onder de lofzang of het liedje uitdrukkelijk staat dat kopiëren niet is toegestaan. Bladmuziek of muziekopnamen vermenigvuldigen zonder toestemming van de uitgever is in strijd met het kerkbeleid. Het is niet toegestaan om muziek die in strijd met dit beleid is vermenigvuldigd, voor kerkdoeleinden te gebruiken.

Mag ik door de kerk geproduceerde audiovisuele materialen aanpassen, dupliceren of opdelen? Nee, tenzij u daarvoor schriftelijke toestemming van het IPO hebt gekregen. Door de kerk geproduceerd audiovisueel materiaal wordt gebruikt overeenkomstig de instructies in de lesboeken en op de verpakking.

Mag ik materiaal kopiëren dat geen eigendom van de kerk is? Doorgaans niet. De auteurswet regelt het gebruik van materiaal van particulieren. Doorgaans gelden er beperkingen waar derden zich aan te houden hebben, voordat niet-kerkelijk materiaal kan worden gekopieerd. Deze beperkingen staan doorgaans voorin een publicatie vermeld. De leden houden zich strikt aan het auteursrecht.

Mag ik commerciële audiovisuele producties in de kerk tonen? Doorgaans niet. De leden van de kerk dienen zich te houden aan de waarschuwingen en beperkingen die op commerciële audiovisuele producties staan vermeld. Het gebruik van commerciële audiovisuele producten op kerkactiviteiten vergt doorgaans de toestemming van de auteursrechthebbenden.

Mag ik computersoftware en andere programma’s voor kerkgebruik downloaden of kopiëren? Doorgaans niet. Het is niet toegestaan om computerprogramma’s en andere software te kopiëren of te downloaden, tenzij daar een licentie voor is aangeschaft. Men kan echter wel de familiehistorische computerprogramma’s van de kerk kosteloos downloaden.

Mag ik de inhoud van de websites van de kerk downloaden of verspreiden? De kerk heeft verschillende websites opgezet, zoals ChurchofJesusChrist.org, ComeUntoChrist.org en FamilySearch.org. Alle materialen op de websites van de kerk, zoals illustraties, tekst, pictogrammen, displays, databanken en algemene informatie mogen voor niet-commercieel gebruik in het gezin en in de kerk worden bekeken, gedownload en afgedrukt, tenzij anderzijds aangegeven. Het is zonder toestemming van het IPO niet toegestaan de inhoud van deze websites op andere websites te plaatsen of naar computernetwerken over te brengen of te verspreiden.

De websites van de kerk en alle informatie op die websites, inclusief de namen en adressen van wie gegevens hebben ingediend, mogen niet gebruikt worden voor het verkopen of promoten van producten of diensten, klantenwerving of elk ander commercieel doel.

Raadpleeg voor aanvullende informatie de gebruiksvoorwaarden van de websites.

Is er toestemming nodig om een musical of toneelstuk op te voeren? De producties waarvan het eigendom bij de kerk of IRI berust, mogen zonder toestemming in de kerk worden gebruikt. Als een auteursrechtelijk beschermde productie geen eigendom van de kerk is, moeten leden eerst toestemming krijgen van de auteursrechthebbenden om die gedeeltelijk of in zijn geheel in de kerk op te voeren. Doorgaans is men een vergoeding of royalty’s aan de auteursrechthebbende verschuldigd, zelfs als er geen entreegeld wordt geheven. Alle voorstellingen moeten de goedkeuring hebben van de plaatselijke priesterschapsleiders.

38.8.14

Leermiddelen

De kerk geeft Schriften, tijdschriften, lesboeken en ander materiaal uit zodat de leden het evangelie van Jezus Christus kunnen leren en naleven.

Leidinggevenden moedigen de leden aan om het evangelie thuis met een eigen set Schriften en Kom dan en volg Mij – voor personen en gezinnen te bestuderen.

Leidinggevenden zien erop toe dat de leerkrachten het goedgekeurde lesmateriaal in de quorums en klassen gebruiken. De publicatie Instructies voor het leerplan beschrijft hoe de zondagse lessen worden aangepakt en welk materiaal er in die lessen wordt gebruikt.

38.8.15

Relatiebemiddeling voor alleenstaande leden

Relatiebemiddelingsbureaus bieden hun diensten vaak aan de alleenstaande leden van de kerk aan. Het is niet toegestaan de gebouwen, lessen of activiteiten van de kerk te gebruiken voor het propageren van welke particuliere onderneming ook, met inbegrip van relatiebemiddelingsbureaus of -diensten. Ook is het niet toegestaan om lijsten of andere informatie over leden aan dergelijke bureaus te geven.

38.8.16

Adreslijsten

De adreslijsten van ring en wijk mogen onder de volgende voorwaarden worden uitgegeven:

Namen, adressen en telefoonnummers mogen alleen in de adreslijst worden opgenomen als die in het elektronische telefoonboek staan of als het lid, in het geval dat het daarin niet voorkomt, daarvoor toestemming geeft. E-mailadressen mogen alleen na toestemming van het lid worden opgenomen.

De adreslijst wordt bekostigd uit het budget van de ring of wijk. Het is niet toegestaan advertenties in een adreslijst op te nemen.

Leidinggevenden distribueren de adreslijst niet buiten de grenzen van hun ring of wijk en staan niet toe dat deze voor politieke of commerciële doelen gebruikt wordt.

Bovenaan elke adreslijst wordt een verklaring opgenomen dat de lijst alleen bestemd is voor kerkdoeleinden en niet zonder toestemming van de bisschop of ringpresident mag worden vermenigvuldigd.

38.8.17

E-mail voor priesterschapsleiders

De kerk heeft een e-mailsysteem opgezet, waarmee de algemene en plaatselijke priesterschapsleiders met elkaar kunnen communiceren. De priesterschapsleiders krijgen bericht als zij het systeem kunnen gebruiken.

38.8.18

Emigratie van leden

De leden wordt in het algemeen verzocht om in hun eigen land te blijven en de kerk daar op te bouwen en sterk te maken. De mogelijkheden om actief te zijn in de kerk en om de zegeningen van het evangelie te ontvangen en anderen erin te laten delen, nemen over de hele wereld enorm toe. Als de leden in hun geboorteland blijven en in hun eigen land aan de opbouw van de kerk werken, zullen zij en de kerk bijzonder gezegend worden. Ringen en wijken over de hele wereld zullen gesterkt worden, waardoor het mogelijk wordt om steeds meer kinderen van onze hemelse Vader in de zegeningen van het evangelie te laten delen.

De ervaring heeft geleerd dat wie emigreren vaak te maken krijgen met taal-, culturele en economische barrières, die resulteren in teleurstelling en problemen in de privésfeer.

Zendelingen vragen niet aan hun ouders, familieleden of anderen om borg te staan voor leden die naar een ander land willen emigreren.

De leden die emigreren houden zich aan de wetten die van toepassing zijn.

Zij moeten niet op een studenten- of toeristenvisum naar de Verenigde Staten of een ander land afreizen in de verwachting dat zij daar na aankomst werk of een verblijfsvergunning zullen krijgen.

Om in welk land dan ook voor de kerk te kunnen werken, moet iemand aan alle voorwaarden van de immigratie- en naturalisatiewetgeving voldoen. De kerk biedt geen medewerking aan immigratie door middel van een dienstverband.

38.8.19

Vastendag

Bij een goede inachtneming van de vastendag eet en drinkt men doorgaans in een periode van 24 uur twee opeenvolgende maaltijden niet, woont men de vasten-en-getuigenisdienst bij en geeft men de bisschop een royale vastengave voor de behoeftigen.

38.8.20

Inzameling van geld

Zie 20.6.8.

38.8.21

Gokken en loterijen

De kerk is tegen gokken in elke vorm, inclusief loterijen die onder staatstoezicht worden gehouden.

38.8.22

Gastsprekers of instructeurs

Voor de meeste kerkbijeenkomsten komen de sprekers en instructeurs uit de wijk of ring.

Voordat gastsprekers of instructeurs mogen deelnemen aan een bijeenkomst in de wijk, met inbegrip van die van quorums, de zustershulpvereniging, de zondagsschool, de jongevrouwen en het jeugdwerk, is toestemming van de bisschop vereist. Evenzo is daarvoor in de ring toestemming vereist van de ringpresident.

De bisschop of ringpresident licht de gastsprekers of instructeurs en het onderwerp van hun presentatie zorgvuldig door. Dat kan inhouden dat hij contact opneemt met de bisschop van de gast. De bisschop of ringpresident ziet erop toe dat:

  1. De presentaties in overeenstemming zijn met de leer van de kerk.

  2. Gastsprekers of instructeurs niet worden betaald en geen deelnemers of klanten werven.

  3. De reiskosten van gastsprekers of instructeurs niet uit de plaatselijke unittoelage of met privédonaties worden vergoed.

  4. De presentaties in overeenstemming zijn met de richtlijnen voor het gebruik van kerkgebouwen (zie 35.4).

38.8.23

Inkomstenbelasting

De leden van de kerk zijn op grond van het twaalfde geloofsartikel verplicht om zich aan de belastingwetten van hun land te houden (zie ook Leer en Verbonden 134:5). Als een lid het oneens is met de belastingwetgeving kan hij proberen daar via de wettelijke weg verandering in aan te brengen. Een lid dat gefundeerde bezwaren heeft, kan de belastingwetgeving voor het gerecht aanvechten.

Een lid dat weigert zijn inkomen op te geven, inkomstenbelasting te betalen, of zich aan een definitieve uitspraak in een belastingrechtelijk geding te houden, overtreedt de wet en gaat lijnrecht tegen de leringen van de kerk in. Zijn tempelaanbeveling kan worden ingetrokken en hij wordt niet geroepen tot een verantwoordelijke functie in de kerk. Een kerklidmaatschapsraad is verplicht als een lid voor opzettelijke overtreding van de belastingwet strafrechtelijk veroordeeld is (zie 32.6.1.5).

38.8.24

Internet

Indien zorgvuldig gebruikt, kan het internet hulp bieden bij de coördinatie van het kerkwerk, het sterken van geloof en het voorzien in de behoeften van anderen. Het internet kan ook mensen met elkaar in contact brengen. Daarnaast kunnen leden kerkmateriaal met familie en vrienden delen. Leden denken er echter aan dat de elektronische communicatie geen vervanging moet worden van persoonlijk contact.

38.8.24.1

Officiële websites van de kerk

De kerk voorziet in een aantal officiële websites, blogs, en socialemediaprofielen voor algemeen gebruik. Op deze sites staat duidelijk aangegeven dat het officiële sites betreft, hetzij door gebruik van het logo of op een andere vergelijkbare wijze. Zij voldoen ook aan de wettelijke eisen en het kerkbeleid inzake intellectueel eigendom en privacy.

Het is tempels, zendingsgebieden en bezoekerscentra niet toegestaan een website op te zetten.

38.8.24.2

Gebruik van internet voor kerkroepingen

Kerkleden mogen geen websites, blogs, of socialemediaprofielen namens de kerk opzetten of de kerk en haar opvattingen officieel vertegenwoordigen. Ze mogen echter wel in het belang van hun kerkroeping een website, blog, of socialemediaprofiel opzetten. In dat geval plaatsen ze een disclaimer zoals: ‘Dit is geen officiële website van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen’, en ze houden zich aan de volgende richtlijnen:

  1. Plaatselijke priesterschapsleiders dienen eerst de website, de blog of het socialemediaprofiel voor een kerkroeping goed te keuren.

  2. Het kerklogo mag niet worden gebruikt of nagemaakt.

  3. De naam en contactinformatie van het lid dat verantwoordelijk is voor de website, de blog of het socialemediaprofiel dienen vermeld te worden.

  4. Een lid dient niet te vermelden of te suggereren dat de inhoud, afbeeldingen of enig ander materiaal op zijn website door de kerk is goedgekeurd of de kerk op enige wijze vertegenwoordigt.

  5. Kunstproducten, video’s, muziek en andere materialen van de kerk dienen niet te worden geplaatst, tenzij er onder ‘Terms of Use’ op een officiële kerkwebsite duidelijk staat vermeld dat het is toegestaan, of als het Intellectual Property Office daarin uitdrukkelijk heeft toegestemd.

  6. Foto’s of persoonlijke informatie van derden mogen niet zonder voorafgaande toestemming worden geplaatst.

  7. De socialemediapagina moet goed onderhouden en actief bijgehouden worden om er zeker van te zijn dat ongepaste content onmiddellijk wordt verwijderd.

  8. De website, de blog of het socialemediaprofiel krijgt niet de naam van een kerkunit. Zo is ‘Wijk 1 nieuws’ of ‘Vrienden van wijk 1’ bijvoorbeeld wel acceptabel, maar ‘Wijk 1’ niet.

Zie internet.ChurchofJesusChrist.org voor meer voorbeelden en verduidelijking.

Voor hulp met de kalender, ledenlijst en andere tools op ChurchofJesusChrist.org gaat u naar tools.ChurchofJesusChrist.org.

38.8.24.3

Persoonlijk gebruik van het internet

De leden worden aangemoedigd het internet te gebruiken om de aarde met getuigenissen van de Heiland en zijn herstelde evangelie te overspoelen. Ze dienen blogs, sociale netwerken en andere internettechnologie te zien als hulpmiddelen die ze de kans bieden om hun stem te laten horen. Ze kunnen er geloofsboodschappen van vrede, hoop en vreugde in Christus mee propageren.

De leden worden ook aangemoedigd om boodschappen van de officiële websites van de kerk en sociale pagina’s, en ook hun eigen woorden, afbeeldingen en media te delen. De leden die hun eigen gedachten en gevoelens uiten, moeten niet de indruk wekken dat ze de kerk vertegenwoordigen of dat met medeweten van de kerk doen.

Als leden het internet gebruiken om het werk van de Heer te bespoedigen, moeten zij dat op een beschaafde manier doen en zich vooral richten op het delen van prijzenswaardige boodschappen die opbouwend zijn voor de mensen met wie ze in contact komen.

Ga naar ‘Internet Usage Helps for Members’ op ChurchofJesusChrist.org voor aanvullende richtlijnen.

38.8.25

Landswetten

De leden gehoorzamen, respecteren en erkennen de wetten van het land waar zij wonen of verblijven (zie Leer en Verbonden 58:21–22; Geloofsartikelen 1:12). Dat geldt ook voor wetten die zendingswerk verbieden.

38.8.27

Post van de hoofdzetel

Sommige bedrijven en personen sturen de plaatselijke leiders promotionele stukken die veel weg hebben van officiële correspondentie van de kerk. De officiële correspondentie van de kerk komt, in tegenstelling tot andere correspondentie, altijd (1) via de kerkleiders, (2) in briefvorm op briefpapier van de kerk, of (3) door een kennisgeving in een kerkelijke publicatie. Alleen deze correspondentie vereist uw aandacht en actie.

38.8.28

Post aan de hoofdzetel

De plaatselijke leiders voorzien al hun brieven en andere correspondentie aan de hoofdzetel van de kerk, en de enveloppen waarin zij die versturen, van hun adres.

38.8.29

Contact van leden met de hoofdzetel van de kerk

De leden van de kerk wordt afgeraden om te bellen met, of te schrijven naar, algemene autoriteiten over leerstellige vragen of persoonlijke problemen. Met de almaar toenemende groei van de kerk is het voor de algemene autoriteiten nagenoeg onmogelijk geworden om persoonlijk op al die vragen te reageren, omdat ze daarmee weerhouden worden van het vervullen van de taken die alleen zij kunnen doen. De algemene autoriteiten hebben de leden van de kerk lief en willen ze niet het gevoel geven dat ze er alleen voor staan. Alles moet echter wel in orde en wijsheid gebeuren.

De Heer heeft de kerk zo opgezet dat er voor ieder lid een bisschop of gemeentepresident en ring-, districts- of zendingspresident is tot wie hij of zij zich kan wenden voor advies in geestelijk of materieel opzicht. Uit hoofde van hun roeping hebben deze plaatselijke kerkleiders recht op de geest van onderscheiding en inspiratie om de leden waarover zij gesteld zijn raad te geven.

Leden van de kerk die geestelijke leiding behoeven, zwaarwegende problemen of leerstellige vragen hebben, moeten er ijverig naar streven om door oprecht gebed en Schriftstudie zelf een oplossing of een antwoord te vinden. De kerkleden moet ook aangeraden worden om de inspiratie van de Heilige Geest te zoeken voor zichzelf, hun gezin en hun kerktaken.

Als leden daarna nog hulp nodig hebben, overleggen zij eerst met hun bisschop. Zo nodig kan hij hen naar de ringpresident doorverwijzen.

In de meeste gevallen zal de correspondentie van de leden aan algemene autoriteiten worden doorverwezen naar hun plaatselijke leiders. Ringpresidenten die meer uitleg over leerstellige of andere kerkkwesties wensen, mogen het Eerste Presidium namens hun leden aanschrijven.

38.8.30

Banen, bedrijven en zakelijke betrekkingen van leden

Om zich in de kerk te laten dopen, tot het priesterschap te worden geordend en een tempelaanbeveling te krijgen, moet iemand in een zorgvuldig gesprek met zijn plaatselijke priesterschapsleider aangeven of hij de kerknormen naleeft. De leden van de kerk kiezen een beroep of onderhouden betrekkingen waarop zij zonder bezwaar Gods zegen kunnen afsmeken, verenigbaar met de beginselen van het evangelie en de leringen van de Heiland.

38.8.31

Leden met een handicap

De leden van de kerk worden aangemoedigd om het voorbeeld van de Heiland te volgen door mensen met een handicap hoop te bieden en ze begrip en liefde te tonen. Leidinggevenden leren de leden met een handicap kennen en tonen hun oprechte belangstelling en zorg.

Leidinggevenden stellen ook vast wie extra aandacht nodig hebben omdat een ouder, huwelijkspartner, kind, broer of zus een handicap heeft. Zorgen voor een gezinslid met een handicap kan een louterend, geloofsversterkend proces zijn. Maar er kunnen ook financiële, huwelijks- en gezinsproblemen uit voortkomen.

Leidinggevenden zoeken ook leden met een handicap op die buiten het gezin in een tehuis of instelling wonen.

38.8.31.1

Inzicht vergroten

Leidinggevenden, leerkrachten en andere leden proberen meer inzicht te krijgen in iemands handicap en de behoeften die daarmee gepaard gaan. Zij doen dat onder andere door met de persoon in kwestie en zijn of haar familieleden te praten. Zij kunnen zich ook verdiepen in toespraken van kerkleiders, artikelen in de kerktijdschriften en de beschikbare informatie op disability.ChurchofJesusChrist.org.

38.8.31.2

Hulp bieden

Leidinggevenden peilen de behoeften van de leden met een handicap en die van hun verzorgers. Die leidinggevenden stellen vast hoe er met de hulpbronnen in de wijk of ring naar behoren in de behoeften kan worden voorzien. Zij moedigen de leden aan om in liefde en vriendschap hulp te bieden. De bisschap of het ringpresidium roept naar behoefte een deskundige gehandicapten op wijk- of ringniveau om personen en gezinnen bij te staan.

Leidinggevenden stellen ook vast welke toepasselijke hulpbronnen de gemeenschap kan bieden voor mensen met een handicap en hun familie.

Leidinggevenden en leden vinden op disability.ChurchofJesusChrist.org meer informatie om mensen met een handicap bij te staan. Leiders kunnen ook contact opnemen met gezinsondersteunende diensten (waar die beschikbaar zijn).

Leidinggevenden en leden proberen geen verklaring te geven voor de moeilijkheden die het gezin door de handicap ervaren. Zij zeggen nooit dat een handicap een straf van God is (zie Johannes 9:2–3). Zij zeggen ook niet dat het een zegen is om een kind met een handicap te hebben.

38.8.31.3

Zorgen voor verordeningen

Wanneer men een verordening overweegt voor iemand die verstandelijk gehandicapt is, volgen de priesterschapsleiders de richtlijnen in 18.1.

38.8.31.4

Zorgen voor mogelijkheden om te dienen en deel te nemen

Veel leden met een handicap kunnen bijna elke taak aan. Leidinggevenden overwegen onder gebed de mogelijkheden en wensen van iedere persoon en zorgen vervolgens voor gepaste gelegenheden om te dienen. De leidinggevenden overleggen tevens met de familie van de betrokkene en gaan na welke invloed een kerkroeping op de persoon zelf en op zijn of haar familie of verzorger heeft.

Bij de overweging van een kerktaak of roeping voor verzorgers van mensen met een handicap gaan leiders de omstandigheden van de betrokken personen en hun familie zorgvuldig na.

Leidinggevenden en leerkrachten betrekken leden met een handicap zo volledig mogelijk bij vergaderingen, lessen en activiteiten. De lessen, toespraken en onderwijsmethoden worden aan de behoeften van ieder individu aangepast. Zie disability.ChurchofJesusChrist.org voor informatie over aanpassing van lessen.

De bisschap kan een assistent-leerkracht roepen om iemand in een klas te helpen. De bisschap kan ook iemand vragen om de persoon in een bijeenkomst of bij een activiteit te helpen.

Als iemand de bijeenkomst, klas of activiteit niet kan bijwonen, kunnen leidinggevenden en leerkrachten met de familie overleggen hoe in zijn of haar behoeften kan worden voorzien. De ringpresident of bisschop kan toestemming geven om een aangepast programma of een klas voor leden met een handicap op te zetten (zie 38.8.31.5). Als iemand de kerkbijeenkomsten niet kan bijwonen, kan die van gedrukt materiaal of opnamen van lessen en toespraken worden voorzien.

Priesterschapsleiders moedigen mannen die het juiste priesterschap dragen aan om aan voorkomende verordeningen deel te nemen. Priesterschapsdragers en jongevrouwen die zijn gedoopt en bevestigd en die zich aan de kerknormen houden, mogen zich vanaf januari van het jaar waarin ze 12 worden in de tempel laten dopen en bevestigen voor de doden. Richtlijnen omtrent leden met een handicap die hun eigen tempelverordeningen ontvangen, staan in 38.2.1.8 en 38.2.1.9.

38.8.31.5

Klassen, programma’s of units voor gehandicapten

Leden met een handicap en bijzondere behoeften worden aangemoedigd om de zondagse diensten in hun thuiswijk bij te wonen, tenzij ze in een verzorgingstehuis verblijven waar de kerk een programma verzorgt.

Als er leden met soortgelijke handicaps in een wijk, verschillende wijken, ring of verschillende ringen wonen, kunnen de leid(st)ers aangepaste activiteitenprogramma’s of jeugdwerkklassen voor hen organiseren. Men kan ook naar behoefte een zondagsschoolklas of andere klassen voor hen organiseren. Die klassen of programma’s dienen ter aanvulling van het programma in de eigen wijk.

Voor de organisatie van een klas of programma voor leden met een handicap uit meerdere ringen is toestemming van het gebiedspresidium vereist. Die leiders benoemen een ringpresident-beheerder die voor een bepaalde tijd toeziet op de organisatie en voortgang van het programma of de klas.

Voor de organisatie van een klas of programma voor leden met een handicap uit meerdere wijken is toestemming van het ringpresidium vereist. De ringpresident benoemt een bisschop-beheerder die voor een bepaalde tijd toeziet op de organisatie en voortgang van het programma of de klas.

De ringpresident-beheerder of bisschop-beheerder stelt met de andere deelnemende ringpresidenten of bisschoppen een financieel beleid vast voor deze programma’s of klassen. De ouders of verzorgers zijn verantwoordelijk voor het vervoer.

In een programma of klas voor verschillende ringen kan de president van elke deelnemende ring een hogeraadslid aanwijzen die de coördinatie op zich neemt van de inschrijving van de leden die eraan willen deelnemen, leidinggevenden en leerkrachten regelt en zich houdt aan het financiële beleid dat door de ringpresident-beheerder is vastgesteld.

De leden die betrokken zijn bij het aangepaste programma of de klas, worden op aanwijzing van de ringpresident-beheerder of bisschop-beheerder geroepen en aangesteld. Die leiders volgen daarbij de normale kerkprocedures voor roepingen en ontheffingen. Leid(st)ers en leerkrachten van aangepaste programma’s of klassen geven informatie over de activiteiten en prestaties van de leden aan de leidinggevenden in de thuiswijken door. Daar berust hun administratie en kunnen blijken van waardering worden gegeven.

Op uitnodiging van de ringpresident-beheerder of bisschop-beheerder mogen de leid(st)ers van het aangepaste programma of de klas de leid(st)ersvergaderingen van de ring of wijk bijwonen. Zij mogen zelf ook vergaderingen beleggen om de activiteiten van het programma of de klas te plannen.

Leiders kunnen contact opnemen met seminarie- en instituutsbestuurders voor informatie over klassen voor leden met een handicap die binnen de kerkelijke onderwijsinstellingen opgezet kunnen worden.

Er kan een wijk of gemeente georganiseerd worden voor leden die doof of slechthorend zijn. Ook kan een wijk worden verzocht een groep leden te ontvangen en betrekken die binnen een bepaald gebied wonen en die doof of slechthorend zijn. Zo’n wijk, gemeente of groep zorgt ervoor dat die leden volledig aan dienstbetoon en evangeliestudie kunnen deelnemen. Instructies voor het stichten van deze units staan in 37.7.

Leden die gebruikmaken van gebarentaal en hun huisgenoten kunnen ervoor kiezen hun lidmaatschapskaart in een van de volgende plaatsen te hebben: (1) hun thuiswijk, (2) een gastwijk waaraan een groep voor doven of slechthorenden in een bepaald geografische gebied is toegewezen, of (3) een wijk of gemeente voor leden die doof of slechthorend zijn.

38.8.31.6

Tolken voor dove of slechthorende leden

Dove of slechthorende leden worden geconfronteerd met obstakels bij het opdoen van kennis van de leer en de beginselen van het evangelie. Als ze gebarentaal kennen, hebben ze doventolken nodig om volledig aan kerkbijeenkomsten, priesterschapsverordeningen, tempelwerk, getuigenisdiensten, gesprekken en activiteiten deel te nemen.

Dove of slechthorende leden worden aangemoedigd onafhankelijk te zijn, het initiatief te nemen en er met hun priesterschapsleiders voor te zorgen dat er doventolken komen. In gevoelige situaties zoals een persoonlijk gesprek of een kerklidmaatschapsraad vragen de priesterschapsleiders vooraf aan het lid of een doventolk gewenst is. De leiders zoeken in dat geval een doventolk die (indien mogelijk) geen familie is en beklemtonen het vertrouwelijke karakter.

Als er te weinig doventolken beschikbaar zijn, kunnen de leiders in de wijk of ring een cursus gebarentaal organiseren. Leiders kunnen voor deze cursus een lid roepen dat de gebarentaal beheerst. Leden die zelf doof of slechthorend zijn en van wie de gebarentaal hun eerste taal is, komen het eerst in aanmerking voor het geven van de cursus. De kerk heeft een woordenboek met Amerikaanse gebarentaaltermen uitgegeven, de Dictionary of Sign Language Terms for The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints.

Alleen leden die zich aan de kerknormen houden, mogen tijdens de avondmaalsdienst, priesterschapsbijeenkomsten en gesprekken tolken. Als er geen priesterschapsdrager beschikbaar is die bij een priesterschapsbijeenkomst als tolk kan fungeren, mag een presiderend functionaris een vrouw vragen om als tolk te fungeren. Er kan tijdelijk gebruikt worden gemaakt van tolken die geen lid van de kerk zijn bij activiteiten en de meeste andere bijeenkomsten, totdat leden zich de gebarentaal eigen hebben gemaakt.

Een presiderend functionaris kan een priesterschapsdrager vragen een verordening of zegen in gebarentaal over te brengen aan de betrokkene als die doof of slechthorend is. Als er geen priesterschapsdrager beschikbaar is, mag een presiderend functionaris een vrouw vragen als doventolk te fungeren.

In een les of bijeenkomst staat de tolk voorin het klaslokaal of de kapel, maar niet op het podium. Hij of zij bevindt zich ook zo naast de spreker dat er geen visuele afleiding ontstaat. Daar doven en slechthorenden meer van het gesprokene begrijpen als ze de lippen en de lichaamstaal van de spreker zien, moeten zij zowel de doventolk als in het verlengde daarvan de spreker of de leerkracht zien. Als er genoeg doventolken beschikbaar zijn, vragen de leiders dat ze elkaar elke dertig minuten aflossen teneinde vermoeidheid te voorkomen.

Gedurende een priesterschapsverordening of een gesprek bevindt de doventolk zich dichtbij degene die de verordening verricht of het gesprek voert.

Als dove of slechthorende leden niet van gebarentaal gebruikmaken en ze een verbale tolk nodig hebben bij het liplezen, volgen de leiders dezelfde procedure die ze gebruiken bij het zoeken van een doventolk.

38.8.31.7

Privacy

De leidinggevenden houden rekening met de privacy van leden met een handicap tijdens en na een leid(st)ersvergadering waarin individuele behoeften aan de orde kunnen komen.

38.8.31.8

Hulpbronnen

Zie disability.ChurchofJesusChrist.org voor hulpbronnen voor leden met een handicap, voor hun familie en verzorgers, en voor leidinggevenden en leerkrachten. Die website biedt het volgende:

  • Informatie om meer zicht te krijgen op de uitdagingen waarmee mensen met een handicap te maken hebben.

  • Informatie over specifieke handicaps en antwoorden op veel gestelde vragen.

  • Troost voor leden met een handicap en voor hun familieleden aan de hand van Schriftteksten, citaten en hyperlinks naar nuttige informatie.

  • Overzicht van materiaal voor leden met een handicap waarmee zij het evangelie van Jezus Christus beter kunnen naleven en in de kerk kunnen dienen.

Zie disability.ChurchofJesusChrist.org en store.ChurchofJesusChrist.org voor kerkmateriaal voor leden met een handicap.

Vragen over het materiaal voor leden met een handicap kunnen worden voorgelegd aan:

Members with Disabilities

50 East North Temple Street

Salt Lake City, UT 84150-0024, VS

Telefoon: +1 801 240 2477

E-mail: specialcurriculum@ChurchofJesusChrist.org

38.8.32

Andere geloofsrichtingen

In veel andere geloofsrichtingen is van alles te vinden dat inspireert, lovenswaardig is en respect afdwingt. De zendelingen en de andere leden zijn tactvol over en tonen respect voor de geloofsovertuiging van anderen en zijn niet kwetsend jegens anderen. Ring- en zendingspresidenten met vragen over betrekkingen met andere geloven nemen contact op met het gebiedspresidium. Andere plaatselijke leiders met dergelijke vragen nemen contact op met de ring- of zendingspresident.

38.8.33

Activiteiten met overnachtingen

Zie 20.6.12 en 35.4.13.

38.8.34

Betrokkenheid bij politiek en samenleving

De leden van de kerk worden aangemoedigd om deel te nemen aan het politieke en bestuurlijke proces, en betrokken te zijn bij de politieke partij van hun keuze. De leden worden ook aangespoord zich actief in te zetten voor verbetering van de samenleving, zodat het een goede plaats is voor hen en hun gezin om te wonen.

Overeenkomstig de wetten van hun respectieve overheden, wordt de leden aangeraden zich zorgvuldig een oordeel over politieke kwesties en kandidaten te vormen, en te stemmen op iemand van wie zij geloven dat hij of zij integer en intelligent zal handelen. De leden van de kerk hebben de plicht zich te informeren over, te stemmen op en steun te geven aan politici die eerlijk, goed en verstandig zijn (zie Leer en Verbonden 98:10).

Hoewel de kerk zich het recht voorbehoudt om zich uit te spreken over politieke en sociale kwesties, neemt zij een neutraal standpunt in wat de politieke partijen, programma’s en kandidaten betreft. De kerk steunt geen enkele politieke partij of politicus. Evenmin zegt zij haar leden op wie ze moeten stemmen. Er kunnen echter uitzonderlijke gevallen zijn waarbij de kerk over specifieke wetgeving wel een standpunt inneemt, in het bijzonder als het morele kwesties betreft. Alleen het Eerste Presidium kan namens de kerk spreken of de steun van de kerk toezeggen of onthouden inzake specifieke wetgeving, of in juridische kwesties interveniëren. Anderszins verenigen ringpresidenten en andere plaatselijke leiders de leden niet om zich in te zetten voor politieke kwesties, noch proberen ze hun politieke voorkeur te beïnvloeden.

De leden van de kerk worden aangemoedigd om zich verkiesbaar te stellen of naar openbare ambten in de plaatselijke en landelijke overheid te solliciteren. Politieke kandidaten mogen niet suggereren dat hun kandidatuur gesteund wordt door de kerk of haar leiders. Leidinggevenden en leden van de kerk zeggen of doen ook niets dat opgevat kan worden als kerkelijke steun aan een politieke partij of kandidaat, een politiek platform of beleid.

De leden wordt aangeraden hun steun te geven aan maatregelen die de morele structuur van de samenleving sterken, in het bijzonder maatregelen die de positie van het gezin als hoeksteen van de samenleving in stand houden en verbeteren.

Het is niet toegestaan kerkdocumenten, adreslijsten en soortgelijk materiaal voor politieke doeleinden te gebruiken.

Het is niet toegestaan het kerkgebouw voor politieke activiteiten te gebruiken. De kerkgebouwen mogen echter als stemlokaal worden gebruikt als er geen redelijk alternatief is (zie 35.4).

38.8.35

Postale voorschriften

In de Verenigde Staten en in sommige andere landen (niet in Nederlandstalig gebied) is het in strijd met de postale voorschriften om ongefrankeerde post in de brievenbus aan huis te deponeren. Dat geldt ook voor nieuwsbrieven, aankondigingen, folders en ander kerkmateriaal. Kerkleiders instrueren de leden en de zendelingen dat ze dergelijke materiaal niet ongefrankeerd in brievenbussen mogen deponeren.

38.8.36

Privacy van leden

De leiders van de kerk hebben de plicht de privacy van de leden te waarborgen. Het is niet toegestaan om kerkdocumenten, adreslijsten en soortgelijk materiaal voor particuliere, commerciële of politieke doeleinden te gebruiken (zie ook 38.8.16).

38.8.37

Eigen publicaties

Leden dienen ervan af te zien om een algemeen autoriteit of gebiedszeventiger te vragen om als medeauteur op te treden of zijn goedkeuring te hechten aan publicaties over de kerk of haar leer.

38.8.38

Opname van toespraken van algemene autoriteiten en gebiedszeventigers

Leden dienen geen opnamen te maken van toespraken van algemene autoriteiten en gebiedszeventigers tijdens ringconferenties, bijeenkomsten voor zendelingen of andere bijeenkomsten. Leden mogen thuis echter wel opnamen maken van de uitzendingen van de algemene conferentie voor eigen niet-commercieel gebruik.

38.8.39

Verwijzen naar de kerk en haar leden

De naam van de kerk is in 1838 aan de profeet Joseph Smith geopenbaard: ‘Want aldus zal mijn kerk in de laatste dagen heten, ja, De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen’ (Leer en Verbonden 115:4).

Vandaar dat de volledige naam van de kerk zoveel mogelijk gebruikt dient te worden. Als dan de eerste keer de volledige naam van de kerk is gebruikt, wordt gebruik van de verkorte term ‘de kerk’ of de ‘Kerk van Jezus Christus’ aangemoedigd. De ‘herstelde kerk van Jezus Christus’ is ook juist en het gebruik ervan wordt aangemoedigd.

Verwijs naar kerkleden bij voorkeur met de termen ‘leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen’, ‘heiligen der laatste dagen’ of ‘leden van de Kerk van Jezus Christus’. De Heer heeft zijn verbondsvolk in de laatste dagen de naam ‘heiligen der laatste dagen’ gegeven. Als we de kerkleden op deze manieren aanduiden, geeft dat de verbondenheid tussen Jezus Christus en de leden van zijn kerk aan. Andere termen voor kerkleden, zoals ‘mormonen’, ‘LDS’ of ‘HLD’, worden afgeraden.

Mormon is correct in eigennamen zoals het Boek van Mormon, of wanneer gebruikt als een bijvoeglijk naamwoord in historische uitdrukkingen zoals ‘Mormon Trail’.

De term mormonisme is onjuist en wordt ontmoedigd. Verwijs naar de combinatie van de unieke leer, cultuur en levenswijze van de kerk bij voorkeur met de zinsnede ‘het herstelde evangelie van Jezus Christus’.

38.8.40

Onderzoeken in de kerk

De enige instantie die bevoegd is voor de kerk onderzoek te doen is de sectie coördinatieonderzoek van de afdeling coördinatie. Medewerkers van die sectie maken gebruik van enquêteformulieren en interviews om informatie te krijgen waarin de algemene autoriteiten geïnteresseerd zijn. Als de enquêteurs van de kerk een lid benaderen, geven zij het gratis 800-nummer [alleen in de Verenigde Staten] en de naam van een contactpersoon in Salt Lake City op. Bovendien hoeft de geënquêteerde niet tegen zijn zin enquêtevragen te beantwoorden.

Het is niet toegestaan kerkbijeenkomsten te gebruiken voor een onderzoek door onbevoegde personen of instanties. Evenmin mogen de namen van de leden aan dergelijke personen of instanties doorgegeven worden. Als plaatselijke leiders willen weten of bepaalde enquêtes of interviews geautoriseerd zijn, nemen zij contact op met de sectie coördinatieonderzoek (+1 801 240 2727 of +1 800 453 3860, toestel 2-2727).

38.8.41

Veiligheidsmaatregelen in de welzijnsbedrijven van de kerk

In veel welzijnsbedrijven van de kerk staan machines die bij ondeskundig gebruik voor letsel kunnen zorgen. Het comité welzijnsbedrijven van de beherende ring en de managers van de welzijnsbedrijven zien erop toe dat zowel de werknemers als de vrijwilligers een veilige werkplek hebben. De werkers ontvangen geregeld instructie in veiligheidsmaatregelen. De werkplek wordt periodiek geïnspecteerd en gevaren voor de gezondheid en veiligheid worden weggenomen. Ook wordt er voortdurend op toegezien dat de instructies worden nageleefd, het gereedschap en de apparatuur correct worden gebruikt en gevaarlijk gedrag wordt vermeden.

Doorgaans zijn de werkers in welzijnsbedrijven 16 jaar of ouder. De bediening van machines moet overgelaten worden aan volwassen, vakbekwame en ervaren mensen. Alleen volwassenen mogen elektrisch gereedschap bedienen.

De manager van een welzijnsbedrijf rapporteert ongelukken aan de welzijnsdiensten (+1 801 240 3001 of +1 800 453 3860, toestel 2-3001) en de afdeling risicomanagement op de hoofdzetel van de kerk (zie 35.3.6 voor contactinformatie).

38.8.42

Handelsvertegenwoordigers

Plaatselijke leiders gaan niet in op de beweringen van handelsvertegenwoordigers dat de kerk of een kerkleider hen gemachtigd heeft tot het bezoeken van plaatselijke leiders of leden om hun producten te verkopen.

38.8.43

Satelliet- en videoapparatuur

De satelliet- en videoapparatuur van de kerk wordt alleen gebruikt voor niet-commerciële kerkdoeleinden die zijn goedgekeurd door het ringpresidium of de bisschap. Het is niet toegestaan de apparatuur te gebruiken voor het opnemen van televisieprogramma’s, doorgegeven via kabel of satelliet, die niet onder auspiciën van de kerk worden uitgezonden. Het is ook niet toegestaan om met gebruikmaking van de satellietapparatuur van de kerk niet-kerkelijke programma’s te bekijken. Evenmin is het leden geoorloofd de schotelantenne op een andere satelliet of transponder te richten zonder machtiging van de hoofdzetel van de kerk.

Alleen wie daarvoor is opgeleid, is bevoegd om de apparatuur te bedienen. Jongeren mogen de apparatuur alleen onder toezicht bedienen.

De apparatuur moet achter slot en grendel opgeborgen worden. Ze wordt niet uit de kerk verwijderd voor persoonlijk gebruik.

38.8.44

Verzoeken om geld

Het beleid van de kerk is erop gericht financiële steun te verschaffen aan mensen die de kerknormen naleven en het geld echt nodig hebben. De kerk verleent hulp door middel van de bisschoppen die bekend zijn met de omstandigheden en daarom kunnen voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt. Daarom moeten leden niet voor extra financiële bijstand aankloppen bij de hoofdzetel van de kerk of de plaatselijke leiders of leden.

Als leden een dergelijk verzoek om geldbijdragen krijgen, kunnen ze antwoorden dat zij in hun eigen wijk hebben bijgedragen, waardoor er volgens de richtlijnen van de kerkelijke welzijnszorg middelen beschikbaar zijn.

38.8.45

Aan kerkleiders toegeschreven uitspraken

Zo nu en dan circuleren er uitspraken die ten onrechte aan leiders van de kerk worden toegeschreven. Veel van dergelijke uitspraken verdraaien de huidige leringen van de kerk en zijn vaak gebaseerd op geruchten en zinspelingen. Ze zijn nooit officieel bekendgemaakt maar worden mondeling, via e-mail of op een andere informele manier verspreid. De leden van de kerk dienen dergelijke uitspraken nooit in hun onderwijs te gebruiken of door te vertellen zonder na te gaan of ze uit goedgekeurde bronnen komen, zoals officiële verklaringen, communiqués en publicaties.

Aantekeningen van een toespraak van een algemeen autoriteit, gebiedszeventiger of andere algemene functionarissen van de kerk, gemaakt in een ringconferentie of een andere bijeenkomst mogen niet zonder toestemming van de spreker worden verspreid. Die aantekeningen zijn alleen voor persoonlijk gebruik.

38.8.46

Steun aan leden in de gevangenis, het ziekenhuis of in andere instellingen

De ringpresidenten wordt verzocht steun te geven aan leden in de gevangenis, in het ziekenhuis en andere instellingen binnen de ringgrenzen. Zij doen dat via de priesterschapskanalen en overeenkomstig de richtlijnen die de kerk en die instanties hebben opgesteld.

De ringpresident bepaalt welke hulp er per instelling wordt geboden. Ook ziet hij toe op de geboden hulp, daarbij door de plaatselijke priesterschapsleiders geassisteerd. Als de ring moeite heeft om de instellingen binnen haar grenzen van dienst te zijn, kan het gebiedspresidium een nabijgelegen ring of meerdere ringen vragen te assisteren.

De ringpresident of een daarvoor aangewezen bisschop kan een priesterschapsdrager roepen om toe te zien op de hulp die de leden in die instellingen krijgen. In gevangenissen moet het contact met mannelijke gedetineerden door mannen worden onderhouden. Een echtpaar mag echter ook contact met mannelijke gedetineerden onderhouden. Minstens twee mannen of twee vrouwen, of een echtpaar, onderhouden het contact met vrouwelijke gedetineerden. Mannen en vrouwen die contact onderhouden met gedetineerden zijn niet alleen met hen.

Kerkdiensten voor leden in de gevangenis, het ziekenhuis of andere instellingen mogen zo nodig worden aangepast aan de behoeften van de betrokkenen. Deze diensten lijken veel op een avondmaalsdienst, hoewel het avondmaal niet wordt bediend aan gedetineerden. In afwijking van het kerkbeleid mogen gedetineerden bij een eredienst in de gevangenis gebeden uitspreken of een toespraak houden, ongeacht hun godsdienst of hun status in de kerk.

Andere hulp die de leden in deze inrichtingen geboden kan worden, omvat goede raad, steun van dienende broeders en zusters, zondagsschool, thuisavond, seminarie of instituut en andere toepasselijke programma’s.

In samenwerking met de afdeling priesterschapszaken op de hoofdzetel van de kerk zijn de welzijnsdiensten verantwoordelijk voor de materialen en professionele hulp die de mensen in penitentiaire inrichtingen en hun gezin ter beschikking staan. Voor assistentie nemen priesterschapsleiders contact op met de welzijnsdiensten (+1 801 240 2644 of +1 800 453 3860, toestel 2-2644).

Voor assistentie bij welzijnszaken in gevangenissen, ziekenhuizen en andere instellingen neemt de ringpresident contact met het gebiedspresidium op. De ringpresident kan ook rechtstreeks bellen met de welzijnsdiensten op de telefoonnummers in de voorgaande alinea.

38.8.47

Symposia en vergelijkbare bijeenkomsten

De kerk waarschuwt haar leden voor symposia en vergelijkbare bijeenkomsten waarin (1) heilige zaken geringschattend, spottend, schertsend of anderszins op ongepaste manier worden behandeld of (2) schade kan worden toegebracht aan de kerk en haar zending, of het welzijn van de leden in gevaar wordt gebracht. Leden moeten niet toestaan dat hun positie of status in de kerk gebruikt wordt om dergelijke bijeenkomsten te propageren of goedkeuring te suggereren.

38.8.48

Belastbare activiteiten

Leiders in wijk en ring zien erop toe dat de plaatselijke activiteiten de belastingvrijdom van de kerk niet in gevaar brengen. Zie 34.10.1 voor nadere richtlijnen.

38.8.49

Tempelkleding en garments

Plaatselijke leidinggevenden moedigen begiftigde leden aan om zelf tempelkleding te kopen. Deze heilige kleding kan bij de distributiecentra worden gekocht. In enkele tempels kunnen leden ook tempelkleding huren. Als een tempel geen kleding verhuurt, moeten de leden tempelkleding meenemen.

De leden kunnen hun eigen voorschoot maken mits ze daar het goedgekeurde borduur en -naaipakket voor gebruiken. Dit pakket is verkrijgbaar bij het distributiecentrum. Het is niet toegestaan om de andere ceremoniële kledingstukken en garments zelf te maken.

Leden die zijn begiftigd, hebben zich ertoe verbonden om het garment overeenkomstig de instructies in de tempel te dragen. Bij verstrekking van een tempelaanbeveling leest de priesterschapsleider de verklaring van het Eerste Presidium over het dragen van het garment voor.

Het is een heilig voorrecht om het garment te dragen. Het is een uiterlijk teken van het innerlijke voornemen om de Heiland Jezus Christus te volgen.

Het garment herinnert het lid aan de gesloten tempelverbonden. Als men het een leven lang juist draagt, beschermt het tegen kwaad en verleiding.

Men draagt het garment onder de bovenkleding. Het is een kwestie van persoonlijke voorkeur of men ander ondergoed onder het garment draagt.

Men doet het garment niet uit voor activiteiten waarbij dat niet echt nodig is. Men past het niet aan verschillende kledingstijlen aan.

Het garment is heilig en men behandelt het met eerbied. Als men vragen over het dragen van het garment heeft, streeft men als begiftigd lid naar de leiding van de Heilige Geest.

Voordat de leden versleten garments wegdoen, verknippen en vernietigen zij de tekens. Het restant van het garment wordt dan zo verknipt dat het niet meer als garment herkenbaar is.

Versleten ceremoniële tempelkleding wordt zodanig verknipt dat de oorspronkelijke functie niet meer achterhaald kan worden.

Een lid kan in goede staat verkerende tempelkleding en garments ook aan een waardig, begiftigd lid geven. De bisschop kan aangeven wie dergelijke kleding nodig heeft. Ceremoniële tempelkleding en garments mogen niet aan de tempel of liefdadigheidsinstellingen worden gedoneerd.

Zie 38.10.8 en 27.3.6 voor bestelinformatie voor tempelkleding of garments voor leden in bijzondere situaties (zoals militairen en leden die bedlegerig of gehandicapt zijn).

38.8.50

Beleid inzake reizen

Een man en een vrouw moeten niet samen reizen om een kerkactiviteit of -bijeenkomst bij te wonen of om ergens een taak te vervullen, tenzij ze met elkaar zijn getrouwd of beiden alleenstaand zijn. Zie 20.6.24 voor overige reisrichtlijnen.

38.9

Ringpatriarch

In deze paragraaf worden de taken van de ringpresident inzake de ringpatriarch uitgelegd. Het betreft richtlijnen voor het roepen, ordenen, instrueren van en toezien op de ringpatriarch. Zie de volgende publicaties voor informatie over patriarchale zegens:

  • Paragraaf 18.17 en 38.2.12 in dit handboek

  • Informatie en wenken voor patriarchen

  • Wereldwijde instructiebijeenkomst voor leidinggevenden: de patriarch

38.9.1

Een ringpatriarch roepen, steunen en ordenen

Het Quorum der Twaalf Apostelen geeft leiding aan het roepen van ringpatriarchen (zie Leer en Verbonden 107:39). De ringpresident kan iemand voordragen. Voordrachten worden online via Hulpmiddelen leiders en administrateurs ingestuurd. Voordat hij deze voordracht doet, vast en bidt de ringpresident om leiding van de Geest. De voordracht moet de goedkeuring hebben van zijn raadgevers.

De man die door de ringpresident wordt voorgedragen als ringpatriarch is een getrouw Melchizedeks-priesterschapsdrager. Hij is ervaren in het evangelie en de kerk, een gewaardeerd echtgenoot en patriarch in zijn gezin en gevoelig voor de leiding van de Geest. Hij heeft zijn patriarchale zegen ontvangen en doorgaans is hij 55 jaar of ouder. Hij moet getrouwd zijn.

Als het Quorum der Twaalf Apostelen de voordracht goedkeurt, kan het de ringpresident machtigen om de patriarch te roepen, zijn naam ter steunverlening voor te leggen in de algemene bijeenkomst van de eerstvolgende ringconferentie of in de eerstvolgende priesterschapsbijeenkomst van de ring, en hem te ordenen. Daar de roeping van patriarch een ambt in het Melchizedeks priesterschap is, wordt een nieuwe patriarch eerst geordend tot dat ambt en daarna aangesteld om in een specifieke ring werkzaam te zijn.

Een ringpresident mag de ordening van een patriarch niet aan een raadgever overlaten. Evenmin dient hij iemand anders te vragen deel te nemen aan de ordening van een patriarch.

Nadat een patriarch is geordend, moet die informatie in Hulpmiddelen leiders en administrateurs worden geregistreerd, voordat hij toegang tot de online hulpmiddelen voor patriarchen krijgt.

38.9.2

Een tweede ringpatriarch roepen

Het Quorum der Twaalf keurt zelden het roepen van een tweede patriarch in een ring goed, tenzij de huidige patriarch in functie niet in staat is het aantal aangevraagde zegens te geven. Evenmin willigt het Quorum der Twaalf doorgaans het verzoek om een tweede patriarch in enkel omdat een ring een groot gebied beslaat of leden heeft die de voertaal ter plaatse niet beheersen. Als een ring anderstaligen telt, mogen ze na goedkeuring van hun bisschop en ringpresidium naar een patriarch in een naburige ring gaan die de zegen in de taal van het lid kan uitspreken.

38.9.3

Een nieuwe patriarch instrueren

De ringpresident instrueert een nieuwe patriarch in het heilige openbaringskarakter van het ambt, voordat de patriarch zegens begint te geven. De ringpresident neemt met hem zorgvuldig de instructies door in Informatie en suggesties voor patriarchen en Wereldwijde instructiebijeenkomst voor leidinggevenden: de patriarch.

38.9.4

Toezien op de werkzaamheden van de ringpatriarch

De ringpresident presideert de ringpatriarch en ziet toe op zijn werkzaamheden overeenkomstig de richtlijnen in Informatie en suggesties voor patriarchen. Hij kan deze taak niet delegeren aan een van zijn raadgevers. Een patriarch heeft baat bij een nauwe band met zijn ringpresident.

De ringpresident heeft minstens twee keer per jaar een gesprek met de patriarch. Hij neemt ook ten minste tweemaal per jaar de zegens door die de patriarch heeft gegeven. Zo nodig kan de ringpresident in algemene zin suggesties doen over de inhoud van de patriarchale zegens. De ringpresident bespreekt ook de gevoelens van de patriarch over zijn werkzaamheden, het welzijn van zijn gezin, en eventueel andere aangelegenheden waarin de patriarch raad behoeft.

De ringpresident ziet erop toe dat de patriarch prompt een kopie van de uitgetypte zegen aan de betrokkene geeft. Hij ziet er ook op toe dat alle zegens naar de hoofdzetel van de kerk worden ingestuurd. De zegens worden via het systeem voor patriarchale zegens op ChurchofJesusChrist.org ingestuurd. Waar dit systeem niet toegankelijk is, stuurt men de zegens via de post minstens ieder half jaar op naar de hoofdzetel:

Church History Library

Attn: Patriarchal Blessings

15 East North Temple Street

Salt Lake City, UT 84150-1600, VS

Een patriarch in functie maakt deel uit van het hogepriestersquorum en neemt deel aan de jaarlijkse quorumvergadering.

38.9.5

Buitendienststelling van een ringpatriarch

Daar een patriarch voor het leven wordt geordend, wordt hij niet ontheven. Hij kan echter wel buiten dienst worden gesteld, zodat hij geen zegens meer hoeft te geven.

Als een patriarch door zijn hoge leeftijd of om gezondheidsredenen volgens de ringpresident of hemzelf niet meer in staat is zijn roeping te vervullen, verzoekt de ringpresident het Quorum der Twaalf de patriarch buiten dienst te stellen. Hij dient dat verzoek via Hulpmiddelen leiders en administrateurs in. Als het verzoek tot buitendienststelling wordt ingewilligd, wordt de naam van de patriarch in de ringconferenties niet meer ter steunverlening voorgelegd. De ringpresident laat de bisschoppen en gemeentepresidenten weten dat ze geen leden meer naar die patriarch moeten sturen. De ringpresident ziet er ook op toe dat alle zegens die de patriarch heeft gegeven prompt naar de betrokkenen en de hoofdzetel van de kerk worden gestuurd (zie 38.9.4).

Een patriarch wordt ook buiten dienst gesteld als hij op zending gaat, om andere redenen niet thuis woont, naar een andere ring verhuist of geroepen wordt in een bestuursfunctie (zie 38.9.7 en 38.9.8). In die gevallen verwittigt de ringpresident het Quorum der Twaalf via Hulpmiddelen leiders en administrateurs en volgt hij de hiervoor genoemde instructies. Een patriarch wordt niet automatisch weer in dienst gesteld als hij van zending terugkeert of uit een andere functie wordt ontheven (zie 38.9.6).

Een patriarch buiten dienst mag patriarchale zegens blijven geven aan zijn nageslacht (kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen) als hij daar volgens de ringpresident toe in staat is. De ringpresident neemt ook die zegens door en ziet erop toe dat ze naar de hoofdzetel van de kerk worden gestuurd (zie 38.9.4).

38.9.6

Een patriarch weer in dienst stellen

De ringpresident voert een diepgaand gesprek met een patriarch die zijn werkzaamheden weer wil opvatten en draagt hem daarna via Hulpmiddelen leiders en administrateurs aan het Quorum der Twaalf voor. Als de voordracht wordt goedgekeurd, wordt de naam van de ringpatriarch in de algemene bijeenkomst van de eerstvolgende ringconferentie of in de eerstvolgende priesterschapsbijeenkomst van de ring ter steunverlening voorgelegd. Na de steunverlening wordt hij aangesteld om in die ring werkzaam te zijn.

38.9.7

Patriarch die naar een andere ring verhuist

Als de patriarch naar een andere ring verhuist, wordt hij automatisch buiten dienst gesteld. Hij neemt contact op met de president van de nieuwe ring om hem, beleefdheidshalve, te vertellen dat hij in zijn ring is komen wonen. Als de ringpresident wil dat hij patriarch wordt in de nieuwe ring, informeert hij bij diens voormalige ringpresident naar zijn normnaleving en staat van dienst. De nieuwe ringpresident volgt dan de procedure in 38.9.6.

Als de ringpresident besluit niet van de diensten van de patriarch in de nieuwe ring gebruik te maken, blijft de patriarch buiten dienst, overeenkomstig de uitleg in 38.9.5.

38.9.8

Patriarch die voor een andere functie wordt geroepen

Een patriarch mag niet voor een bestuursfunctie zoals bisschop, hogeraadslid of ringpresident worden geroepen tenzij het Quorum der Twaalf de roeping vooraf goedkeurt. Bij goedkeuring wordt de patriarch buiten dienst gesteld, overeenkomstig de uitleg in 38.9.5.

38.9.9

Vertrouwelijkheid van patriarchale zegens

Om de vertrouwelijkheid van de zegens te waarborgen, ziet de ringpresident op het volgende toe: nadat de patriarch de betrokkene de definitieve versie van de patriarchale zegen heeft doen toekomen en naar de hoofdzetel van de kerk heeft ingestuurd (en daar ontvangstbevestiging van heeft gekregen), moeten alle geluidsopnamen, elektronische en papieren exemplaren gewist of vernietigd worden. Daar vallen ook opgeslagen versies op computers en draagbare opslagapparatuur onder.

Als de computer van de patriarch aan iemand anders wordt doorgegeven, voor verkoop, recycling of ander gebruik, moet de patriarch ervoor zorgen dat teksten van zegens die eerder gewist zijn niet met technische ingrepen opgehaald kunnen worden. Dat moet gedaan worden door de harde schijf opnieuw te formatteren of een schoonmaakprogramma te activeren dat de mogelijkheid van het ophalen van tekst elimineert.

38.10

Militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten

Ringpresidenten en bisschoppen zorgen ervoor dat de zegeningen van de kerk binnen bereik komen van de leden die in de krijgsmacht dienen. Zoals uitgelegd in dit hoofdstuk bestaat het kerkprogramma voor leden in de krijgsmacht en de geestelijk-verzorgersdiensten uit:

  • Steun uit ringen en wijken.

  • Kerkoriëntatie voor leden die in de krijgsmacht gaan.

  • Organisatie van wijken, gemeenten of groepen voor leden in de krijgsmacht.

  • Akkoordverklaring voor en steun van geestelijk verzorgers van de kerk.

  • Het garment in de krijgsmacht.

  • Steun van zendingsechtparen toegewezen aan bepaalde militaire bases.

38.10.1

Militaire zaken: leidinggevenden in de ring

Als er zich binnen de ringgrenzen een militaire basis bevindt of als er in een ring leden zijn die in de krijgsmacht werkzaam zijn, heeft het ringpresidium de taken die in deze paragraaf worden uitgelegd. Als de militaire basis zich niet in een ring maar in een zendingsgebied bevindt, vallen die taken onder de zendingspresident.

Een lid van het ringpresidium ziet toe op de kerkoriëntatie voor opgeroepen militairen in de ring. Hij ziet erop toe dat alle leden die in de krijgsmacht gaan, de oriëntatie bijwonen. De ringsecretaris kan deze oriëntatie coördineren.

Als er op een militaire basis kerkdiensten worden gehouden, sticht de president van de ring waarin zich de militaire basis bevindt een wijk, gemeente of groep voor leden in de krijgsmacht en hun gezin (zie 38.10.4). Voor elk van die units wordt door de ringpresident een bisschap (indien goedgekeurd door het Eerste Presidium), een gemeentepresidium of een groepsleider militairen en assistenten geroepen en aangesteld. Hij houdt ook toezicht op die leiders. De ringpresident geeft de contactinformatie van deze leiders door aan de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten van de kerk. Hij kan aan elke groep militairen een wijk toewijzen als steunpunt.

Als er een of meer kerkunits voor militairen zijn gesticht, voorziet de ringpresident, in samenwerking met de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten, iedere bisschop, gemeentepresident of groepsleider van een aanstellingsbrief. Die brief bevat een functie-omschrijving en een machtiging om de unit te presideren en bijeenkomsten te leiden. De geestelijk verzorger op de basis hoort een kopie van die brief te ontvangen.

Een lid van het ringpresidium werkt op elke militaire basis in de ring nauw samen met de geestelijk verzorger met de hoogste anciënniteit. Hij ziet erop toe dat de bisschoppen van de wijken die een militaire basis binnen de grenzen van hun wijk hebben hetzelfde doen. Deze leiders informeren de geestelijk verzorger over het zondagse schema, de plek van samenkomst en de contactpersoon, zodat de geestelijk verzorger die informatie kan doorgeven aan de leden op de militaire basis.

De ringpresident voert jaarlijks een gesprek met iedere geestelijk verzorger van de kerk binnen de grenzen van zijn ring. In dit gesprek informeert hij naar het welzijn van de geestelijk verzorger en gaat hij na of hij zich aan de kerknormen houdt. De ringpresident houdt ook jaarlijks een afzonderlijk gesprek met de vrouw van iedere geestelijk verzorger.

Geestelijk verzorgers van de kerk en hun echtgenotes horen een wijk- of ringroeping te hebben. Een geestelijk verzorger van de kerk die Melchizedeks-priesterschapsdrager is, mag een leidinggevende functie vervullen, zoals in de hoge raad of als presiderend functionaris van een groep, een wijk of gemeente voor militairen zolang een dergelijke roeping zijn militaire verplichtingen niet in de weg staat. Geestelijk verzorgers horen echter niet voor een kerkfunctie te worden geroepen waarvoor ze aan zendingswerk moeten doen.

De ringpresident mag een geestelijk verzorger vragen om ringraden bij te wonen en verslag uit te brengen over de activiteiten en heractivering in de units op de militaire basis. De geestelijk verzorger kan ook optreden als contactpersoon tussen de legerleiding en de ringpresident. Geestelijk verzorgers kunnen de ringpresident ook laten weten welke leden in de krijgsmacht als groepsleider van leden in de krijgsmacht geroepen zouden kunnen worden en zij kunnen helpen bij heractivering van kerkleden in militaire dienst.

Defensie eist dat een geestelijk verzorger toezicht houdt op elke godsdienstige samenkomst op een militaire basis. Als er een geestelijk verzorger van de kerk op de basis is, wijst defensie hem doorgaans het toezicht toe over de unit van de kerk die daar vergadert. De geestelijk verzorger presideert de kerkdienst alleen als hij als bisschop, gemeentepresident of groepsleider van leden in de krijgsmacht is geroepen, maar hij wordt altijd geacht aan de diensten deel te nemen.

38.10.2

Militaire zaken: leidinggevenden in de wijk

Een lid van de bisschap voert vooraf een gesprek met leden die in de krijgsmacht gaan. Hij ziet erop toe dat zij de kerkoriëntatie voor opgeroepen militairen bijwonen.

Als een lid zich meldt bij de militaire basis of naar een nieuwe standplaats wordt overgeplaatst, zorgt een lid van de bisschap ervoor dat hij of zij weet waar de dichtstbijzijnde unit van de kerk is. Informatie over vergadertijden en -plaatsen op militaire bases voor militairen die lid van de kerk zijn, staat op ‘Een kerkgebouw of -gemeente zoeken’ of is verkrijgbaar bij de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten.

Als een lid in de krijgsmacht gaat, blijft de lidmaatschapskaart in de thuiswijk tot het lid ergens permanent wordt gestationeerd. Hevel de lidmaatschapskaart niet over naar kerkunits op bases waar basis- en vervolgopleidingen plaatsvinden.

De priesterschapsleiders in de thuiswijk corresponderen regelmatig met elk lid van de wijk in de krijgsmacht dat elders is gelegerd. Zij raden gezinnen ook aan om erop toe te zien dat gezinsleden in de krijgsmacht de Liahona ontvangen. De Church News is ook beschikbaar voor wie het Engels beheerst.

Elke bisschop is verantwoordelijk voor de kerkleden die zich op een militaire basis binnen de grenzen van zijn wijk bevinden. Hij gaat een nauw samenwerkingsverband aan met de geestelijk verzorger met de hoogste anciënniteit op de basis (zie 38.10.1).

38.10.3

Kerkoriëntatie voor opgeroepen militairen

In de kerkoriëntatie voor opgeroepen militairen worden leden die in de krijgsmacht gaan, ingelicht over wat zij in militaire dienst van de kerk kunnen verwachten wat kerkdiensten en activiteiten betreft. Deze oriëntatie kan op wijk- of ringniveau worden gehouden. Een lid van het ringpresidium of de bisschap roept een instructeur, bij voorkeur iemand met een recente militaire achtergrond, om deze oriëntatie te leiden.

Bij de oriëntatie kunnen eventueel de Engelstalige video’s Serving Your Country en Let Not Your Heart Be Troubled bekeken worden. Het lid ontvangt een military scripture set, een identificatieplaatje van de kerk en de brochure Serving Your Country. Als een lid deze oriëntatie niet bijwoont vóór het aan zijn basisopleiding begint, zorgt de bisschop, gemeentepresident of groepsleider van leden in de krijgsmacht die verantwoordelijk is voor militairen in opleiding ervoor dat het lid die zo spoedig mogelijk op de militaire basis krijgt.

38.10.4

Kerkunits voor leden in de krijgsmacht

Leden in de krijgsmacht maken doorgaans deel uit van een wijk of gemeente in de buurt van de basis waar zij gelegerd zijn. In de volgende situaties kan de ring- of zendingspresident echter een wijk, gemeente of groep voor leden in de krijgsmacht en hun gezin op de basis stichten:

  • Er is geen unit op redelijke reisafstand van de militaire basis waar de kerkleden gelegerd zijn.

  • De militairen zijn in een land gelegerd waar in de plaatselijke wijk of gemeente een taal gesproken wordt die ze niet verstaan.

  • De militairen kunnen de militaire basis niet af vanwege opleidingseisen of andere restricties.

  • De militaire eenheid waarin de kerkleden dienen, is of wordt wegens militaire operaties gestationeerd in een plaats waar de kerk geen units heeft of waar de plaatselijke kerkunit de leden niet voldoende kan opvangen doordat er een andere taal wordt gesproken, of waar het bijwonen van de plaatselijke diensten niet haalbaar is.

  • Leden die reservist zijn of lid zijn van de Amerikaanse National Guard en aan weekendexercities of jaarlijkse oefeningen deelnemen.

Wijken en gemeenten op militaire bases worden gesticht overeenkomstig de procedures in hoofdstuk 37.

Doorgaans wordt er eerder een wijk of een gemeente dan een groep voor leden in de krijgsmacht gesticht, als er behoefte is aan steun voor zowel de militairen als hun gezinsleden. Ook kan er een wijk of gemeente worden gesticht voor militairen zonder hun gezin als men verwacht geruime tijd kerkdiensten en -programma’s te zullen verzorgen voor leden die in opleiding zijn of afgelegen gelegerd zijn. Defensie staat kerkleden zonder militaire functies doorgaans niet toe om deel uit te maken van wijken of gemeenten die gebruik maken van gebouwen op de basis.

Als de omstandigheden de stichting van een wijk of gemeente op een militaire basis niet rechtvaardigen, kan de ring- of zendingspresident een groep voor militairen stichten. Een groep voor militairen is een kleine kerkunit die kerkdiensten houdt en over leden waakt. De groepsleider draagt echter geen priesterschapssleutels en is dus niet gemachtigd om tiende en andere offergaven in ontvangst te nemen, leden te begeleiden bij ernstige zonden, lidmaatschapsprivileges in te perken of andere taken te vervullen waar sleutels voor nodig zijn. Neem voor informatie over groepen voor leden in de krijgsmacht contact op met de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten, of ga naar military.ChurchofJesusChrist.org.

Leiders van groepen voor leden in de krijgsmacht in afgelegen gebieden kunnen kerkmateriaal en benodigdheden aanvragen bij de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten.

Afhankelijk van de behoeften van leden onder de wapenen kunnen de kerkprogramma’s in een wijk, gemeente of groep voor leden in de krijgsmacht die bijeenkomt op een militaire basis, beperkt van opzet en omvang zijn.

Wanneer er een kerkunit op een militaire basis wordt gesticht, is overleg met de geestelijk verzorger met de hoogste anciënniteit op de basis nodig om de tijden van bijeenkomsten en het gebruik van de voorzieningen op de basis te coördineren. Als er geen geestelijk verzorger aan de basis is toegewezen, overlegt de ringpresident met de commandant.

38.10.5

Groepsleiders in afgelegen of oorlogsgebieden

Hoewel de ring- of zendingspresident doorgaans groepsleiders voor militairen roept en aanstelt, is dat in afgelegen of oorlogsgebieden niet altijd mogelijk. Aangezien een groepsleider geen priesterschapssleutels ontvangt, is het toegestaan dat hij benoemd wordt zonder te worden aangesteld. De priesterschapsleider die verantwoordelijk is voor het gebied mag een goede Melchizedeks-priesterschapsdrager benoemen tot groepsleider. Wel informeert hij eerst bij diens bisschop en ringpresident of hij de kerknormen naleeft. Als er een geestelijk verzorger van de kerk in het gebied is, kan de priesterschapsleider hem machtigen om een groepsleider te roepen en aan te stellen.

Als een kerklid in de krijgsmacht niet met andere kerkleden kan samenkomen, mag de bisschop hem machtigen om het avondmaal te bedienen en te gebruiken als hij priester in het Aäronisch priesterschap is of het Melchizedeks priesterschap draagt. Als er meerdere kerkleden op een locatie zijn, wordt er een groepsleider geroepen om kerkdiensten te leiden en het avondmaal te bedienen.

Als er een groepsleider is geroepen, wordt de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten daarvan in kennis gesteld. De groepsleider ontvangt een aanstellingsbrief. Defensie stelt deze brief verplicht voordat de groepsleider kerkdiensten kan houden.

38.10.6

Zending en dienstplicht

In landen waar dienstplicht geldt, onderzoeken ringpresidenten en bisschoppen hoe deze wetten van toepassing zijn op de leden van de kerk die een zending willen vervullen. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld kan iemand die zich aanmeldt voor actief dienstverband voordat hij een zending vervult, zijn dienstverband niet voor een zending onderbreken. Wie zich aanmeldt bij de reservisten of gardisten kan na de basis- en vervolgopleiding op zending gaan. Leidinggevenden nemen voor aanvullende informatie contact op met de afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten van de kerk.

38.10.7

Geestelijk verzorgers van de kerk

De afdeling militaire zaken en geestelijk-verzorgersdiensten van de kerk zorgt voor een gecentraliseerde ondersteuning voor mannelijke en vrouwelijke geestelijk verzorgers die in verschillende overheidsinstellingen en niet-overheidsinstellingen werkzaam zijn. Deze instellingen omvatten het leger, ziekenhuizen, gasthuisorganisaties, gevangenissen, detentiecentra, politie en brandweer, grenspolitie, burger- en veteranenorganisaties, en hogescholen en universiteiten. Elke organisatie legt vast waaraan de geestelijk verzorger qua opleiding en ervaring moet voldoen, maar heeft ook instemming van de kerk nodig voordat iemand de functie van geestelijk verzorger kan vervullen.

Geestelijk verzorgers bedienen mensen van alle geloofsrichtingen, inclusief heiligen der laatste dagen. Ze zorgen ervoor dat iedereen godsdienstvrijheid wordt toegestaan en komen tegemoet aan de godsdienstige behoeften van wie zij dienen.

De omvang en het type van de bediening die een geestelijk verzorger biedt, varieert sterk afhankelijk van de situatie. Militair geestelijk verzorgers mogen bijvoorbeeld:

  • Niet-confessionele christelijke bijeenkomsten leiden.

  • Burgerlijke huwelijken voltrekken.

  • Bevelhebbers helpen om overlijdensberichten op te stellen.

  • Uitvaart- en herdenkingsdiensten houden.

  • Rouwbegeleiding geven.

  • Zelfmoordpreventietraining leiden.

  • Geestelijke zorg en begeleiding aan zowel de militairen als hun gezin verlenen.

Zie 38.3 voor informatie over geestelijk verzorgers van de kerk en burgerlijke huwelijken voltrekken.

Geestelijk verzorgers kunnen kerkleden, onder toezicht van hun priesterschapsleiders, bij het bekeringsproces begeleiden. Leden moeten ernstige overtredingen echter met hun bisschop of ringpresident afwikkelen om het proces te voltooien.

Militaire geestelijk verzorgers van de kerk in een afgelegen of oorlogsgebied mogen aanvullende taken vervullen onder leiding van hun kerkleiders. Geestelijk verzorgers van de kerk die Melchizedeks-priesterschapsdrager zijn, mogen bijvoorbeeld leden in de krijgsmacht roepen en aanstellen. Als zij daar toestemming van kerkleiders voor hebben gekregen, kunnen zij ook een gesprek voeren met een lid in de krijgsmacht voor de doop, bevestiging, en ordening tot het Aäronisch of Melchizedeks priesterschap als er door omstandigheden geen contact met voltijdzendelingen of de bisschop of ringpresident van het lid in de krijgsmacht mogelijk is.

Als de taken van geestelijk verzorgers ze ervan weerhouden hun eigen wijk te bezoeken, vragen zij hun ringpresident toestemming om de diensten in een andere wijk te mogen bijwonen.

38.10.8

Het garment in de krijgsmacht

Als een lid dat in de krijgsmacht gaat zijn begiftiging heeft ontvangen, ziet zijn bisschop erop toe dat hij of zij de onderstaande richtlijnen begrijpt.

Zo mogelijk dragen begiftigde leden in de krijgsmacht het garment zoals elk ander lid. Zij voorkomen echter dat het garment in het zicht komt van hen die de betekenis ervan niet begrijpen. Als de omstandigheden dit onvermijdelijk maken, zoeken de leden de leiding van de Geest en gebruiken tact, discretie en wijsheid. Zo kan het beter zijn om het garment tijdelijk niet te dragen en pas weer aan te doen als de situatie dat toelaat. Het garment alleen om redenen van gemak niet dragen, is ongepast.

Als de militaire voorschriften het dragen van een garment onmogelijk maken, is dat niet van invloed op iemands kerkelijke status, op voorwaarde dat hij of zij zich aan de kerknormen houdt. Als leden in de krijgsmacht het garment niet kunnen dragen vanwege militaire voorschriften of omstandigheden die zij niet in de hand hebben, dan hebben zij de plicht en het (voor)recht om het weer te gaan dragen zodra dat kan.

Leden in de krijgsmacht gaan in hun militaire eenheid na aan welke specifieke eisen hun onderkleding moet voldoen, zoals kleur of halslijn. Bij de distributiecentra van de kerk kunnen aangepaste garments worden besteld, die voldoen aan de specificaties van de kerk en het Amerikaanse leger en de Amerikaanse luchtmacht. Dit is een tweedelig lichtbruin garment met een T-shirt met ronde halslijn. Dit draagt men onder het gevechtstenue als de militaire voorschriften dat voorschrijven. Aangezien het T-shirt beschouwd wordt als deel van het uniform zijn de merktekens aan de binnenkant gedrukt, zodat ze niet zichtbaar zijn als het T-shirt zonder het tenue-shirt wordt gedragen.

Als een krijgsmachtonderdeel een andere kleur T-shirt eist, kunnen de voorgeschreven militaire T-shirts worden gekocht en naar Beehive Clothing worden opgestuurd om daar van merktekens te worden voorzien. Zowel de witte als de lichtbruine onderbroek van het garment kan bij dat hemd met voorgeschreven kleur gedragen worden.

Bepaalde synthetische stoffen zijn zeer brandbaar en kunnen gevaar opleveren voor piloten of anderen die aan vuur worden blootgesteld. Alle van nylon en sommige van polyether vervaardigde materialen vallen in die categorie. Militaire autoriteiten hebben aangegeven dat katoen veruit de veiligste stof is om te dragen. In die situaties draagt men een garment van honderd procent katoen.

Als leden een aangepast garment nodig hebben, nemen ze contact op met het distributiecentrum. Ze kunnen eventueel ook het Uniform Garment Marking Order Form gebruiken.

38.10.9

Zendingsechtparen

Gepensioneerde echtparen met een militaire achtergrond worden als zendingsechtparen geroepen naar bepaalde militaire bases om plaatselijke priesterschapsleiders op het gebied van heractivering en behoud van bekeerlingen te assisteren. Ze bieden ook steun aan gezinnen van uitgezonden leden in de krijgsmacht tijdens hun afwezigheid.

38.10.10

Overige informatie

Zie 33.6.8 voor informatie over lidmaatschapskaarten van leden in de krijgsmacht.

Zie 38.2.12.3 voor informatie over patriarchale zegens voor leden in de krijgsmacht.

Zie 38.2.5.4 voor informatie over de ordening van leden in de krijgsmacht in afgelegen gebieden.

Zie 26.2.3 voor informatie over de uitgifte van tempelaanbevelingen in afgelegen gebieden.

Als kerkleiders vragen hebben over militaire zaken, nemen ze contact op met:

Military Relations Division

50 East North Temple Street, Room 2048

Salt Lake City, UT 84150–0020, VS

Telefoon: +1 801 240 2286

E-mail: pst-military@ChurchofJesusChrist.org