2015
Priesterschap en persoonlijk gebed
Mei 2015


Priesterschap en persoonlijk gebed

God kan ons in elke situatie macht in het priesterschap verlenen. We moeten er alleen maar in nederigheid om bidden.

Ik ben dankbaar voor het vertrouwen dat ik krijg om tot de wereldwijde priesterschap van God te spreken. Ik voel die verantwoordelijkheid op mijn schouders omdat ik weet dat de Heer vertrouwen in u heeft. Toen u het priesterschap ontving, kreeg u het recht om in de naam van God te spreken en te handelen.

Van dat recht kunt u alleen gebruikmaken als u inspiratie van God ontvangt. Anders kunt u niet in zijn naam spreken. Of in zijn naam handelen. U hebt misschien ten onrechte gedacht: o, dat is niet zo moeilijk. Ik zal wel inspiratie krijgen als mij ooit gevraagd wordt om een toespraak te houden of een priesterschapszegen te geven. Jonge diakenen of leraars denken misschien: als ik ouder ben of op zending ga, zal ik wel weten wat God zou zeggen of doen.

Maar wanneer moet u weten wat God zou zeggen of doen? Dat moet u nu al weten — ongeacht welk ambt u in het priesterschap bekleedt. Ik groeide tijdens de Tweede Wereldoorlog in het oosten van de Verenigde Staten in het zendingsveld op. De leden van de kerk woonden ver van elkaar en we moesten zuinig met benzine zijn. Ik was de enige diaken in de gemeente. De leden gaven de gemeentepresident hun vastengavenenvelop als ze de vasten-en-getuigenisdienst bij ons thuis bijwoonden.

Toen ik dertien was, verhuisden we naar Utah, waar we van een grote wijk deel uitmaakten. Ik weet nog dat ik voor de eerste keer de vastengaven bij de leden thuis ging ophalen. Ik keek naar de naam op een van de enveloppen en zag dat de achternaam die van een van de drie getuigen van het Boek van Mormon was. Ik klopte dus met vertrouwen aan. Een man deed open, keek me kwaad aan en schreeuwde dat ik me weg moest scheren. Ik ging ontmoedigd weg.

Dat is bijna zeventig jaar geleden, maar ik kan me nog steeds het gevoel herinneren dat ik toen had. Ik had iets moeten zeggen en doen. Had ik die dag maar van tevoren in geloof gebeden, dan zou ik misschien de ingeving gekregen hebben om wat langer te blijven staan, te glimlachen en iets te zeggen, zoals: ‘Aangename kennismaking. Bedankt voor wat u en uw gezin in het verleden bijgedragen hebben. Ik kijk ernaar uit om u volgende maand weer te zien.’

Als ik dat gezegd en gedaan had, zou hij misschien nog kwader geworden zijn. Maar ik weet nu hoe ik me gevoeld zou hebben. In plaats van droevig of ontmoedigd weg te gaan, zou ik misschien de stille goedkeuring ‘Goed gedaan’ in mijn hoofd en hart gevoeld hebben.

Ieder van ons moet in de naam van God spreken en handelen wanneer ons eigen oordeel zonder inspiratie ontoereikend is. Soms krijgen we geen tijd om ons voor te bereiden. Dat heb ik vaak meegemaakt. Bijvoorbeeld toen een vader mij en mijn collega vele jaren geleden in het ziekenhuis vertelde dat zijn ernstig gewonde driejarige dochtertje volgens de dokters nog maar een paar minuten te leven had. Toen ik mijn handen op het ene plekje op haar hoofd plaatste dat niet met verbanden omwikkeld was, moest ik als dienstknecht van God weten wat Hij zou doen en zeggen.

Ik kreeg de woorden en zei dat ze het zou halen. De dokter die erbij stond, snoof minachtend en vroeg me uit de weg te gaan. Ik verliet het ziekenhuis met een gevoel van vrede en liefde. Het meisje haalde het en ik zag haar op mijn laatste dag in die stad in de avondmaalsdienst. Ik voel nog steeds de vreugde en voldoening van wat ik in dienst van de Heer voor dat meisje en haar familie gezegd en gedaan heb.

Het verschil tussen die gevoelens en de droefheid die ik ervoer toen ik als diaken bij die man wegging, heeft te maken met wat ik over het verband tussen gebed en priesterschapsmacht geleerd had. Als diaken wist ik nog niet dat de macht om in Gods naam te spreken en te handelen openbaring vereist, en dat we moeten bidden en in geloof naar het gezelschap van de Heilige Geest streven om er altijd een beroep op te kunnen doen.

De avond voor ik die vastengaven ging ophalen, had ik voor het slapengaan gebeden. Maar ik had weken en maanden voor ik dat telefoontje uit het ziekenhuis kreeg een patroon van gebed gevolgd en de inspanning geleverd waarover president Joseph F. Smith gezegd heeft dat ze God in staat stelt om ons de nodige inspiratie te geven zodat we macht in het priesterschap hebben. Hij heeft eenvoudig gezegd:

‘Wij hoeven Hem niet met veel woorden aan te roepen. Wij hoeven Hem niet te vermoeien met lange gebeden. Wat wij wel moeten, en wat wij als heiligen der laatste dagen voor ons eigen welzijn zouden moeten doen, is vaak tot Hem gaan, tot Hem getuigen dat wij Hem gedenken en bereid zijn om zijn naam op ons te nemen, zijn geboden te onderhouden, goede werken te doen; en dat wij willen dat zijn Geest ons helpt.’1

En vervolgens leerde president Smith ons waarvoor we moeten bidden als dienstknecht die plechtig beloofd heeft om in Gods naam te spreken en te handelen. Hij zei: ‘Waar bidt u om? U bidt dat God u mag erkennen, dat Hij uw gebeden mag horen, en dat Hij u met zijn Geest mag zegenen.’2

Uw woordkeuze is niet zo belangrijk, maar het kan wat geduld vergen. U benadert uw hemelse Vader om persoonlijk door Hem erkend te worden. Hij is de allerhoogste God, de Vader van allen, en toch bereid om een van zijn kinderen zijn volle aandacht te geven. Misschien is dat de reden dat de Heiland de volgende woorden gebruikte: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd.’3

Het is makkelijker om de gepaste eerbied te voelen als je neerknielt of je hoofd buigt, maar je kunt ook in minder formeel en zelfs stil gebed het gevoel hebben dat je je hemelse Vader benadert, en dat zal vaak in uw priesterschapstaken voorkomen. Overdag zijn er meestal lawaai en mensen om u heen. God hoort uw stille gebeden, maar u moet misschien leren om afleiding te negeren omdat de ogenblikken waarop u de verbinding met God nodig hebt in onrustige omstandigheden kunnen voorkomen.

President Smith onderwees dat u moet bidden dat God uw roeping om Hem te dienen, mag erkennen. Hij kent uw roeping tot in de kleinste details. Hij heeft u geroepen en door tot Hem over uw roeping te bidden, zal Hij u meer kennis openbaren.4

Ik geef u een voorbeeld van hoe een huisonderwijzer kan bidden. U weet misschien al dat u het volgende behoort te doen:

‘Elk lid thuis bezoeken, en hen aansporen om overluid en in het verborgen te bidden, en alle huiselijke plichten na te komen. […]

‘Altijd over de kerk […] waken, en bij hen […] zijn en hen […] versterken;

‘en erop [toezien] dat er geen ongerechtigheid in de kerk is, noch hardheid onder elkaar, noch liegen, laster of kwaadsprekerij;

‘en erop [toezien] dat de kerk dikwijls tezamen komt, en er ook op [toezien] dat alle leden hun plicht nakomen.’5

Dat is voor een ervaren huisonderwijzer en zijn junior collega uiteraard onmogelijk zonder de hulp van de Heilige Geest. Denk eens na over de gezinnen of personen die u zijn toegewezen. Uw gezond verstand en goede bedoelingen zijn niet voldoende.

Daarom moet u bidden om hun hart te kennen, om te weten wat er misgaat in het leven en hart van de mensen die u niet goed kent en die niet willen dat u hen kent. U moet weten wat God wil dat u doet om hen te helpen en dan Gods liefde daarbij zo goed mogelijk benaderen.

Aangezien uw priesterschapstaken zo belangrijk en moeilijk zijn, raadt president Smith u aan om God altijd om zijn Geest te smeken als u bidt. U hebt de Heilige Geest nodig, niet slechts één keer, maar zo vaak als God Hem bij u laat zijn. Daarom moeten we voortdurend bidden dat God ons in ons dienstbetoon aan zijn kinderen zal leiden.

Omdat u uw priesterschapspotentieel niet zonder de Geest kunt bereiken, bent u een doelwit voor de vijand van alle geluk. Als hij u tot zonde kan verleiden, kan hij uw vermogen verminderen om leiding van de Geest te ontvangen, waardoor uw priesterschapsmacht afneemt. Daarom zei president Smith dat u voortdurend moet bidden dat God u tegen het kwade zal waarschuwen en beschermen.6

Hij waarschuwt ons op verschillende manieren. Waarschuwingen maken deel uit van het heilsplan. Profeten, apostelen, ringpresidenten, bisschoppen en zendelingen waarschuwen ons allemaal om onheil te vermijden door geloof in Jezus Christus, bekering en het sluiten en naleven van heilige verbonden.

Als priesterschapsdrager maakt u deel uit van de waarschuwende stem van de Heer. Maar u moet ook zelf naar de waarschuwing luisteren. Zonder de bescherming en het gezelschap van de Heilige Geest in uw dagelijkse bezigheden zult u geestelijk niet overleven.

U moet erom bidden en er moeite voor doen. Alleen met die gids zult u door de mist van het kwade het enge en smalle pad kunnen bewandelen. De Heilige Geest zal u leiden door u waarheid te openbaren als u de woorden van de profeten bestudeert.

Maar u moet er meer voor doen dan slechts luisteren en lezen. U moet erom bidden en er in geloof naar streven om de waarheid in uw hart op te nemen. U moet bidden dat God u met zijn Geest zal zegenen, dat Hij u naar alle waarheid zal leiden en u het goede pad zal tonen. Zo zal Hij u in uw eigen leven en uw priesterschapstaken waarschuwen en op het goede pad begeleiden.

De algemene conferentie is een mooie gelegenheid om de Heer uw vermogen te laten sterken om in Gods priesterschap te dienen. U kunt zich voorbereiden door te bidden, wat u ongetwijfeld voor deze conferentie hebt gedaan. U kunt zich in geloof bij anderen voegen die tijdens de conferentie bidden. Ze bidden om zegeningen voor vele mensen.

Ze bidden dat de Geest bij de profeet mag zijn als spreekbuis van de Heer. Ze bidden voor de apostelen en alle dienstknechten van God. Onder wie ook u, van de jongste diaken tot de ervaren hogepriester, en zowel jong als oud die spoedig naar de geestenwereld zullen gaan, waar ze zullen horen: ‘Goed gedaan, goede en trouwe [dienstknecht].’7

Sommigen zullen verrast zijn dat te horen. Ze hebben misschien nooit een voornaam ambt in het koninkrijk van God op aarde bekleed. Sommigen hebben misschien het gevoel gehad dat hun werkzaamheden weinig opgeleverd hebben of dat ze bepaalde kansen om te dienen nooit gekregen hebben. Anderen hebben misschien het gevoel dat ze in dit leven minder tijd gekregen hebben dan gehoopt.

Het zijn niet de roepingen of de bestede tijd die de Heer belangrijk zal vinden. Dat weten we dankzij de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard voor wie de beloning dezelfde was, ongeacht de tijd of plek waar ze dienden. Ze worden beloond voor hun manier van dienen.8

Ik ken een man, een goede vriend, die zijn sterfelijke bediening in de wijngaard gisteravond om elf uur beëindigd heeft. Hij was jaren tegen kanker behandeld. In die verschrikkelijk pijnlijke en moeilijke jaren aanvaardde hij een roeping om bijeen te komen met en verantwoordelijk te zijn voor leden van de wijk wier kinderen het huis verlaten hadden. Sommigen van hen waren weduwen. Het was zijn roeping om hen te troosten door sociale omgang en evangeliestudie.

Toen hij de laatste ontnuchterende prognose kreeg dat hij nog maar een korte tijd te leven had, was zijn bisschop op zakenreis. Twee dagen later stuurde hij zijn bisschop via zijn groepsleider hogepriesters een bericht. Hij zei over zijn opdracht: ‘Ik heb vernomen dat de bisschop er niet is, dus kom ik in actie. Ik wil aanstaande maandag een bijeenkomst voor onze groep houden. Er zijn twee leden die ons een rondleiding van het conferentiecentrum kunnen geven. We hebben wat vervoer nodig en wat scouts om de rolstoelen te duwen. Naargelang de inschrijvingen hebben we misschien genoeg ouderen om het zelf te doen, maar het zou leuk zijn om te weten dat we indien nodig mensen in reserve hebben. Het zou ook een fijne gezinsavondactiviteit voor de helpers kunnen zijn als ze hun gezinsleden mee willen brengen. Laat me maar iets weten voor ik het plan bekendmaak. […] Bedankt.’

Hij verraste de bisschop vervolgens door hem op te bellen. Zonder ook maar iets over zijn eigen toestand of moedige inspanningen te zeggen, vroeg hij: ‘Bisschop, kan ik iets voor u doen?’ Alleen de Heilige Geest kon hem de last op de schouders van de bisschop laten voelen toen de zijne zo zwaar was. En alleen de Geest kon hem in staat stellen om een plan voor zijn broeders en zusters uit te werken met dezelfde zorgvuldigheid waarmee hij in zijn jongere jaren scoutingactiviteiten gepland had.

Als we in geloof bidden, kan God ons in elke situatie macht in het priesterschap verlenen. Daartoe is het gewoon nodig dat we in nederigheid bidden dat de Geest ons zal tonen wat God wil dat we zeggen en doen, het vervolgens doen en die gave waardig blijven.

Ik getuig tot u dat God de Vader leeft, ons liefheeft en al onze gebeden verhoort. Ik getuig dat Jezus de levende Christus is, wiens verzoening ons in staat stelt om rein te worden en het gezelschap van de Heilige Geest waardig te zijn. Ik getuig dat we dankzij ons geloof en onze ijver op een dag de woorden zullen horen die ons vreugde brengen: ‘Goed gedaan, goede en trouwe [dienstknecht].’9 Het is mijn gebed dat de Meester die we dienen ons met die prachtige woorden zal begroeten. In de naam van Jezus Christus. Amen.