Handboeken en roepingen
3. Priesterschapsbeginselen
Voetnoten

Hide Footnotes

Thema

‘3. Priesterschapsbeginselen’, Algemeen handboek: dienen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (2020).

‘3. Priesterschapsbeginselen’, Algemeen handboek.

3.

Priesterschapsbeginselen

3.0

Inleiding

Het priesterschap is het gezag en de macht van God. Het heeft altijd bestaan en zal altijd blijven bestaan (zie Alma 13:7–8; Leer en Verbonden 84:17–18). Onze hemelse Vader maakt gebruik van het priesterschap om ‘de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van de mens tot stand te brengen’ (Mozes 1:39). God geeft zijn zoons en dochters op aarde macht en gezag om zijn werk mede uit te voeren (zie hoofdstuk 1).

3.1

Herstelling van het priesterschap

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is de enige organisatie op aarde met priesterschapsgezag. De profeet Joseph Smith ontving het Aäronisch priesterschap en de bijbehorende sleutels van Johannes de Doper (zie Leer en Verbonden 13:1). Hij ontving het Melchizedeks priesterschap en de bijbehorende sleutels van de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes (zie Leer en Verbonden 27:12–13).

Mozes, Elias en Elia zijn in de Kirtlandtempel aan Joseph Smith verschenen, waar zij hem het verdere gezag verleenden om Gods werk in de laatste dagen tot stand te brengen (zie Leer en Verbonden 110:11–16).

  • Mozes droeg de sleutels van de vergadering van Israël over (zie Gids bij de Schriften, ‘Israël’).

  • Elias droeg de bedeling van het evangelie van Abraham over. Daar behoorde de herstelling van het verbond van Abraham toe (zie Abraham 2:9–11; Gids bij de Schriften, ‘Abraham, verbond van’).

  • Elia droeg de sleutels van de verzegelbevoegdheid over (zie Gids bij de Schriften, ‘Verzegelen, verzegeling’). Die sleutels verlenen het gezag waardoor verordeningen op aarde kunnen worden verricht die in het hiernamaals bindend zijn (zie Leer en Verbonden 128:9–10).

Tegenwoordig bezitten de leden van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen al deze sleutels. Alleen de president van de kerk, die de senior apostel is, is bevoegd om al deze priesterschapssleutels te gebruiken. Deze leiders roepen en machtigen andere kerkleden om Gods priesterschapsgezag en -macht ten behoeve van het werk van heil en verhoging te gebruiken.

Zie 3.4.1 voor informatie over priesterschapssleutels.

3.2

Zegeningen van het priesterschap

God stelt door verbonden en priesterschapsverordeningen grote zegeningen aan al zijn kinderen beschikbaar. Die zegeningen zijn onder meer:

  • Doop en lidmaatschap in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

  • De gave van de Heilige Geest.

  • Deelname aan het avondmaal.

  • Gezag en macht om in kerkroepingen en -taken te dienen.

  • Een patriarchale zegen en andere priesterschapszegens voor genezing, troost en leiding.

  • Begiftiging met Gods macht in de tempel.

  • Verzegeling aan gezinsleden voor de eeuwigheid.

  • De belofte van het eeuwige leven.

Gods kinderen kunnen deze zegeningen van het priesterschap ontvangen en grote vreugde ervaren als ze het evangelie van Jezus Christus naleven.

3.3

Melchizedeks priesterschap en Aäronisch priesterschap

Het priesterschap in de kerk bestaat uit twee onderdelen: het Melchizedeks priesterschap en het Aäronisch priesterschap (zie Leer en Verbonden 107:1).

3.3.1

Melchizedeks priesterschap

Het Melchizedeks priesterschap is ‘het heilig priesterschap naar de orde van de Zoon van God’ (Leer en Verbonden 107:3). Het is de macht waardoor de zoons en dochters van God zoals Hij kunnen worden (zie Leer en Verbonden 84:19–21; 132:19–20).

‘Het Melchizedeks priesterschap omvat het recht van presideren.’ Het omvat ‘de macht en het gezag over alle ambten in de kerk, in alle tijdperken van de wereld, om geestelijke zaken te besturen’ (Leer en Verbonden 107:8). Kerkleiders leiden en doen al het geestelijke werk van de kerk met dit gezag (zie Leer en Verbonden 107:18). ‘Alle andere bevoegdheden of functies in de kerk zijn toevoegingen aan dat priesterschap’ (Leer en Verbonden 107:5).

De president van de kerk is de presiderende hogepriester van de Melchizedekse priesterschap (zie Leer en Verbonden 107:65–67). De ringpresident is de presiderende hogepriester in de ring (zie Leer en Verbonden 107:8, 10; zie ook hoofdstuk 5). De bisschop is de presiderende hogepriester in de wijk (zie Leer en Verbonden 107:17; zie ook hoofdstuk 6).

Zie 8.1.1 voor informatie over de ambten en taken die tot het Melchizedeks priesterschap behoren.

3.3.2

Aäronisch priesterschap

Het Aäronisch priesterschap is ‘een toevoeging […] aan het […] Melchizedeks priesterschap’ (Leer en Verbonden 107:14). Het omvat de sleutels van:

  • De bediening van engelen.

  • Het evangelie van bekering.

  • De bediening van uiterlijke verordeningen, waaronder de doop tot vergeving van zonden.

(Zie Leer en Verbonden 13:1; 84:26–27, 107:20.)

De bisschop is de president van de Aäronische priesterschap in de wijk (zie Leer en Verbonden 107:15).

Zie 10.1.3 voor informatie over de ambten en taken die tot het Aäronisch priesterschap behoren.

3.4

Priesterschapsgezag

Priesterschapsgezag is de bevoegdheid om God te vertegenwoordigen en in zijn naam te handelen. Alle priesterschapsgezag wordt uitgeoefend op aanwijzing van hen die daartoe de priesterschapssleutels bezitten.

Trouwe mannelijke kerkleden ontvangen priesterschapsgezag door verlening van het priesterschap en ordening tot een priesterschapsambt. Alle kerkleden kunnen gedelegeerd gezag uitoefenen als ze aangesteld of aangewezen zijn om aan Gods werk deel te nemen. De leden zijn aan God en aan wie Hij een presiderende taak heeft toebedeeld, rekenschap verschuldigd voor de wijze waarop ze zijn gezag uitoefenen (zie 3.4.4).

3.4.1

Priesterschapssleutels

Priesterschapssleutels zijn de bevoegdheid om het gebruik van het priesterschap ten behoeve van Gods kinderen te leiden. Het gebruik van alle priesterschapsgezag in de kerk wordt geregeld door hen die in het bezit zijn van de priesterschapssleutels (zie Leer en Verbonden 65:2).

3.4.1.1

Wie priesterschapssleutels bezitten

Jezus Christus bezit alle sleutels van het priesterschap. Onder zijn leiding worden priesterschapssleutels verleend aan mannen met een specifieke roeping om Gods werk tot stand te brengen, zoals hierna wordt uitgelegd.

De Heer heeft ieder van zijn apostelen alle sleutels met betrekking tot het koninkrijk van God op aarde verleend. De senior apostel, de president van de kerk, is als enige persoon op aarde gemachtigd om alle sleutels van het priesterschap uit te oefenen (zie Leer en Verbonden 81:1–2; 107:64–67, 91–92; 132:7).

Priesterschapsleiders krijgen op aanwijzing van de president van de kerk priesterschapssleutels, zodat zij in de hun toegewezen taak kunnen presideren. Het gaat om de volgende leiders:

  • Ring- en districtspresidenten.

  • Bisschoppen en gemeentepresidenten.

  • Presidenten van Aäronische- en Melchizedekse-priesterschapsquorums.

  • Tempelpresidenten.

  • Zendingspresidenten en presidenten van opleidingscentra voor zendelingen.

  • Presidenten van een historische kerklocatie.

Deze leiders ontvangen priesterschapssleutels als ze voor hun roeping aangesteld worden.

Anderen, zoals raadgevers van plaatselijke priesterschapsleiders of presidenten/presidentes van kerkorganisaties, ontvangen geen priesterschapssleutels. Die leidinggevenden ontvangen gedelegeerd gezag bij hun aanstelling en wanneer ze een taak krijgen op aanwijzing van wie priesterschapssleutels bezitten. Presidenten en presidentes van kerkorganisaties presideren op aanwijzing van wie priesterschapssleutels bezitten (zie 4.2.4).

3.4.1.2

Orde in het werk van de Heer

Priesterschapssleutels zorgen ervoor dat het werk van heil en verhoging op ordelijke wijze tot stand komt (zie Leer en Verbonden 42:11; 132:8). Wie priesterschapssleutels bezitten, geven binnen hun taakgebied leiding aan het werk van de Heer. Dat doen ze met liefde en rechtschapenheid. Dit presiderende sleutelgezag geldt alleen voor de taken binnen de roeping van de betreffende leider. Als een priesterschapsleider van zijn roeping is ontheven, bezit hij de bijbehorende sleutels niet meer.

Ieder die in de kerk een taak vervult, wordt daarvoor aangesteld of aangewezen in opdracht van iemand die priesterschapssleutels bezit. Leden die voor een taak aangesteld of aangewezen worden, krijgen van God het gezag om in zijn werk dienstbaar te zijn.

3.4.2

Verlening van priesterschap en ordening

Op aanwijzing van wie de priesterschapssleutels dragen, worden het Aäronisch priesterschap en het Melchizedeks priesterschap aan daartoe waardige broeders in de kerk verleend (zie Leer en Verbonden 84:14–17). Als iemand het juiste priesterschap is verleend, wordt de betrokkene tot een ambt in dat priesterschap, zoals diaken of ouderling, geordend. Een priesterschapsdrager oefent het priesterschap overeenkomstig de rechten en plichten van dat ambt uit (zie Leer en Verbonden 107:99).

Iedere man in de Kerk van Jezus Christus behoort ernaar te streven om het Melchizedeks priesterschap waardig te zijn en er anderen mee te dienen. Als een man het priesterschap ontvangt, sluit hij een verbond om zijn priesterschapstaken trouw te vervullen. Hij ontvangt ook van God een eed, of belofte, van eeuwige zegeningen (zie Leer en Verbonden 84:33–44; zie ook de Gids bij de Schriften, ‘Eed en verbond van het priesterschap’).

Zie 8.6.2, 10.6, 18.10 en 38.2.5 voor meer informatie over de verlening van en ordening in het priesterschap.

3.4.3

Delegatie van priesterschapsgezag om in de kerk te dienen

Priesterschapsgezag om in de kerk te dienen wordt als volgt aan leden gedelegeerd:

  • Door aanstelling tot een kerkroeping

  • Door een opdracht van een presiderende kerkleider

3.4.3.1

Aanstelling

Mannen en vrouwen die op aanwijzing van een priesterschapsleider met sleutelgezag aangesteld worden, ontvangen gezag van God om in die roeping te handelen. Als ze van een roeping zijn ontheven, hebben ze het bijbehorende gezag niet meer.

Sommige roepingen zijn gekoppeld aan priesterschapsambten en -quorums. Bijvoorbeeld: een man die het Melchizedeks priesterschap draagt, kan als quorumpresident ouderlingen geroepen worden. Als hij door de ringpresident wordt aangesteld, ontvangt hij priesterschapssleutels, gezag en verantwoordelijkheid om het werk van het ouderlingenquorum te leiden (zie 3.4.1).

Veel andere kerkroepingen zijn niet gekoppeld aan priesterschapsambten en -quorums. Maar alle kerkleden die voor een taak worden aangesteld, ontvangen gezag en verantwoordelijkheid van God om in hun roeping te handelen. Bijvoorbeeld:

  • Een vrouw die door de bisschop als ZHV-presidente van de wijk wordt geroepen en aangesteld, ontvangt het gezag om het werk van de zustershulpvereniging in de wijk te leiden.

  • Een man of vrouw die door een lid van de bisschap als jeugdwerkleerkracht wordt geroepen en aangesteld, ontvangt het gezag om jeugdwerkkinderen in de wijk te onderwijzen.

Allen die geroepen of aangesteld zijn, dienen onder leiding van wie hen presideren (zie 3.4.1.2).

Zie 18.11 voor meer informatie over het aanstellen van leden voor een kerkroeping.

3.4.3.2

Opdracht

Presiderende kerkleiders en -leidsters kunnen gezag door een opdracht delegeren. Mannen en vrouwen die zo’n opdracht krijgen, ontvangen gezag van God om te handelen. Bijvoorbeeld:

  • Het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen delegeren gezag aan zeventigers die de opdracht krijgen om een gebied te besturen of ringconferenties te presideren.

  • Zendingspresidenten delegeren gezag aan mannelijke en vrouwelijke zendelingen die de opdracht hebben om andere zendelingen te leiden en te trainen.

  • Er vindt delegatie van gezag plaats als kerkleden de taak van dienende broeder of zuster op zich nemen. Dat gebeurt als de quorumpresident ouderlingen of ZHV-presidente in opdracht van de bisschop een taak toewijst.

Gezag dat door een opdracht wordt gedelegeerd, is beperkt tot de specifieke verantwoordelijkheid en duur van de taak.

Zie 4.2.6 voor meer informatie over delegatie van gezag door een opdracht.

3.4.4

Priesterschapsgezag rechtschapen uitoefenen

Leidinggevenden en leden van de kerk gebruiken hun verleend of gedelegeerd gezag ten bate van anderen.

Dat gezag kan alleen in rechtschapenheid worden gebruikt (zie Leer en Verbonden 121:36). Het wordt met overreding, lankmoedigheid, mildheid, zachtmoedigheid, liefde en vriendelijkheid uitgeoefend (zie Leer en Verbonden 121:41–42). Leidinggevenden overleggen met anderen in een geest van eensgezindheid en zoeken naar de wil van de Heer door openbaring (zie Leer en Verbonden 41:2). Zie 4.2.5 voor informatie over overleggen met anderen.

Wie priesterschapsgezag uitoefenen, leggen hun wil niet aan anderen op. Zij gebruiken hun gezag niet voor zelfzuchtige doeleinden. Als iemand het onrechtvaardig gebruikt, ‘dan trekken de hemelen zich terug [en is] de Geest van de Heer gegriefd’ (Leer en Verbonden 121:37).

Sommige kerkroepingen houden een presiderende taak in. Zie 4.2.4 voor informatie over presideren in de kerk.

3.5

Priesterschapsmacht

Priesterschapsmacht is de macht waardoor God zijn kinderen zegent. Gods priesterschapsmacht vloeit alle leden van de kerk toe – mannen en vrouwen – als ze de verbonden nakomen die ze met Hem hebben gesloten. De leden sluiten die verbonden als ze priesterschapsverordeningen ontvangen. (Zie Leer en Verbonden 84:19–20.)

De zegeningen van priesterschapsmacht die leden kunnen ontvangen, zijn onder meer:

  • Leiding voor hun leven.

  • Inspiratie om te weten hoe ze familieleden en anderen van dienst kunnen zijn.

  • Kracht om te volharden en moeilijkheden te overwinnen.

  • Gaven van de Geest om hun capaciteiten te vergroten.

  • Openbaring om te weten hoe ze het werk moeten doen waartoe ze geordend, aangesteld of aangewezen zijn.

  • Hulp en kracht om meer op Jezus Christus en onze hemelse Vader te lijken.

3.5.1

Verbonden

Een verbond is een heilige belofte tussen God en zijn kinderen. God bepaalt de voorwaarden van het verbond, en zijn kinderen stemmen ermee in om die voorwaarden te gehoorzamen. God belooft zijn kinderen te zegenen als ze het verbond nakomen.

De leden sluiten verbonden met God als ze de verordeningen van heil en verhoging ontvangen (zie 18.1). Allen die tot het einde toe in hun verbonden volharden, zullen het eeuwige leven ontvangen (zie 2 Nephi 31:17–20; Leer en Verbonden 14:7). Tot het einde toe volharden omvat geloof in onze hemelse Vader en Jezus Christus oefenen en ons dagelijks bekeren.

Ouders, leidinggevenden in de kerk en anderen bereiden mensen voor op het sluiten van verbonden door de verordeningen van het evangelie. Ze vergewissen zich ervan dat de betrokkenen de verbonden die ze sluiten, begrijpen. Ze helpen iemand die een verbond sluit, het vervolgens na te komen. (Zie Mosiah 18:8–11, 23–26.)

3.5.2

Verordeningen

Een verordening is een gewijde handeling die met het gezag van het priesterschap wordt verricht. Verordeningen hebben altijd deel uitgemaakt van het evangelie van Jezus Christus. De eerste verordeningen op aarde werden in de tijd van Adam en Eva verricht (zie Genesis 1:28; Mozes 6:64–65).

Bij veel verordeningen sluit de betrokkene verbonden met God. Denk bijvoorbeeld aan de doop, het avondmaal, de begiftiging en de huwelijksverzegeling in de tempel. Bij andere verordeningen, zoals een patriarchale zegen of ziekenzalving, sluit de betrokkene geen verbonden, maar ontvangt hij of zij leiding en kracht om verbonden na te komen.

Verordeningen hebben een symbolische betekenis die de aandacht op onze hemelse Vader en Jezus Christus richt. Bij de verordeningen die met verbonden gepaard gaan, maakt de symboliek de beloften duidelijk die men doet, alsook de zegeningen die men bij getrouwheid ontvangt.

Elke verordening opent voor de betrokkenen de deur naar rijke geestelijke zegeningen. De Heer heeft geopenbaard: ‘In de verordeningen [van het priesterschap] is de macht der goddelijkheid kenbaar’ (Leer en Verbonden 84:20). Verordeningen van heil en verhoging zijn essentieel voor het eeuwige leven. Zie 18.1 voor meer informatie.

Kerkleden ontvangen de verordeningen van heil en verhoging voor zichzelf. Ze keren daarna, waar mogelijk, naar de tempel terug om die verordeningen plaatsvervangend voor overledenen te verrichten. Zie hoofdstuk 28 voor meer informatie over verordeningen voor de doden.

3.6

Priesterschap en gezin

Alle kerkleden die hun verbonden nakomen – mannen, vrouwen en kinderen – worden thuis met Gods priesterschapsmacht gezegend, zodat zij en hun gezin gesterkt worden (zie 3.5). Die macht stelt de leden in staat om Gods werk van heil en verhoging persoonlijk en met hun gezin te doen (zie 2.2).

Mannen die het Melchizedeks priesterschap dragen, kunnen priesterschapszegens voor leiding, genezing en troost aan hun gezinsleden geven. Kerkleden kunnen dergelijke zegens ook van andere familieleden, dienende broeders of plaatselijke kerkleiders ontvangen. Zie 18.13 en 18.14 voor meer informatie over priesterschapszegens.

Zie 2.1.3 voor informatie over presideren in het gezin.