Handboeken en roepingen
18. Priesterschapsverordeningen en -zegens
Voetnoten

Hide Footnotes

Thema

‘18. Priesterschapsverordeningen en -zegens’, Algemeen handboek: dienen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (2020).

‘18. Priesterschapsverordeningen en -zegens’, Algemeen handboek.

18.

Priesterschapsverordeningen en -zegens

18.0

Inleiding

Verordeningen en zegens zijn gewijde handelingen die met het gezag van het priesterschap en in de naam van Jezus Christus worden verricht. Priesterschapsdragers die verordeningen verrichten en zegens geven, volgen het voorbeeld van de Heiland, die veel mensen zegende. Priesterschapsverordeningen en -zegens bieden toegang tot Gods macht (zie Leer en Verbonden 84:20).

Verordeningen en zegens worden met geloof in onze hemelse Vader en Jezus Christus met de leiding van de Heilige Geest verricht. De leiders zorgen dat ze met de juiste goedkeuring (waar nodig), met het vereiste priesterschapsgezag, op de juiste wijze en door waardige deelnemers worden verricht (zie 18.3).

Zie 38.2 voor het beleid inzake priesterschapsverordeningen en -zegens.

18.1

Verordeningen van heil en verhoging

Het priesterschap houdt het gezag in om evangelieverordeningen te bedienen die voor ons heil en onze verhoging noodzakelijk zijn. Mensen sluiten heilige verbonden met God als ze die verordeningen ontvangen. De verordeningen van heil en verhoging zijn:

  • Doop

  • Bevestiging en gave van de Heilige Geest

  • Verlening van het Melchizedeks priesterschap en ordening tot een ambt (voor mannen)

  • Tempelbegiftiging

  • Tempelverzegeling

De verordeningen van heil en verhoging worden niet verricht voor personen met verstandelijke beperkingen waardoor ze niet toerekeningsvatbaar zijn en geen verbonden met God kunnen sluiten. Deze verordeningen worden evenmin verricht voor kinderen die voor hun 8e zijn overleden. Voor hen geldt dat zij ‘behouden worden in het celestiale koninkrijk van de hemel’ (Leer en Verbonden 137:10; zie ook Moroni 8:8–12).

18.2

Overige verordeningen en zegens

Overige verordeningen en zegens brengen Gods macht, genezing, troost en leiding binnen het bereik van zijn kinderen. Deze verordeningen en zegens zijn:

  • Kinderen een naam en een zegen geven

  • Het avondmaal

  • Verlening van het Aäronisch priesterschap en ordening tot een ambt (voor jongemannen en mannen)

  • Leden voor een roeping aanstellen

  • Olie wijden

  • Zieken zalven

  • Zegen tot troost en raad, waaronder een vaderlijke zegen

  • Woning wijden

  • Graf wijden

  • Patriarchale zegen door een geordende patriarch

18.3

Deelname aan verordeningen of zegens

Wie een verordening verricht of een zegen geeft, of eraan deelneemt, moet het juiste priesterschapsgezag hebben en deelname waardig zijn. Doorgaans betekent dit dat iemand tempelwaardig moet zijn. Bisschoppen en ringpresidenten kunnen echter, geleid door de Geest en de richtlijnen in dit hoofdstuk, toestaan dat een vader of echtgenoot met het juiste priesterschapsambt die niet helemaal tempelwaardig is, bepaalde verordeningen en zegens verricht of eraan deelneemt. Een priesterschapsdrager met ernstige onafgewikkelde zonden dient niet deel te nemen.

Doorgaans nemen alleen priesterschapsleiders en andere priesterschapsdragers die naaste familie of vrienden zijn aan een verordening of zegen deel.

Als er maar één of twee priesterschapsdragers deelnemen, leggen zij hun handen licht op het hoofd van de betrokkene. Bij meer deelnemers staan ze in een kring om de persoon die de verordening of zegen ontvangt heen. Ieder laat zijn rechterhand licht op het hoofd van de betrokkene rusten (of houdt die onder de baby) en legt zijn linkerhand op de schouder van de broeder links van hem. Eén broeder verricht de verordening of spreekt de zegen uit.

Voor het verrichten of ontvangen van sommige verordeningen en zegens is goedkeuring van een presiderende leider met de nodige priesterschapssleutels vereist (zie 3.4.1). Goedkeuring kan ook gegeven worden door iemand die hij gemachtigd heeft, bijvoorbeeld een van zijn raadgevers. Zie de volgende overzichten.

Welke leiders hebben sleutelgezag om het verrichten of ontvangen van de verordeningen van heil en verhoging goed te keuren?

Verordening

Wie heeft sleutelgezag

Verordening

Doop

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop (voor 8-jarige kinderen die zijn ingeschreven)

Zendingspresident (voor bekeerlingen)

Verordening

Bevestiging en gave van de Heilige Geest

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop (voor 8-jarige kinderen die zijn ingeschreven)

Zendingspresident (voor bekeerlingen)

Verordening

Verlening van het Melchizedeks priesterschap en ordening tot een ambt (voor mannen)

Wie heeft sleutelgezag

Ringpresident

Verordening

Tempelbegiftiging

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop en ringpresident

Verordening

Tempelverzegeling

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop en ringpresident

Welke leiders hebben sleutelgezag om het verrichten of ontvangen van de overige verordeningen en zegens goed te keuren?

Verordening of zegen

Wie heeft sleutelgezag

Verordening of zegen

Kinderen een naam en een zegen geven

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop

Verordening of zegen

Het avondmaal

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop

Verordening of zegen

Verlening van het Aäronisch priesterschap en ordening tot een ambt (voor jongemannen en mannen)

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop

Verordening of zegen

Leden voor een roeping aanstellen

Wie heeft sleutelgezag

Zie het ‘Overzicht van roepingen’ (30.7)

Verordening of zegen

Olie wijden

Wie heeft sleutelgezag

Geen goedkeuring nodig

Verordening of zegen

Zieken zalven

Wie heeft sleutelgezag

Geen goedkeuring nodig

Verordening of zegen

Zegen tot troost en raad, waaronder een vaderlijke zegen

Wie heeft sleutelgezag

Geen goedkeuring nodig

Verordening of zegen

Woning wijden

Wie heeft sleutelgezag

Geen goedkeuring nodig

Verordening of zegen

Graf wijden

Wie heeft sleutelgezag

De priesterschapsleider die de dienst presideert

Verordening of zegen

Patriarchale zegen

Wie heeft sleutelgezag

Bisschop

18.4

Verordeningen voor minderjarigen kinderen

Een minderjarig kind mag alleen met de toestemming van (1) ouders met zeggenschap in de beslissing of (2) wettige voogden worden gezegend, gedoopt, bevestigd, geordend tot een priesterschapsambt of voor een roeping worden aangesteld. Voor vragen over de wettelijke rechten van ouders die geen voogdij hebben, wint de bisschop of ringpresident juridisch advies in bij het kantoor van de juridische dienst van de kerk of bij het gebiedskantoor (zie 38.8.26).

Zie 38.2.3.6 voor richtlijnen over de doop en bevestiging van minderjarige kinderen.

18.5

Verordeningen verricht voor en door personen met een handicap

Zie 38.2.1.8 en 38.2.1.9.

18.6

Kinderen een naam en een zegen geven

‘Ieder lid van de kerk van Christus met kinderen moet hen ten overstaan van de kerk bij de ouderlingen brengen, die hun handen op hen moeten leggen in de naam van Jezus Christus en hen in zijn naam zegenen’ (Leer en Verbonden 20:70).

Kinderen krijgen doorgaans een naam en een zegen in de vasten-en-getuigenisdienst in de wijk waar de ouders naar de kerk gaan. Als de ouders niet bij elkaar wonen, wordt de verordening doorgaans verricht in de wijk waar het kind voornamelijk zal verblijven.

Uitzonderingen op deze richtlijnen moeten door de bisschop worden goedgekeurd. Mogelijke uitzonderingen zijn onder meer een naam en zegen geven buiten de vastenzondag om, met name in wijken met veel pasgeboren baby’s; een naam en zegen geven in een andere wijk waar de grootouders of veel familieleden wonen; en een naam en zegen thuis geven.

18.6.1

Wie geeft de zegen

De verordening van een kind een naam en een zegen geven wordt in overeenstemming met Leer en Verbonden 20:70 door Melchizedeks-priesterschapsdragers verricht. Priesterschapsleiders stellen de leden hiervan in kennis voordat hun kinderen een naam en een zegen ontvangen. Leiders doen er alles aan om te voorkomen dat er iemand of een gezin wordt gekwetst of in verlegenheid wordt gebracht.

Betrokkenen maken hun wens dat een kind een naam en een zegen krijgt aan de bisschop kenbaar en stemmen de verordening met hem af. Hij draagt de priesterschapssleutels om kinderen in de wijk een naam en een zegen te geven.

Een bisschop mag een vader die het Melchizedeks priesterschap draagt, toestaan om diens kind een naam en een zegen te geven, zelfs als de vader niet helemaal tempelwaardig is (zie 18.3). De bisschop moedigt vaders aan om zich op het zegenen van hun eigen kinderen voor te bereiden.

Als iemand buiten zijn eigen wijk een kind een naam en zegen geeft, moet hij een geldige tempelaanbeveling aan de presiderende leider tonen. Hij kan ook een Aanbeveling tot het verrichten van een verordening tonen die door een lid van zijn bisschap is ondertekend.

18.6.2

Instructies

Op aanwijzing van de bisschap nemen Melchizedeks-priesterschapsdragers in een kring plaats om een kind een naam en een zegen te geven. Ze plaatsen hun handen onder een baby of laten hun handen licht op het hoofd van een ouder kind rusten. De persoon die de verordening verricht:

  1. Spreekt onze hemelse Vader als in een gebed aan.

  2. Verklaart dat de zegen krachtens het Melchizedeks priesterschap gegeven wordt.

  3. Geeft het kind een naam.

  4. Spreekt het kind aan.

  5. Geeft het kind een zegen zoals de Geest hem ingeeft.

  6. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.6.3

Formulier Inschrijving kind en certificaat van zegen

Voordat een kind een zegen krijgt, vult een administrateur in Hulpmiddelen leiders en administrateurs het formulier Inschrijving kind in. Na de zegen maakt hij een lidmaatschapskaart in dat systeem aan en zorgt voor een certificaat van zegen. De bisschop ondertekent het certificaat, waarna het aan de ouders of voogden van het kind wordt overhandigd.

De naam op de lidmaatschapskaart en het certificaat moet met de naam op het geboortebewijs, de geboorteakte of de huidige wettige naam overeenkomen.

18.7

Doop

De doop door onderdompeling door iemand die daartoe het gezag bezit, is noodzakelijk als iemand lid van de kerk wil worden en de Heilige Geest wil ontvangen. Ieder die naar verhoging streeft, moet het voorbeeld van de Heiland volgen door deze verordeningen te ontvangen. (Zie Mattheüs 3:13–17; Johannes 3:3–7; Handelingen 2:37–38; 2 Nephi 31:5–10.)

18.7.1

Goedkeuring voor iemands doop en bevestiging

18.7.1.1

Ingeschreven kinderen

De bisschop draagt de priesterschapssleutels voor de doop van 8-jarige ingeschreven kinderen in een wijk. Die kinderen dienen redelijkerwijs op of spoedig na hun 8e verjaardag gedoopt en bevestigd te worden (zie Leer en Verbonden 68:27). Dit zijn kinderen voor wie er al een lidmaatschapskaart bestaat (zie 33.6.2). Als zij 8 jaar worden, ziet de bisschop erop toe dat ze alle kansen krijgen om het evangelie te aanvaarden en zich te laten dopen en bevestigen.

De bisschop of een daartoe aangewezen raadgever voert een gesprek voor de doop en bevestiging met:

  • Ingeschreven kinderen van 8 jaar.

  • Kinderen van 8 jaar die niet staan ingeschreven, maar van wie ten minste één ouder of voogd lid van de kerk is.

Zie 38.2.3.3 voor instructies over gesprekken. Zie 18.8.3 voor informatie over het invullen van de doop-en-bevestigingskaart.

De bisschop schenkt bijzondere aandacht aan de 7-jarigen in de wijk. Hij ziet erop toe dat de ouders, leidsters en leerkrachten in het jeugdwerk, en wie het gezin bedienen, deze kinderen op de doop en bevestiging voorbereiden. Ook de leidinggevenden in het ouderlingenquorum en de ZHV moedigen de ouders aan om hun kinderen op deze verordeningen voor te bereiden.

18.7.1.2

Bekeerlingen

De zendingspresident draagt de priesterschapssleutels voor de doop van bekeerlingen in een zendingsgebied. Onder een bekeerling wordt verstaan:

  • Iemand van 9 jaar of ouder die niet eerder is gedoopt en bevestigd.

  • Een kind van 8 jaar of ouder van wie de ouders (1) geen lid zijn of (2) zich tegelijk met het kind laten dopen en bevestigen.

Een voltijdzendeling voert een gesprek voor doop en bevestiging met iedere bekeerling. In 38.2.3.3 staan daarvoor instructies. Zie 18.8.3 voor informatie over het invullen van de doop-en-bevestigingskaart.

18.7.2

Doopdienst

Een doopdienst is eenvoudig, kort en geestelijk opbouwend. De volgende elementen zijn gebruikelijk:

  1. Preludium

  2. Kort welkomstwoord van de broeder die de dienst leidt

  3. Openingslofzang en -gebed

  4. Een of twee korte toespraken over evangelieonderwerpen, zoals de doop en de gave van de Heilige Geest

  5. Muzikale bijdrage

  6. De doop

  7. Een moment van eerbied terwijl de mensen die aan de doop hebben deelgenomen zich omkleden (speel of zing desgewenst lofzangen of jeugdwerkliedjes om de tijd te vullen)

  8. De bevestiging van 8-jarige ingeschreven kinderen; de bevestiging van bekeerlingen indien de bisschop daartoe besluit (zie 38.2.3.2)

  9. Getuigenis door nieuwe bekeerlingen, indien gewenst

  10. Slotlofzang en -gebed

  11. Postludium

Een doopdienst voor 8-jarige ingeschreven kinderen uit één wijk wordt door een lid van de bisschap gepland en geleid. Hij kan jeugdwerkleidsters vragen om met de planning te helpen.

Een lid van het ringpresidium of een aangewezen hogeraadslid plant en leidt de doopdienst als de kinderen uit meerdere wijken afkomstig zijn. Hij kan jeugdwerkleidsters vragen om met de planning te helpen. Een lid van de bisschap uit elke wijk met een kind dat zich laat dopen, is aanwezig.

De leden moeten niet om aparte doopdiensten vragen voor een kind. Ze moeten de inhoud van de dienst ook niet voorschrijven.

Zodra zij aan de vereisten in 38.2.3.3 voldoen, moet er een doopdienst voor bekeerlingen worden gepland. De doop van een gezinslid moet niet worden uitgesteld totdat de vader het priesterschap ontvangt en de doop zelf kan verrichten.

De wijkzendingsleider (indien geroepen) of het lid van het quorumpresidium ouderlingen dat leiding aan het zendingswerk geeft, plant en leidt op aanwijzing van de bisschap doopdiensten voor bekeerlingen.

18.7.3

Wie verricht de verordening

De doopverordening wordt door een priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager verricht. Wie de doop verricht, moet toestemming van de bisschop hebben (of van de zendingspresident als een voltijdzendeling de doop verricht).

Een bisschop kan een vader die priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager is, toestaan om diens kind te dopen, zelfs als de vader niet helemaal tempelwaardig is (zie 18.3). De bisschop moedigt vaders aan om zich op het dopen van hun eigen kinderen voor te bereiden.

Als iemand buiten zijn eigen wijk een doop verricht, moet hij een geldige tempelaanbeveling aan de presiderende leider tonen. Hij kan ook een Aanbeveling tot het verrichten van een verordening tonen die door een lid van zijn bisschap is ondertekend.

18.7.4

Waar wordt de verordening verricht

Dopen worden in een doopvont verricht als die beschikbaar is. Als er geen doopvont is, mag de doop in elk veilig water plaatsvinden. De doper en de dopeling moeten wel beiden in het water kunnen staan. Het water wordt niet voor de doop gewijd.

Het gebruik van een doopvont wordt via een aangewezen lid in de wijk van de bisschop-beheerder ingeroosterd.

Omwille van de veiligheid blijft er altijd een volwassene bij een doopvont die met water wordt gevuld. Die persoon verlaat zijn post pas als de vont leeg, schoon en afgesloten is. De vont moet direct na elke doopdienst geleegd worden. Als de doopvont niet in gebruik is, moeten de toegangsdeuren op slot zijn.

18.7.5

Kleding

De doper en de dopeling dragen witte kleding die nat niet doorschijnt. Een doper die zijn begiftiging heeft ontvangen, draagt bij de doop zijn garment. Plaatselijke units schaffen uit hun budget doopkleding aan; het gebruik ervan is kosteloos.

18.7.6

Getuigen

Bij elke doop zien twee door de presiderende leider goedgekeurde getuigen erop toe dat de verordening goed verricht wordt. Gedoopte leden van de kerk, ook kinderen en jongeren, mogen als getuige optreden.

De doop moet worden overgedaan als het gebed niet precies volgens Leer en Verbonden 20:73 wordt uitgesproken. Dat is ook het geval als een deel van het lichaam, het haar of de kleding niet helemaal wordt ondergedompeld.

18.7.7

Instructies

De priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager die de doopverordening verricht:

  1. Staat met de dopeling in het water.

  2. Houdt (voor het gemak en de veiligheid) de rechterpols van de dopeling in zijn linkerhand. De dopeling omklemt met zijn of haar linkerhand de linkerpols van de doper.

  3. De doper heft zijn rechterarm in een rechte hoek op.

  4. Noemt de dopeling bij zijn of haar volledige naam en zegt: ‘Door Jezus Christus gemachtigd doop ik u in de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest. Amen’ (Leer en Verbonden 20:73).

  5. Laat (ter voorkoming van ongemak) de dopeling zijn of haar neus met de rechterhand dichtknijpen; legt vervolgens zijn rechterhand hoog op de rug van de dopeling en dompelt hem of haar geheel, kleding en al, onder. Het onderdompelen gaat makkelijker als de dopeling iets door de knieën zakt.

  6. Helpt de dopeling uit het water omhoog.

18.7.8

Doopkaart

Zie 18.8.3 voor informatie over het aanmaken van een doopkaart.

18.8

Bevestiging en gave van de Heilige Geest

Na de doop wordt de betrokkene als lid van de kerk bevestigd en ontvangt hij of zij door handoplegging de gave van de Heilige Geest (zie Leer en Verbonden 20:41; Handelingen 19:1–7). Iemand is lid van de kerk als beide verordeningen verricht en correct geregistreerd zijn (zie Johannes 3:5; Leer en Verbonden 33:11; 3 Nephi 27:20).

De bisschop draagt de priesterschapssleutels voor de bevestiging van 8-jarige ingeschreven kinderen in een wijk. De zendingspresident draagt de sleutels voor de bevestiging van bekeerlingen in een zendingsgebied (zie 18.7.1.2 voor een definitie van de doop van een bekeerling). De bisschop ziet echter toe op deze verordening voor 8-jarige ingeschreven kinderen en voor bekeerlingen.

Kinderen van 8 jaar worden doorgaans op de dag van hun doop bevestigd. Bekeerlingen worden doorgaans bevestigd in een avondmaalsdienst van de wijk waartoe zij behoren, bij voorkeur op de zondag na hun doop. De bisschop mag echter bij wijze van uitzondering toestaan dat bekeerlingen tijdens de doopdienst bevestigd worden (zie 38.2.3.2). Bisschoppen volgen de richtlijnen in 29.2.2.8 bij het voorstellen van nieuwe leden.

18.8.1

Wie verricht de verordening

De verordening van de bevestiging wordt door Melchizedeks-priesterschapsdragers verricht. Wie de verordening verricht, moet toestemming van de bisschop hebben (of van de zendingspresident als een voltijdzendeling de bevestiging verricht).

Alleen een tempelwaardige Melchizedeks-priesterschapsdrager mag een bevestiging verrichten. Een bisschop mag een vader die het Melchizedeks priesterschap draagt, echter toestaan om in de kring voor de bevestiging van diens kind te staan, zelfs als de vader niet helemaal tempelwaardig is (zie 18.3).

Ten minste één lid van de bisschap neemt aan die verordening deel. Als de bekeerling onderricht heeft gekregen van voltijdzendelingen, nodigt de bisschop hen uit om ook deel te nemen.

Als iemand deze verordening buiten zijn eigen wijk verricht, moet hij een geldige tempelaanbeveling aan de presiderende leider tonen. Hij kan ook een Aanbeveling tot het verrichten van een verordening tonen die door een lid van zijn bisschap is ondertekend.

18.8.2

Instructies

Op aanwijzing van de bisschap mogen één of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers aan de bevestiging deelnemen. Zij leggen hun handen licht op het hoofd van de betrokkene. De persoon die de verordening verricht:

  1. Noemt de betrokkene bij zijn of haar volledige naam.

  2. Verklaart dat de verordening krachtens het Melchizedeks priesterschap verricht wordt.

  3. Bevestigt de betrokkene tot lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

  4. Zegt ‘ontvang de Heilige Geest’ (niet ‘ontvang de gave van de Heilige Geest’).

  5. Spreekt een zegen uit zoals de Geest hem ingeeft.

  6. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.8.3

Doop-en-bevestigingskaart en -certificaat

Voordat een ingeschreven kind een doopgesprek heeft, vult een administrateur in Hulpmiddelen leiders en administrateurs het formulier Doop en bevestiging in. De bisschop of een aangewezen raadgever voert het gesprek en ondertekent het formulier. Een administrateur werkt de lidmaatschapskaart van het kind na de doop en bevestiging aan de hand van dit formulier bij in Hulpmiddelen leiders en administrateurs.

Als een voltijdzendeling het doopgesprek met een bekeerling voert, vult hij de doop-en-bevestigingskaart in, behalve de gegevens over de bevestiging. Bij de doopdienst overhandigen de zendelingen dit formulier aan de bisschop of een van zijn raadgevers. Na de bevestiging vult de bisschop, een raadgever of een administrateur de bevestigingsgegevens in en geeft twee kopieën van het formulier aan de zendelingen. De zendelingen sturen één exemplaar naar het zendingskantoor, zodat er een lidmaatschapskaart kan worden aangemaakt.

Als de lidmaatschapskaart is aangemaakt, maakt een administrateur een certificaat doop en bevestiging aan. De bisschop ondertekent het certificaat, waarna het aan de betrokkene wordt overhandigd.

De naam op de lidmaatschapskaart en het certificaat moet met de naam op het geboortebewijs, de geboorteakte of de huidige wettige naam overeenkomen.

18.9

Het avondmaal

De kerkleden komen op de sabbat bijeen om God te aanbidden en aan het avondmaal deel te nemen (zie Leer en Verbonden 20:75; 59:9; Moroni 6:5–6). Tijdens deze verordening nemen zij van het brood en water om het vlees en bloed te gedenken die de Heiland heeft geofferd, en om hun heilige verbonden te hernieuwen (zie Mattheüs 26:26–28; Bijbelvertaling van Joseph Smith, Markus 14:20–25; Lukas 22:15–20; 3 Nephi 18; Moroni 6:6). Iedereen is eerbiedig wanneer het avondmaal gezegend en rondgediend wordt.

18.9.1

Goedkeuring om het avondmaal te bedienen

De bisschop draagt de priesterschapssleutels voor de bediening van het avondmaal in de wijk. Allen die bij het klaarmaken, zegenen en ronddienen van het avondmaal betrokken zijn, doen dat met toestemming van hem of van iemand onder zijn leiding.

Als leden van zijn wijk niet in staat zijn om aan het avondmaal deel te nemen omdat ze aan huis gebonden zijn of zich in een ziekenhuis of andere zorginstelling bevinden, mag de bisschop enkele priesterschapsdragers machtigen om het avondmaal aan hen te bedienen. Hij mag dat ook doen als ze tijdelijk buiten de wijkgrenzen verblijven. Hij mag in andere gevallen echter geen toestemming geven om het avondmaal aan leden buiten zijn wijkgrenzen te bedienen.

In zeldzame omstandigheden worden er mogelijk gedurende een langere periode geen avondmaalsdiensten gehouden. In die gevallen mag een bisschop waardige priesterschapsdragers in zijn wijk machtigen om het avondmaal elke sabbat bij hen thuis voor te bereiden en te bedienen. De bisschop mag ze ook machtigen om het avondmaal voor te bereiden en te bedienen aan wijkleden die geen priesterschapsdrager thuis hebben.

Als de bisschop toestemming geeft om het avondmaal buiten de normale kerkdiensten voor te bereiden en te bedienen, blijven de instructies in 18.9.2 over wie de verordening verricht gewoon van kracht.

18.9.2

Wie verricht de verordening

  • Het avondmaal kan alleen door leraren, priesters en/of Melchizedeks-priesterschapsdragers worden voorbereid.

  • Het avondmaal kan alleen door priesters en/of Melchizedeks-priesterschapsdragers worden gezegend.

  • Het avondmaal kan alleen door diakenen, leraren, priesters en/of Melchizedeks-priesterschapsdragers worden rondgediend.

Bij voldoende Aäronisch-priesterschapsdragers worden die taken doorgaans door hen verricht. Als er niet genoeg diakenen zijn om het avondmaal rond te dienen, overlegt de quorumpresident diakenen met de bisschop wie er nog meer voor gevraagd kunnen worden. Hij schakelt doorgaans leraren en priesters in om bij te springen voordat hij ouderlingen en hogepriesters vraagt.

18.9.3

Richtlijnen voor het avondmaal

Vanwege het heilige karakter van het avondmaal is een gedegen voorbereiding geboden om orde en eerbied te waarborgen. De lakens voor de avondmaalstafel moeten wit, schoon en gestreken zijn. De avondmaalsschalen moeten schoon zijn. Avondmaalsschalen en -bekertjes moeten ruimschoots van tevoren besteld worden.

Wie het avondmaal bedienen, doen dat op waardige wijze, in het besef dat zij de Heer vertegenwoordigen. De bisschap moedigt ze aan om de verzoening van de Heiland te overdenken onder het voorbereiden, zegenen en ronddienen van het avondmaal.

Wie het avondmaal bedienen, zien er netjes en verzorgd uit. Ze dragen geen kleding of sieraden die anderen kunnen afleiden van de aanbidding en verbondshernieuwing, waar het avondmaal voor dient. De bisschop spreekt een priesterschapsdrager indien nodig liefdevol op dergelijke zaken aan. Hij houdt daarbij ook rekening met iemands ervaring in de kerk.

Het avondmaal wordt rustig op natuurlijke wijze rondgediend, niet overdreven formeel. Bepaalde handelingen (zoals de linkerhand op de rug doen) of uiterlijkheden (zoals dezelfde kleding) moeten bijvoorbeeld niet verplicht worden gesteld.

De aanwezigen zingen een avondmaalslofzang terwijl het brood wordt gebroken. Deze lofzang mag niet door solozang of instrumentale muziek vervangen worden. Er wordt tijdens de ronddiening van het avondmaal en direct daarna geen muziek gespeeld.

Leden met een glutenintolerantie bespreken met een lid van de bisschap welke aanpassingen voor het avondmaal gewenst zijn. De leden kunnen zelf allergeenvrij brood, of een ander substituut dat op gebroken brood lijkt, in een afgesloten plastic zakje of bekertje meenemen. Zij geven dit aan een priesterschapsdrager, die het in een apart schaaltje legt. De bisschap informeert degenen die het avondmaal ronddienen voor welke leden de allergeenvrije items zijn bestemd. De bisschap mag deze procedure zo nodig aanpassen.

Hoewel het avondmaal voor de leden van de kerk bestemd is, wordt er niets gedaan om te voorkomen dat anderen eraan deelnemen.

18.9.4

Instructies

  1. Wie het avondmaal voorbereiden, zegenen of ronddienen, wassen vooraf hun handen met zeep of een ander reinigingsmiddel.

  2. Vóór de dienst zetten leraren, priesters of Melchizedeks-priesterschapsdragers de schalen met ongebroken brood en de schalen met bekertjes schoon water klaar, en dekken ze af met een schoon tafellaken.

  3. Terwijl de wijkleden een avondmaalslofzang zingen, staan de broeders die het avondmaal zegenen eerbiedig op, verwijderen het laken dat de broodschalen bedekt en breken het brood in kleine brokjes.

  4. Na de lofzang knielt de broeder die het brood zegent neer en spreekt het avondmaalsgebed voor het brood uit (zie Leer en Verbonden 20:77).

  5. De bisschop ziet erop toe dat de avondmaalsgebeden duidelijk, correct en eerbiedig worden uitgesproken. Als iemand een fout maakt maar zichzelf corrigeert, is er geen verdere correctie nodig. Als hij de fout echter niet corrigeert, vraagt de bisschop hem vriendelijk het gebed over te doen. De bisschop doet dat met de nodige discretie. Hij brengt niemand onnodig in verlegenheid en doet geen afbreuk aan de verordening. De ander aan de avondmaalstafel kan naar behoefte hulp bieden.

  6. Na het gebed dienen priesterschapsdragers het brood eerbiedig onder de leden rond. De presiderende leider krijgt eerst, daarna is er geen vaste volgorde. Als een lid de schaal heeft aangepakt, mag hij of zij die aan een ander doorgeven.

  7. De leden nemen zo mogelijk met hun rechterhand van het avondmaal.

  8. Als het brood onder alle leden is rondgediend, brengen de broeders die het avondmaal ronddienen de schalen terug naar de avondmaalstafel. De broeders die het avondmaal zegenen, bedekken de broodschalen met een laken en verwijderen het laken dat de waterschalen bedekt.

  9. De broeder die het water zegent, knielt neer en spreekt het avondmaalsgebed voor het water uit (zie Leer en Verbonden 20:79). Hij zegt daarbij dit water in plaats van deze wijn.

  10. Na het gebed dienen priesterschapsdragers het water eerbiedig onder de leden rond. De presiderende leider krijgt eerst, daarna is er geen vaste volgorde.

  11. Als het water onder alle leden is rondgediend, brengen de broeders die het avondmaal ronddienden de schalen terug naar de avondmaalstafel. De broeders die het avondmaal zegenden, bedekken de schalen met een laken, waarna de broeders die het avondmaal zegenden en ronddienden naar hun plaats teruggaan.

  12. Degenen die het avondmaal hebben voorbereid, ruimen na de dienst alles op, vouwen de lakens op en gooien overgebleven stukjes brood weg.

18.10

Het priesterschap verlenen en tot een ambt ordenen

Er zijn twee priesterschapsafdelingen: het Aäronisch en het Melchizedeks priesterschap (zie 3.3; Leer en Verbonden 107:1, 6). Als iemand het priesterschap wordt verleend, wordt hij ook tot een ambt in dat priesterschap geordend. Als iemand het priesterschap eenmaal is verleend, hoeft hij daarna alleen tot andere ambten in dat priesterschap geordend te worden.

De ringpresident bezit het sleutelgezag voor de verlening van het Melchizedeks priesterschap en de ordening tot de ambten van ouderling en hogepriester. Doorgaans draagt de bisschop echter broeders voor deze ordeningen voor.

De bisschop bezit het sleutelgezag voor de verlening van het Aäronisch priesterschap en de ordening tot de ambten van diaken, leraar en priester. Broeders die de kerknormen naleven, worden gewoonlijk op de volgende leeftijden geordend, maar nooit voordien:

  • Diaken: aan het begin van het jaar waarin ze 12 worden

  • Leraar: aan het begin van het jaar waarin ze 14 worden

  • Priester: aan het begin van het jaar waarin ze 16 worden

Zie 38.2.5.1 en 38.2.5.2 voor instructies over de voordracht van en steunverlening aan deze broeders.

18.10.1

Wie verricht de verordening

De ringpresident, of een Melchizedeks-priesterschapsdrager op zijn aanwijzing, mag een man tot het ambt van ouderling ordenen. Alleen Melchizedeks-priesterschapsdragers mogen in de kring staan.

De ringpresident of een hogepriester op zijn aanwijzing mag een man tot het ambt van hogepriester ordenen. Alleen hogepriesters mogen in de kring staan.

Iemand die een man tot een ambt in het Melchizedeks priesterschap ordent, moet tempelwaardig zijn. De ringpresident of iemand die hij aanwijst, moet erbij aanwezig zijn.

Een priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager mag een broeder tot het ambt van diaken, leraar of priester ordenen. Hij moet door de bisschop gemachtigd zijn. De bisschop of iemand die hij aanwijst, moet erbij aanwezig zijn.

Iemand moet voor deelname aan de ordening van een broeder tot het Aäronisch priesterschap priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager zijn.

Een bisschop kan een vader die priester of Melchizedeks-priesterschapsdrager is, toestaan om diens zoon tot het ambt van diaken, leraar of priester te ordenen, zelfs als de vader niet helemaal tempelwaardig is (zie 18.3). De bisschop moedigt vaders aan om zich op het ordenen van hun eigen zoons voor te bereiden.

Als iemand deze verordening buiten zijn eigen wijk verricht, moet hij een geldige tempelaanbeveling aan de presiderende leider tonen. Hij kan ook een Aanbeveling tot het verrichten van een verordening tonen die door een lid van zijn bisschap is ondertekend.

18.10.2

Instructies

Bij de verlening van het priesterschap en ordening tot een priesterschapsambt leggen één of meer bevoegde priesterschapsdragers hun handen licht op het hoofd van de betreffende broeder. De persoon die de verordening verricht:

  1. Noemt de betrokkene bij zijn volledige naam.

  2. Verklaart dat de verordening verricht wordt met het gezag van het priesterschap (Aäronisch of Melchizedeks).

  3. Verleent het Aäronisch of Melchizedeks priesterschap, tenzij het al verleend is.

  4. Ordent de betrokkene tot een ambt in het Aäronisch of Melchizedeks priesterschap, en verleent alle rechten, machten en gezag van dat ambt. (Bij de verlening van het priesterschap of de ordening tot een ambt worden er geen priesterschapssleutels verleend, tenzij een bisschop wordt geordend.)

  5. Spreekt een zegen uit zoals de Geest hem ingeeft.

  6. Sluit in de naam van Jezus Christus.

Als iemand tot een priesterschapsambt wordt geordend als hem het betreffende priesterschap al is verleend, slaat de persoon die de verordening verricht stap 3 over.

Een ordening is een gelegenheid om een zegen uit te spreken. De betrokkene krijgt vóór en na de ordening uitgebreid raad en instructie over zijn taken. Daar moet de zegen niet op gericht zijn. Het is niet nodig om bij een ordening een gebed uit te spreken of om getuigenissen of instructie te geven.

18.10.3

Ordeningskaart en -certificaat

Voordat iemand een gesprek heeft om tot een ambt in het Melchizedeks priesterschap te worden geordend, vult een administrateur in Hulpmiddelen leiders en administrateurs een Ordeningskaart Melchizedeks priesterschap in. De ringpresident of een aangewezen raadgever voert het gesprek en ondertekent het formulier als aan alle waardigheidsnormen wordt voldaan.

Na de ordening vult de ringpresident of zijn aangewezen gemachtigde het formulier verder in en geeft het aan een administrateur. Die legt de ordening in Hulpmiddelen leiders en administrateurs vast en maakt een certificaat van ordening op. De ringpresident ondertekent het certificaat, waarna het aan de betrokkene wordt overhandigd.

Voordat iemand een gesprek heeft om tot een ambt in het Aäronisch priesterschap te worden geordend, vult een administrateur in Hulpmiddelen leiders en administrateurs een Ordeningskaart Aäronisch priesterschap in. De bisschop of een aangewezen raadgever voert het gesprek en ondertekent het formulier als aan alle waardigheidsnormen wordt voldaan.

Na de ordening vult de bisschop of aangewezen raadgever het formulier verder in en geeft het aan een administrateur. Die legt de ordening in Hulpmiddelen leiders en administrateurs vast en maakt een certificaat van ordening op. De bisschop ondertekent het certificaat, waarna het aan de betrokkene wordt overhandigd.

Op de ordeningskaart en het certificaat moet de huidige wettige naam van de betrokkene staan.

18.11

Leden voor een roeping aanstellen

De leden die voor een kerkfunctie zijn geroepen en gesteund, worden meestal voor die taak aangesteld (zie 3.4.3.1; Johannes 15:16; Leer en Verbonden 42:11). De betrokkene krijgt tijdens de aanstelling (1) gezag om in de roeping te handelen en (2) een zegen zoals de Geest die ingeeft.

Ringpresidenten, bisschoppen en quorumpresidenten ontvangen sleutels van presidentschap bij hun aanstelling (zie 3.4.1.1). Het woord sleutels moet echter niet worden gebruikt bij de aanstelling van leden voor andere taken, met inbegrip van raadgevers in een presidium.

Zie 30.6 voor informatie over het roepen, ordenen en aanstellen van bisschoppen.

18.11.1

Wie verricht de aanstelling

Een aanstelling wordt door een Melchizedeks-priesterschapsdrager verricht. Hij moet goedkeuring krijgen van de leider die de juiste priesterschapssleutels draagt. In het ‘Overzicht van roepingen’ staat wie er gemachtigd zijn om bepaalde aanstellingen te verrichten (zie 30.7). Een ouderling mag niet in de kring staan wanneer een broeder wordt aangesteld voor een functie waarvoor hij hogepriester moet zijn.

Op aanwijzing van de presiderende leider mogen één of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers aan een aanstelling deelnemen. Presidenten worden aangesteld vóór hun raadgevers.

Een presiderende leider mag een echtgenoot of vader die het Melchizedeks priesterschap draagt, toestaan om in de kring voor de aanstelling van diens vrouw of kinderen te staan, zelfs als hij niet helemaal tempelwaardig is (zie 18.3).

18.11.2

Instructies

Eén of meer gemachtigde Melchizedeks-priesterschapsdragers leggen hun handen licht op het hoofd van de betrokkene. De persoon die de verordening verricht:

  1. Noemt de betrokkene bij zijn of haar volledige naam.

  2. Verklaart dat hij handelt krachtens het Melchizedeks priesterschap.

  3. Stelt de betrokkene aan voor de roeping in de ring, de wijk, het quorum of de klas.

  4. Verleent sleutels als de betrokkene die moet ontvangen.

  5. Spreekt een zegen uit zoals de Geest hem ingeeft.

  6. Sluit in de naam van Jezus Christus.

Een aanstelling is geen formele bijeenkomst met gebeden of getuigenissen. Er worden bij die gelegenheid ook geen uitgebreide instructies gegeven. Die volgen later, niet als onderdeel van de zegen.

18.12

Olie wijden

Melchizedeks-priesterschapsdragers wijden olijfolie voordat die gebruikt wordt voor het zalven van de zieken en bezochten (zie Jakobus 5:14). Er mag geen andere olie gebruikt worden.

De leden nemen de olie niet in, evenmin smeren zij er zieke of gewonde lichaamsdelen mee in.

18.12.1

Wie verricht de verordening

Eén of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers mogen olie wijden. Zij hoeven daarvoor geen goedkeuring van een priesterschapsleider te vragen.

18.12.2

Instructies

De Melchizedeks-priesterschapsdrager die de olie wijdt:

  1. Houdt een open flesje olijfolie vast.

  2. Spreekt onze hemelse Vader als in een gebed aan.

  3. Verklaart dat hij handelt krachtens het Melchizedeks priesterschap.

  4. Wijdt de olie (niet het flesje) en bestemt deze voor het zegenen en zalven van de zieken en bezochten.

  5. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.13

Zieken zalven

Broeders zalven een zieke doorgaans op diens verzoek of op verzoek van anderen die zich om hem of haar bekommeren, zodat de zegen overeenkomstig hun geloof plaatsvindt (zie Jakobus 5:14; Leer en Verbonden 24:13–14; 42:43–44, 48–52).

Het zalven van zieken ‘door handoplegging’ bestaat uit twee onderdelen: de zalving met olie en de verzegeling van de zalving met een zegen. Als er geen gewijde olie voorhanden is, mag een zegen krachtens het Melchizedeks priesterschap gegeven worden zonder te zalven.

Als iemand om meer dan één zegen voor dezelfde aandoening vraagt, is het niet nodig om na de eerste zegen nog eens te zalven. Een priesterschapsdrager kan met het gezag van het Melchizedeks priesterschap nog een zegen door handoplegging geven. Nog een keer zalven is echter wel toegestaan.

Priesterschapsdragers die een ziekenhuis bezoeken, gaan niet op zoek naar mogelijkheden om zieken te zalven.

18.13.1

Wie geeft de zegen

Alleen getrouwe Melchizedeks-priesterschapsdragers mogen zieken of bezochten zalven. Zij hoeven daarvoor geen goedkeuring van een priesterschapsleider te vragen. Een vader die het Melchizedeks priesterschap draagt, zalft zo mogelijk de zieken in zijn gezin.

Over het algemeen zijn er twee of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers bij de zalving van een zieke betrokken. Iemand mag het zalven en verzegelen echter ook alleen doen.

18.13.2

Instructies

Het zalven van zieken bestaat uit twee onderdelen: de zalving met olie en de verzegeling van de zalving.

De zalving met olie wordt door één Melchizedeks-priesterschapsdrager verricht. Hij:

  1. Doet een druppel gewijde olie op het hoofd van de betrokkene.

  2. Plaatst zijn handen licht op het hoofd van de betrokkene en noemt de persoon bij zijn of haar volledige naam.

  3. Verklaart dat hij handelt krachtens het Melchizedeks priesterschap.

  4. Verklaart dat hij zalft met olie die voor het zalven en zegenen van zieken en bezochten is gewijd.

  5. Sluit in de naam van Jezus Christus.

Voor de verzegeling van de zalving leggen één of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers hun handen licht op het hoofd van de betrokkene. De persoon die de zalving verzegelt:

  1. Noemt de betrokkene bij zijn of haar volledige naam.

  2. Verklaart dat hij de zalving krachtens het Melchizedeks priesterschap verzegelt.

  3. Spreekt een zegen uit zoals de Geest hem ingeeft.

  4. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.14

Zegen tot troost en raad, waaronder een vaderlijke zegen

18.14.1

Wie geeft de zegen

Melchizedeks-priesterschapsdragers kunnen een zegen tot troost en raad geven aan familieleden en anderen die erom vragen. Een dergelijke zegen wordt doorgaans door familieleden, dienende broeders of priesterschapsleiders gegeven.

Een vader die het Melchizedeks priesterschap draagt, mag zijn kinderen een vaderlijke zegen geven. Zo’n zegen kan in het bijzonder steun bieden als kinderen aan een nieuw schooljaar beginnen, op zending gaan, gaan trouwen, in militaire dienst gaan of met een probleem kampen. Ouders moedigen hun kinderen aan om een vaderlijke zegen te vragen als ze daar behoefte aan hebben. Een vaderlijke zegen mag voor persoonlijk gebruik opgenomen worden.

Een Melchizedeks-priesterschapsdrager hoeft geen toestemming aan een priesterschapsleider te vragen om een zegen tot troost en raad of een vaderlijke zegen te geven.

18.14.2

Instructies

Bij een zegen tot troost en raad of een vaderlijke zegen laten een of meer Melchizedeks-priesterschapsdragers hun handen licht op het hoofd van de betrokkene rusten. De persoon die de verordening verricht:

  1. Noemt de betrokkene bij zijn of haar volledige naam.

  2. Verklaart dat de zegen krachtens het Melchizedeks priesterschap gegeven wordt.

  3. Spreekt een zegen met woorden van troost en raad uit zoals de Geest hem ingeeft.

  4. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.15

Woning wijden

Kerkleden mogen hun woning met het gezag van het Melchizedeks priesterschap (laten) wijden. Een woning hoeft geen eigendom en niet vrij van hypotheek te zijn om gewijd te worden. In tegenstelling tot een kerkgebouw wordt een woning niet toegewijd aan de Heer.

18.15.1

Wie verricht de wijding

Een woning wordt door een Melchizedeks-priesterschapsdrager gewijd. Als er thuis geen Melchizedeks-priesterschapsdrager is:

  • Mag het gezin een goede vriend, familielid of dienende broeder met het Melchizedeks priesterschap vragen om de woning te wijden. Hoeft de betrokkene daarvoor geen goedkeuring van een priesterschapsleider te vragen.

  • Het gezin kan samenkomen en een gebed uitspreken zoals de Geest dat ingeeft. Het gebed kan de genoemde elementen in 18.15.2, nummer 3 bevatten.

18.15.2

Instructies

De Melchizedeks-priesterschapsdrager die een woning wijdt:

  1. Spreekt onze hemelse Vader als in een gebed aan.

  2. Verklaart dat hij handelt krachtens het Melchizedeks priesterschap.

  3. Wijdt de woning als heilige plek waar de Heilige Geest kan verblijven en spreekt andere woorden uit zoals de Geest hem ingeeft. Hij kan de woning bijvoorbeeld zegenen als een plek waar de gezinsleden God kunnen vereren, de wereld achter zich kunnen laten, geestelijk kunnen groeien en zich op eeuwige familiebanden kunnen voorbereiden.

  4. Sluit in de naam van Jezus Christus.

18.16

Graf wijden

18.16.1

Wie wijdt het graf

Een graf wordt door een Melchizedeks-priesterschapsdrager gewijd, die daartoe is gemachtigd door de priesterschapsleider die de dienst leidt.

Als de familie daar de voorkeur aan geeft, kan er in plaats van een wijdingsgebed een gebed bij het graf worden uitgesproken. De familie kiest zelf wie dat gebed uitspreekt.

Als iemand buiten zijn eigen wijk een graf wijdt, moet hij een geldige tempelaanbeveling tonen aan de priesterschapsleider die de dienst presideert. Hij kan ook een Aanbeveling tot het verrichten van een verordening tonen die door een lid van zijn bisschap is ondertekend.

18.16.2

Instructies

De Melchizedeks-priesterschapsdrager die het graf wijdt:

  1. Spreekt onze hemelse Vader als in een gebed aan.

  2. Verklaart dat hij handelt krachtens het Melchizedeks priesterschap.

  3. Wijdt en heiligt het graf als rustplaats voor het lichaam van de overledene.

  4. Vraagt de Heer (als het graf ervoor in aanmerking komt) om dat stukje grond te heiligen en te beschermen tot de opstanding.

  5. Vraagt onze hemelse Vader om de familie te troosten en voegt er gedachten aan toe die de Geest hem ingeeft.

  6. Sluit in de naam van Jezus Christus.

Als het lichaam van een lid van de kerk wordt gecremeerd, beoordeelt de presiderende leider of de plek waar de as wordt bewaard al dan niet wordt gewijd. Hij houdt daarbij rekening met de wensen van de familie en de plaatselijke gebruiken en regelgeving. De broeder die de wijding verricht, past de instructies voor het wijden van een graf in dat geval aan.

18.17

Patriarchale zegen

Ieder gedoopt lid dat de kerknormen naleeft, heeft het voorrecht om een patriarchale zegen met geïnspireerde raad van onze hemelse Vader te ontvangen (zie Genesis 48:1449; 2 Nephi 4:3–11). Ouders en leidinggevenden in de kerk raden de leden aan om zich geestelijk op een patriarchale zegen voor te bereiden.

De bisschop of een van zijn raadgevers voert een gesprek met een lid dat een patriarchale zegen wil. Als het lid de kerknormen naleeft, maakt de gespreksvoerder een aanbeveling voor een patriarchale zegen op. Hij stuurt die via het systeem voor patriarchale zegens op ChurchofJesusChrist.org in.

18.17.1

Een patriarchale zegen ontvangen

Het lid maakt met de aanbeveling in bezit een afspraak met de patriarch voor een patriarchale zegen. Het lid gaat op de dag van de afspraak met een gebed in het hart en in zondagse kleding naar de patriarch. Het lid kan vasten, maar dat is niet vereist.

Elke patriarchale zegen is heilig, vertrouwelijk en strikt persoonlijk. Daarom wordt de zegen in beslotenheid gegeven, met hooguit een beperkt aantal naaste verwanten aanwezig.

De ontvanger van de patriarchale zegen dient de woorden erin te koesteren, te overdenken en er zo naar te leven dat hij of zij de beloofde zegeningen in dit leven en in de eeuwigheid ontvangt.

Er wordt van de leden van de kerk verwacht dat ze hun zegen niet onderling vergelijken en deze ook niet laten lezen door anderen, behalve door naaste verwanten. Er wordt in kerkelijke of andere openbare bijeenkomsten niet uit patriarchale zegens voorgelezen.

Als een patriarchale zegen geen uitspraak bevat over de afstamming, mag de patriarch op een later tijdstip een addendum op de zegen geven om de afstamming te vermelden.

18.17.2

Afschrift van een patriarchale zegen

Wie een patriarchale zegen ontvangt, dient het afschrift zorgvuldig te bewaren. Als het afschrift echter zoekraakt of vergaat, kan de betrokkene een nieuw exemplaar opvragen. Hij of zij kan die aanvraag op Patriarchal Blessings op ChurchofJesusChrist.org doen. Als dat niet mogelijk is, neemt de betrokkene contact met zijn of haar bisschop op voor hulp.

18.17.3

Meer informatie

Zie 38.2.12 en ‘Patriarchal Blessings’ voor meer informatie over patriarchale zegens.

18.18

Tempelbegiftiging en -verzegeling

Zie hoofdstuk 27 voor informatie over de begiftiging en verzegelverordeningen.