Zendingsroepingen
2. Zendingsorganisatie en -activiteiten

2

Zendingsorganisatie en -activiteiten

2.0

Inleiding

De Heer heeft geboden ‘dat u zult zich organiseren en eenieder zijn [of haar] rentmeesterschap zult toewijzen’ (Leer en Verbonden 104:11). In dit hoofdstuk wordt de zendingsorganisatie beschreven en wordt uitgelegd hoe je het beste met een collega samenwerkt en -leeft, aan zendingsactiviteiten deelneemt, dagelijks plannen maakt en anderen met de reine liefde van Christus dient (zie Moroni 7:44–47).

Ter verduidelijking: in dit boekje wordt met de term jonge zendeling-leiders zendelingen met leidinggevende taken bedoeld, zoals senior collega’s, zustertrainingsleidsters of zoneleiders. Zendingsleiders slaat op je zendingspresident, die priesterschapssleutels bezit, en zijn vrouw.

In dit boekje worden ook de termen bisschop, ringpresident, wijk en ring gebruikt. De richtlijnen gelden waar van toepassing ook voor gemeentepresidenten, districtspresidenten, gemeenten en ledendistricten.

2.1

Zendingsleiding

Je belangrijkste verantwoordelijkheid, ongeacht een leidinggevende taak, is een trouwe en toegewijde zendeling te zijn. Deze raad van de Heer in de Leer en Verbonden geldt ook voor jou: ‘Hetgeen voor u de meeste waarde zal hebben, zal zijn om bekering te verkondigen aan dit [geslacht], opdat u zielen tot Mij zult brengen’ (Leer en Verbonden 15:6).

2.1.1

Zendingsleiders: je zendingspresident en zijn vrouw

Je zendingspresident en zijn vrouw, die samen jouw zendingsleiders zijn, zijn door God geroepen en aangesteld om het zendingsgebied te leiden. Ze houden van je en dienen je, helpen je om je doel als zendeling te vervullen en veilig en gelukkig te zijn.

Je zendingsleiders dragen veel verantwoordelijkheid voor het zendingsgebied. Samen zullen ze je steunen en aanmoedigen, naar je zorgen luisteren, je vragen beantwoorden, je vooruitgang evalueren en je raad geven. Omdat je zendingspresident bepaalde priesterschapssleutels bezit, fungeert hij als ‘rechter’ in het zendingsgebied. Een seksuele overtreding en andere ernstige zonden moet je aan je zendingspresident belijden (zie Mosiah 26:29–30). Wees volkomen eerlijk tegen hem. Hij zal je helpen om je te bekeren (zie Voor de kracht van de jeugd [2011], 28–29).

Je kunt de vrouw van de zendingspresident, een oudere zendeling of je zendingscollega uitnodigen om bij een gesprek met de zendingspresident aanwezig te zijn. Jouw beslissing om iemand te vragen erbij te zijn, zal niets afdoen aan de liefde, zorg of bewondering die je zendingsleiders voor jou hebben.

2.1.2

Zendingspresidium

Je zendingspresident presideert het zendingsgebied met priesterschapssleutels. Hij is lid van een zendingspresidium met twee raadgevers.

Net als raadgevers in een ringpresidium of bisschap helpen raadgevers in het zendingspresidium met het organiseren en ondersteunen van het werk. De raadgevers in het zendingspresidium hebben geen bemoeienis met de waardigheid van zendelingen.

2.1.3

Organisatie van de zendingsleiding

Je zendingspresident gebruikt openbaring en priesterschapssleutels om het werk te organiseren. Hij wijst jonge zendelingen toe als trainer, senior collega, districtsleider, zustertrainingsleidster, zoneleider en assistent. Assistenten, kantoorzendelingen en andere zendelingen wijzen geen leidinggevende taken toe en wijzen ook niet het gebied toe waar je komt te werken. De zendingspresident kan echter met zijn vrouw of zijn assistenten overleggen voordat hij taken toewijst.

Je zendingsleiders en de assistenten, zoneleiders en zustertrainingsleidsters zijn lid van de zendingsleidingsraad. Deze leiders bespreken de behoeften van de zendelingen en maken plannen om het zendingsgebied en het werk vooruit te helpen.

2.1.4

Taken van jonge zendeling-leiders

Net als alle zendelingen volgen jonge zendeling-leiders de raad van Jezus Christus om God met heel hun ‘hart, macht, verstand en kracht’ te dienen en ‘geloof, deugd, kennis, matigheid, geduld, broederlijkheid, godsvrucht, naastenliefde, ootmoed en ijver in gedachte’ te houden (Leer en Verbonden 4:2, 6). Leidinggevende taken zijn geen beloning of promotie en zeggen niets over de waarde van een zendeling.

Jonge zendeling-leiders hebben de taak om:

  • mensen te zoeken, onderwijzen, dopen en begeleiden;

  • in hun gedrag een voorbeeld van de zendingsnormen te zijn (zie 3.0);

  • andere zendelingen te instrueren en de uitwisseling van collega’s te leiden (zie 2.3.1);

  • de zendelingen die zij leiden te voorzien van informatie en sturing uit de zendingsleidingsraad;

  • van andere zendelingen te houden en hun vriend te zijn; oog te hebben voor hun inspanningen;

  • te luisteren naar de zorgen van andere zendelingen; steun en advies te geven;

  • andere zendelingen zo nodig vriendelijk en persoonlijk te corrigeren, gevolgd door ‘een toename van liefde’ (zie Leer en Verbonden 121:41–43);

  • nauw met plaatselijke leiders en leden samen te werken.

Net als alle zendelingen dienen ouderlingen en zusters met leidinggevende taken christelijk leiderschap tentoon te spreiden. Als het gedrag van een zendeling, met inbegrip van jonge zendeling-leiders, in strijd is met de geboden en de zendingsnormen, bespreek dan de kwestie met de zendeling. Als dat het probleem niet oplost, bespreek je zorgen dan met je jonge zendeling-leiders of zendingspresident en niet met andere zendelingen, leden of vrienden.

Zie voor meer informatie over de specifieke taken en verantwoordelijkheden van jonge zendeling-leiders (trainers, senior collega’s, districtsleiders, zustertrainingsleidsters, zoneleiders en assistenten van de president) paragraaf 7.1, ‘Taken van jonge zendeling-leiders’.

2.1.5

Eigen verantwoordelijkheid

Vergroot je ‘ambt […] voor de Heer’ (Jakob 1:19), word geestelijk zelfredzaam en handel zelfstandig (zie 2 Nephi 2:16) door op de Heer te vertrouwen en de Geest te volgen. Als je vragen of problemen hebt:

  • Volg de lering om het ‘in uw gedachten uit [te] vorsen’ en daarna aan God te ‘vragen of het juist is’ (zie Leer en Verbonden 9:8).

  • Streef naar leiding door persoonlijke openbaring, gebed en door de Schriften (vooral het Boek van Mormon), Predik mijn evangelie, de leringen van de hedendaagse profeten en deze normen te bestuderen.

Als je na het toepassen van deze beginselen meer hulp nodig hebt, vraag die dan aan je collega of jonge zendeling-leiders. Ze kunnen je vaak helpen om antwoorden op je vragen te vinden en je problemen op te lossen. Zo niet, neem dan contact op met een van je zendingsleiders, je ouders, of priesterschapsleiders in je thuiswijk. Neem geen contact op met de hoofdzetel van de kerk. Als je dat doet, word je naar je zendingspresident terugverwezen.

Bespreek eventuele waardigheidskwesties met je zendingspresident. Acute veiligheidsproblemen, zoals mishandeling of misbruik, of andere zaken die niet met andere zendelingen opgelost kunnen worden, bespreek je met een van je zendingsleiders.

Het kan op zending gebeuren dat je je moeilijk op je werk kunt concentreren door problemen die je op dat moment hebt, persoonlijke of gezinszaken, of zelfs ervaringen uit het verleden. Dat is te begrijpen. Aarzel niet om je problemen met je collega, jonge zendeling-leiders of een van beide zendingsleiders te bespreken en om hulp te vragen.

Denk aan wat de Heiland ons voorhoudt: ‘Vertrouw op Mij bij iedere gedachte; twijfel niet, vrees niet. Zie de wonden waar mijn zij werd doorstoken, en ook de tekenen van de nagels in mijn handen en voeten; wees getrouw, onderhoud mijn geboden en u zult het koninkrijk van de hemel beërven. Amen’ (Leer en Verbonden 6:36–37).

2.2

Collega’s

De Heer roept zendelingen om zijn evangelie in koppels te prediken. ‘Laten zij twee aan twee gaan, en laten zij aldus onderweg in iedere samenkomst prediken, dopende met water, en handoplegging’ (Leer en Verbonden 52:10). Je werkt gedurende je zending met verschillende collega’s. Collega’s:

  • worden eensgezind in het werk en getuigen samen van Jezus Christus;

  • steunen elkaars geestelijk, emotioneel en lichamelijk welzijn;

  • proberen elkaar veilig te houden;

  • zijn het aan elkaar verschuldigd om de zendingsnormen na te leven.

2.2.1

Elkaar steunen

Collega’s dienen elkaar te helpen om te leren, groeien en christelijke eigenschappen te ontwikkelen (zie Leer en Verbonden 4 en ‘Hoe kan ik christelijke eigenschappen ontwikkelen?’ in Predik mijn evangelie [2004], hoofdstuk 6). Eigenschappen als geduld en liefde ontwikkelen, elkaar vergeven en de verschillen in persoonlijkheid aanvaarden, zullen je de rest van je leven tot zegen zijn.

Collega’s:

  • houden van elkaar, en respecteren en versterken elkaar;

  • studeren elke dag samen en bidden vaak samen gedurende de dag;

  • zijn nederig en onderkennen elkaars kwaliteiten;

  • behandelen elkaar zoals ze zelf behandeld willen worden;

  • vermijden kritiek en ruzie;

  • voorkomen negatieve praat over elkaar tegen andere zendelingen, leden van de kerk, of familie en vrienden thuis.

Als je een ongepaste situatie of ongepast gedrag ziet, praat daar dan met je collega over. Als je er samen niet uitkomt, of als je collega grof is, toon dan moed en liefde voor je collega door de zendingspresident om hulp te vragen (zie 3.9.2).

2.2.2

Samenblijven

Als je bij je collega blijft, word je beschermd tegen lichamelijke en geestelijke gevaren, valse beschuldigingen en eenzaamheid. Houd je altijd en overal aan deze zendingsnorm. Wees nooit alleen.

  • Je dient je collega te allen tijde te kunnen zien en horen, tenzij je in de badkamer bent, in gesprek met een zendingsleider bent, of als je een doopgesprek voert (zie 2.3.6).

  • Je dient in dezelfde ruimte te slapen, maar niet in hetzelfde bed.

  • Als je in je woning met verschillende dingen bezig bent, gebruik dan je gezond verstand om jezelf te beschermen en de zendingsnormen te volgen (zie 3.0).

  • Maak geen tijd vrij om alleen te zijn. Blijf bijvoorbeeld niet later op of sta niet eerder op dan je collega.

  • Als jij en je collega gescheiden worden, neem dan onmiddellijk contact op met je zendingspresident.

2.2.3

In je gebied werken

Werk ‘uit alle macht’ (Jakob 5:72) en concentreer je inspanningen op het toegewezen onderwijsgebied. Concentreer je werk op gebieden waar je meer kans hebt om mensen te helpen verbonden te sluiten en na te komen. Concentreer je bijvoorbeeld op de buurten bij een kerkgebouw of in een buurt waar toegewijde leden wonen. Denk aan de belofte van de Heer: ‘Wie u ontvangt, daar zal Ik eveneens zijn’ (Leer en Verbonden 84:88).

Je kunt je toegewezen gebied verlaten voor uitwisselingen (zie 2.3.1) of overplaatsingen (zie 2.3.2). Als je je gebied om een andere reden moet verlaten, vraag je je districtsleider om toestemming om binnen je district je gebied te verlaten, of je zoneleiders als je buiten je district moet reizen. Je hebt toestemming nodig van je zendingspresident, of iemand die hij aanwijst, om je zone te verlaten.

Als je je gebied moet verlaten vanwege een noodsituatie, zoals een natuurramp of een aanval, of om medische hulp te zoeken, zorg je eerst voor je eigen veiligheid of medische zorg en neem je daarna zo snel mogelijk contact op met je zendingspresident of je jonge zendeling-leiders.

2.2.4

Mensen buiten je gebied onderwijzen

Tijdens je zending zul je waarschijnlijk mensen ontmoeten die buiten jouw toegewezen gebied wonen. Als ze meer over het evangelie van Jezus Christus willen weten, kun je het volgende doen:

  • Een boodschap met ze delen.

  • Via goedgekeurde sociale media contact met hen maken (zie 7.5.6).

  • Ze verwijzen naar zendelingen in het gebied waar ze wonen en informatie over hen doorgeven aan de toegewezen zendelingen (zie 2.3.4).

  • Met toestemming van je zendingspresident technologie gebruiken (zie 7.5.4) om samen te werken met de zendelingen waar de mensen wonen om ze te helpen onderwijzen en ze te steunen. Je kunt ook je eigen familieleden en vrienden uitnodigen om hen, met toestemming, te onderwijzen (zie 3.9.5).

Als je met andere zendelingen of leden zowel binnen als buiten je gebied of zendingsgebied werkt:

  • Overleg om te weten hoe je de geïnteresseerde persoon het beste kunt helpen om dichter tot onze hemelse Vader en Jezus Christus te komen.

  • Respecteer de tijd van de leden of andere zendelingen.

  • Laat de zendelingen in het gebied waar de persoon woont zo snel als redelijkerwijs mogelijk is het voortouw nemen in het lesgeven.

2.3

Zendingsactiviteiten

Zendelingen doen allerlei activiteiten om het gebod van de Heer te vervullen om ‘alle nodige dingen’ voor te bereiden (Leer en Verbonden 88:119) om zijn werk tot stand te brengen. Die activiteiten zijn onder meer uitwisselingen en overplaatsingen, samenwerken met leden, reageren op verwijzingen, onderwijzen, deelnemen aan raden en vergaderingen, en dienen. Mannelijke zendelingen kunnen ook een doopgesprek voeren als onderdeel van hun zendingsactiviteiten.

2.3.1

Uitwisseling van collega’s

Bij een uitwisseling werkt een jonge zendeling-leider, bijvoorbeeld een zustertrainingsleidster of assistent van de president, samen met een andere zendeling. Tijdens de uitwisseling traint de leid(st)er de zendeling en leren ze van elkaar. De leid(st)er volgt de raad van de Heer in de Leer en Verbonden op om de andere zendeling ‘door al uw conversatie, door al uw gebeden, door al uw aansporingen, en door al uw doen en laten’ te sterken (Leer en Verbonden 108:7).

Jonge zendeling-leiders zijn verantwoordelijk voor de planning van de uitwisseling met de zendelingen die zij leiden. Zusters gaan op uitwisseling met andere zusters, en mannelijke zendelingen gaan op uitwisseling met andere mannelijke zendelingen.

In de meeste zendingsgebieden organiseren jonge zendeling-leiders over het algemeen eens per overplaatsing een uitwisseling.

  • Districtsleiders gaan op uitwisseling met elke mannelijke zendeling in hun district.

  • De zoneleiders doen uitwisselingen met elke districtsleider, en naar behoefte met andere mannelijke zendelingen in hun zone.

  • De zustertrainingsleidsters gaan op uitwisseling met iedere zuster in hun toegewezen zone of zones.

  • Assistenten van de president doen uitwisselingen met zoneleiders of andere mannelijke zendelingen op aanwijzing van de zendingspresident.

  • Een uitwisseling duurt over het algemeen ongeveer 24 uur. Voor elke uitwisseling doet de jonge zendeling-leider het volgende:

    • De uitwisseling gebeurt in het gebied van de jonge zendeling-leider. Soms kunnen uitwisselingen ook in het gebied van de andere zendeling worden gedaan.

    • Hij plant de uitwisseling van tevoren.

    • Hij stelt samen met de zendeling doelen over wat ze tijdens de uitwisseling willen bereiken. Hij houdt zich met alle aspecten van het zendingswerk bezig, waaronder zoeken, onderwijzen, gezamenlijke studie, taalstudie (indien van toepassing), dagelijkse planning en begeleiding.

    • Hij traint de andere zendeling in het gebruik van de Schriften en beginselen uit Predik mijn evangelie.

    • Hij bespreekt de mensen met wie de zendelingen werken of die ze onderwijzen.

    • Hij geeft de zendeling specifieke, nuttige feedback: wat de zendeling goed doet en hoe de zendeling zich kan verbeteren.

    • Hij staat open voor feedback van de zendeling over verbeterpunten.

    • Hij bespreekt met de zendeling wat die tijdens de uitwisseling heeft geleerd.

    • Hij brengt in zijn wekelijkse brief aan de zendingspresident verslag uit van de uitwisseling.

2.3.2

Overplaatsing

Het zendingskantoor regelt je vervoer tijdens een overplaatsing zodat je niet alleen reist. In enkele gevallen kan je zendingspresident, vanwege afstanden en andere overwegingen, andere instructies geven. Wees in die situaties extra voorzichtig, gebruik je gezond verstand en volg de Geest.

Als je overgeplaatst wordt:

  • Ga rechtstreeks naar je nieuwe collega in je nieuwe gebied.

  • Eet of drink niets wat je onderweg onbeheerd hebt achtergelaten.

  • Als je reist, zorg er dan voor dat je telefoon voldoende is opgeladen. Als je meer dan drie uur alleen reist, neem dan geregeld contact op met het zendingskantoor.

Als je collega is overgeplaatst en jij niet, werk dan met andere zendelingen die door je jonge zendeling-leiders zijn toegewezen, totdat je nieuwe collega arriveert.

2.3.3

Gelegenheden om met leden te onderwijzen

Nodig de leden uit om je op normale en natuurlijke manieren te helpen bij het vinden, onderwijzen, dopen en begeleiden. Moedig de leden aan om vriendschap te sluiten met de mensen die je onderwijst en die mensen uit te nodigen voor wijk- en gezinsactiviteiten. Vraag de leden om relevante persoonlijke ervaringen en hun getuigenis te delen.

Zendelingen moeten bij elkaar blijven in koppels. Daarom zijn er geen uitwisselingen van zendelingen met leden. Vrouwelijke leden (die op zijn minst 16 jaar zijn, of ouder als de plaatselijke wetgeving dat vereist) kunnen met twee of meer zendelingzusters meegaan en onderwijzen. Mannelijke leden (die op zijn minst 16 jaar zijn, of ouder als de plaatselijke wetgeving dat vereist), kunnen met twee of meer mannelijke zendelingen meegaan en onderwijzen. Echtparen kunnen lesgeven met zusters of mannelijke zendelingen.

2.3.4

Verwijzingen

Een verwijzing is wanneer iemand een verzoek aan de zendelingen heeft gedaan om contact met hem of haar op te nemen.

Bij het samenwerken met mensen die naar je verwezen zijn:

  • Neem zo mogelijk contact op met de zendelingen, leden of personen die de verwijzing hebben gegeven. Overleg met hen hoe je de persoon kunt helpen.

  • Probeer zo snel mogelijk contact op te nemen met de persoon die is verwezen, doorgaans binnen 24 uur.

  • Luister naar de verwezen persoon en stel vast hoe je hem of haar kunt helpen.

  • Lever de eventueel gevraagde artikelen af.

  • Houd bij het onderwijzen rekening met de behoeften en interesses van de persoon.

  • Blijf samenwerken met de zendelingen, leden of personen die de verwijzing hebben gegeven (zie 2.2.4).

Zie voor meer informatie over verwijzingen ‘Verwijzingen via de media of de hoofdzetel van de kerk’ in ‘Hoe vind ik mensen die ik kan onderwijzen?’ in Predik mijn evangelie, hoofdstuk 9.

2.3.5

Vergaderingen en raden

Zendelingen overleggen met elkaar als ze instructies geven en ontvangen, en bij het plannen en coördineren van zendingswerk. Vergaderingen en raden dienen de Geest van de Heer uit te nodigen en een tijd voor openbaring te zijn (zie Leer en Verbonden 6:32). Daarnaast is het zo dat als je als zendelingen bij elkaar komt, je de kans krijgt om elkaar op te bouwen en je te verheugen in je arbeid (zie Leer en Verbonden 43:8; 50:22).

Vergaderingen die door zendelingenkoppels, jonge zendeling-leiders en zendingsleiders georganiseerd worden, zijn onder meer:

  • Dagelijkse en wekelijkse planning

  • Districtsraadsvergaderingen

  • Zoneconferenties

  • Vergaderingen van de zendingsleidingsraad

Vergaderingen die door plaatselijke leiders worden georganiseerd, zijn onder meer:

  • Coördinerende zendingsvergaderingen

  • Wijkraadsvergaderingen

2.3.6

Doopgesprek

Mannelijke zendelingen die een doopgesprek voeren, behoren:

  • te lezen wat de Heer in Leer en Verbonden 20:37 heeft gezegd;

  • de leiding van de Heilige Geest te volgen;

  • de vragen in het gedeelte ‘Doop en bevestiging: vraag en antwoord’ van hoofdstuk 12 in Predik mijn evangelie te lezen;

  • de vragen aan te passen aan de leeftijd en het bevattingsvermogen van de kandidaat;

  • ervoor te zorgen dat de quorumpresident ouderlingen of wijkzendingsleider van tevoren op de hoogte is van het doopgesprek.

Als de kandidaat-dopeling dat wil, kan hij of zij een ouder, huwelijkspartner of andere volwassene uitnodigen om bij het doopgesprek te zijn. Ga tactvol om met de gevoelens van iemand met wiens huwelijkspartner of minderjarig kind een doopgesprek wordt gevoerd. Volg de richtlijnen in Predik mijn evangelie voor een gesprek met en het verkrijgen van toestemming voor de doop van huwelijkspartners en minderjarigen. (Zie ‘Een goed doopgesprek’ in ‘Hoe bereid ik mensen voor op de doop en de bevestiging?’ in Predik mijn evangelie, hoofdstuk 12.)

Districtsleiders spreken met kandidaat-dopelingen die door zendelingen in hun district zijn onderwezen, met inbegrip van de mensen die zijn onderwezen door de assistenten van de president, zoneleiders en zustertrainingsleidsters in hun district.

Zoneleiders hebben een gesprek met kandidaat-dopelingen die door districtsleiders in hun gebied zijn onderwezen.

Als de toegewezen districts- en zoneleiders niet beschikbaar zijn, kan de zendingspresident een andere mannelijke zendeling aanwijzen om het gesprek te voeren.

2.3.7

Dopen

Werk samen met de quorumpresident ouderlingen of de wijkzendingsleider om een doopdienst te organiseren. (Zie ‘De doopdienst’ in ‘Hoe bereid ik mensen voor op de doop en de bevestiging?’ in Predik mijn evangelie, hoofdstuk 12.) Begin zo snel mogelijk met de voorbereiding van de doopdienst.

2.4

Dagelijkse activiteiten en dagschema

Plan je schema om het doel van je zending te vervullen en concentreer je op de behoeften van anderen. Bedenk wat de Heer belooft aan hen die zijn evangelie onderwijzen: ‘En al ware het zo dat u al uw dagen arbeidde om dit volk bekering toe te roepen, en slechts één ziel tot Mij bracht, hoe groot zal dan uw vreugde met hem zijn in het koninkrijk van mijn Vader!’ (Leer en Verbonden 18:15.)

2.4.1

Voorbeelden van dagelijkse activiteiten

Neem de volgende activiteiten in je dagschema op:

  • Doelen stellen en evalueren: voor jezelf, met je collega en voor het zendingswerk.

  • Je schema voor de dag plannen.

  • Lessen voorbereiden.

  • De Schriften, Predik mijn evangelie, leringen van de hedendaagse profeten en apostelen, en andere goedgekeurde materialen bestuderen (zie 2.4.4).

  • Eén gezondheids- of veiligheidsonderwerp of een van de voorzorgsmaatregelen voor veilig technologiegebruik doornemen (zie 4.0–4.7).

  • Mensen vinden om te onderwijzen.

  • Samenwerken met plaatselijke leiders en leden.

  • Anderen in geplande of ongeplande activiteiten dienen.

  • Zorgen voor persoonlijke behoeften, zoals eten en voorbereiding op de dag.

2.4.2

Voorbeeld dagschema

Het dagelijkse schema voor je zending kan er als volgt uitzien. Het dagelijkse schema kan door de zendingspresident worden aangepast aan feestdagen, bijzondere evenementen in je zendingsgebied enzovoort.

06.30 uur

De dag beginnen.

06.30–10.00 uur

Gebed.

Lichaamsbeweging (30 minuten).

Douchen, ontbijten, dagvoorbereiding.

Persoonlijke studie (60 minuten).

Planning (30 minuten).

10.00–21.00 uur

Mensen zoeken, onderwijzen en dienen.*

Gedurende de dag een digitaal of papieren verslag bijhouden.

In het kort een gezondheids- of veiligheidsonderwerp of een van de voorzorgsmaatregelen voor veilig technologiegebruik bespreken.

Met je collega studeren en lessen voorbereiden (30 minuten).

Tijdens de eerste twaalf weken in het veld: aanvullend materiaal voor nieuwe zendelingen en trainers bestuderen (30–60 minuten, waar van toepassing).

Je zendingstaal bestuderen (30–60 minuten, waar van toepassing).

Lunch en avondeten (opgeteld niet meer dan twee uur).

21.00 uur

Weer thuis, tenzij je een afspraak hebt; in dat geval ben je om 21.30 uur weer thuis.

21.00–21.30 uur

In je dagboek schrijven, klaarmaken voor de nacht, gebed.

21.30–22.30 uur

Naar bed.

*Je dagelijkse activiteiten dienen gericht te zijn op interactie met mensen. Spreid je planning en studieactiviteiten gedurende de dag uit om te voorkomen dat je lang achter elkaar thuis bent. Als afstand en tijd het toelaten, kun je gedurende de dag voor deze zaken naar huis gaan.

Het schema dat voor je zending is goedgekeurd, bevat tijd om te werken, te rusten en jezelf op te laden. Het is voor je geestelijk, emotioneel en lichamelijk welzijn belangrijk om voldoende rust en voeding te krijgen.

2.4.3

Doelen stellen en plannen maken

Maak dagelijks en wekelijks plannen met je collega. Denk na over de behoeften van de mensen die je onderwijst en hoe je met de leden kunt samenwerken. Evalueer hoe alles gaat, stel doelen en maak plannen voor de dag en de week. (Zie ‘Doelen stellen’, ‘Wekelijkse planning’ en ‘Dagelijkse planning’ in ‘Hoe gebruik ik mijn tijd verstandig?’ in Predik mijn evangelie, hoofdstuk 8.)

2.4.4

Studie

Gebruik je persoonlijke en gezamenlijke studietijd om je te concentreren op de Schriften (in het bijzonder het Boek van Mormon), Predik mijn evangelie, de leringen van de hedendaagse profeten (die in de Evangeliebibliotheek staan) en deze normen. Deze goedgekeurde leermiddelen kunnen je kennis en getuigenis van het herstelde evangelie van Jezus Christus vergroten en je helpen om te voorzien in de behoeften van de mensen die je onderwijst.

Als je een nieuwe taal moet leren, bestudeer en oefen die dan dagelijks.

Als nieuwe zendeling studeer je de eerste twaalf weken in het zendingsveld 30 tot 60 minuten extra met je trainer. (Zie ‘For New Missionaries: Additional Companion Study’ in ‘Introduction: How Can I Best Use Preach My Gospel?’ in Preach My Gospel.)

2.4.5

Maaltijden met anderen

Waar van toepassing geven je zendingspresident en de plaatselijke ringpresident richtlijnen voor het plannen van maaltijden met mensen in je zendingsgebied. Wanneer leden of anderen maaltijden aanbieden:

  • Respecteer dan hun persoonlijke situatie en tijd.

  • Wees dankbaar voor het voedsel dat ze aanbieden.

  • Vraag of je een les van 15 of 20 minuten vóór of na de maaltijd mag geven om de mensen die je bezoekt te sterken en je de kans te geven je onderwijs met de Geest te verbeteren.

Een volwassene van hetzelfde geslacht dient bij jou en je collega aanwezig te zijn als je een maaltijd bij iemand van het andere geslacht krijgt.

2.5

Voorbereidingsdag

Je zendingspresident wijst elke week één dag als voorbereidingsdag aan. Op de voorbereidingsdag kun je jezelf lichamelijk, geestelijk en emotioneel opladen om ‘te allen tijde en in alle dingen en op alle plaatsen […] als getuige van God op te [kunnen] treden’ (Mosiah 18:9). Jij en je collega hebben dan ook de gelegenheid om samen met andere zendelingen in je district van gezonde ontspanning te genieten (zie 3.6).

Denk aan deze passende waarschuwingen van de Heer: ‘Loop niet harder, of werk niet meer, dan u kracht [wordt] verschaft’ (Leer en Verbonden 10:4) en ‘ga vroeg naar bed, opdat u niet vermoeid zult zijn; sta vroeg op, opdat uw lichaam en uw geest versterkt zullen worden’ (Leer en Verbonden 88:124).

2.5.1

Voorbereidingsdagsactiviteiten

Voorbereidingsdagsactiviteiten zijn onder meer, maar niet beperkt tot:

  • Communiceren met je familie, zendingspresident en vrienden (zie 3.9)

  • De was doen

  • Naar de kapper gaan en andere persoonlijke verzorging

  • Schoonmaken

  • Boodschappen doen

  • Rusten

  • Aan goedgekeurde recreatieve activiteiten deelnemen (zie 3.6)

2.5.2

Indeling van de voorbereidingsdag

Een voorbereidingsdag kan er ongeveer zo uitzien:

06.30 uur

De dag beginnen.

06.30–08.00 uur

Gebed.

Douchen, ontbijten, dagvoorbereiding.

Planning (30 minuten).

Persoonlijke studie (30 minuten).

08.00–18.00 uur

Voorbereidingsdagsactiviteiten (zie 2.5.1).

Noot: alle voorbereidingsdagsactiviteiten eindigen uiterlijk om 18.00 uur.

18.00–21.00 uur

Mensen vinden, onderwijzen en dienen.

21.00 uur

Weer thuis. Als je een afspraak hebt, ben je om 21.30 uur weer thuis.

21.00–21.30 uur

In je dagboek schrijven, klaarmaken voor de nacht, gebed.

21.30–22.30 uur

Naar bed.

2.6

Sabbatactiviteiten

Plan activiteiten op de sabbat die je helpen om het doel van je zending te vervullen, namelijk anderen vinden, onderwijzen, dopen en helpen om meer op onze hemelse Vader en Jezus Christus te gaan lijken. Denk aan de leringen van de Heer over de sabbat in Leer en Verbonden 59:13–19. Let op de woorden en zinsneden die aangeven dat een ware sabbat vreugde, blijdschap, een blij hart en een opgewekt gelaat inhoudt.

Zondagse activiteiten zijn onder meer naar de kerk gaan, de algemene conferentie, de algemene bijeenkomsten van de ringconferentie en andere vergaderingen zoals de wijkraad (op uitnodiging) bijwonen. Ook het maandelijkse vasten hoort hierbij.

De Heer vraagt je niet om als zendeling niet te eten, behalve tijdens de maandelijkse vasten, of om minder te slapen om een toegewijdere zendeling te zijn. Zo nu en dan kun je voor een bepaald doel vasten, maar vast nooit langer dan 24 uur.

2.7

Dienstbetoon in de gemeenschap

Je kunt leren om een discipel van Jezus Christus te zijn door te dienen zoals Hij dat deed. ‘En zie, ik vertel u deze dingen opdat u wijsheid zult leren; opdat u zult leren dat wanneer u in dienst van uw medemensen bent, u louter in dienst van uw God bent’ (Mosiah 2:17).

Je behoort met een oprecht verlangen te dienen om anderen te helpen zonder een bepaalde uitkomst te verwachten. Volg alle richtlijnen voor dienstbetoonprojecten (zie 7.2), in het bijzonder over het niet onderwijzen tijdens dienstbetoon en geen dienstbetoon doen waar je alleen met kinderen bent. Als iemand interesse in je boodschap heeft, antwoord dan heel kort en maak een afspraak met hen om op een andere tijd en plaats een boodschap te delen.

Zie voor meer informatie paragraaf 7.2, ‘Richtlijnen voor dienstbetoon’.