O, hoe groot is het plan van onze God!
    Footnotes

    O, hoe groot is het plan van onze God!

    Wij worden door zo’n verbazingwekkende overvloed aan licht en waarheid omringd dat ik me afvraag of we werkelijk waarderen wat we hebben.

    Wat fijn dat we hier weer in deze wereldwijde conferentie onder de leiding van onze geliefde profeet en president, Thomas S. Monson, vergaderd zijn. President, we hebben u lief en we steunen u met heel ons hart!

    In mijn beroep als piloot verliet ik me grotendeels op de precisie en de betrouwbaarheid van computersystemen, maar ik had zelden iets te doen op mijn eigen pc. In mijn kantoorwerk als leidinggevende had ik assistentes en secretaresses die me vriendelijk met het werk hielpen.

    Maar dit veranderde allemaal toen ik in 1994 als algemeen autoriteit werd geroepen. Mijn roeping bracht veel geweldige gelegenheden met zich mee om anderen te dienen, maar het omvatte ook veel kantoorwerk voor de kerk — meer dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.

    Het was een schok dat het voornaamste hulpmiddel bij mijn werk een computer was.

    Voor de eerste keer in mijn leven moest ik me verdiepen in deze vreemde, verwarrende, onbegrijpelijke wereld.

    Vanaf het begin kon ik al niet goed met de computer opschieten.

    Technische mensen leerden me hoe ik de computer moest gebruiken. Ze stonden letterlijk achter me, reikten over mijn schouder heen en tikten met hun vingers bliksemsnel een symfonie op het toetsenbord.

    ‘Ziet u wel?’, zeiden ze dan trots. ‘Zo doet u dat.’

    Maar ik zag het niet. Het was een moeizame overgang.

    Mijn leercurve leek meer op een muur waar ik tegenaan liep.

    Er was veel tijd, oefening, geduld, heel veel hoop en geloof, en geruststelling door mijn vrouw voor nodig, en vele liters dieetfrisdrank van een merk dat ik niet zal noemen.

    Nu, 22 jaar later, ben ik omringd door computertechniek. Ik heb een e-mailadres, een Twitteraccount en een Facebookpagina. Ik heb een smartphone, tablet, laptop en een digitale camera. En hoewel mijn technische vaardigheden die van de gemiddelde zevenjarige niet evenaren, doe ik het niet slecht voor iemand die in de zeventig is.

    Maar ik heb iets interessants ontdekt. Hoe beter ik met techniek leer omgaan, hoe meer ik het voor vanzelfsprekend aanneem.

    In de geschiedenis van de mensheid is de communicatie grotendeels met de snelheid van een paard verlopen. Een boodschap versturen en antwoord krijgen kon dagen of zelfs maanden duren. Tegenwoordig leggen onze boodschappen duizenden kilometers door de ruimte of duizenden meters over de oceaanbodem af om iemand aan de andere kant van de wereld te bereiken. En als er zelfs maar een vertraging van enkele seconden is, raken we gefrustreerd en ongeduldig.

    Het lijkt de menselijke aard te zijn: zodra we met iets vertrouwd raken, zelfs iets wonderbaarlijks en ontzagwekkends, raken we dat ontzag kwijt en behandelen we het alsof het heel gewoon is.

    Beschouwen we geestelijke waarheden als vanzelfsprekend?

    Onze hedendaagse technieken en gemakken voor vanzelfsprekend aannemen, kan een relatief onbeduidende kwestie zijn. Maar helaas nemen we soms een soortgelijke houding aan tegenover de eeuwige, zielsverruimende leer van het evangelie van Jezus Christus. Ons is in de Kerk van Jezus Christus zoveel gegeven. Wij worden door zo’n verbazingwekkende overvloed aan licht en waarheid omringd dat ik me afvraag of we werkelijk waarderen wat we hebben.

    Denk eens aan die eerste discipelen die tijdens de aardse bediening van de Heiland met Hem omgingen en met Hem spraken. Denkt u zich eens in hoeveel dankzegging en eerbied hun hart en verstand moeten hebben overspoeld toen ze Hem als herrezen Persoon zagen, toen ze de wonden in zijn handen voelden. Hun leven zou nooit meer hetzelfde zijn!

    Denk eens aan de eerste heiligen in deze bedeling, die de profeet Joseph kenden en hem het herstelde evangelie hoorden prediken. Bedenk eens hoe zij zich gevoeld moeten hebben toen ze eenmaal wisten dat de sluier tussen aarde en hemel weer was opengedaan en er licht en kennis uit ons hemelse thuis op aarde kwam.

    Bedenk vooral hoe u zich voelde toen u voor het eerst geloofde en begreep dat u écht een kind van God bent, dat Jezus Christus bereidwillig voor uw zonden heeft geleden zodat u weer rein kunt worden; dat priesterschapsmacht echt bestaat en dat die u met uw dierbaren kan verbinden voor tijd en alle eeuwigheid; dat er momenteel een profeet op aarde is. Is dat niet verbazend en geweldig?

    Als u aan al die dingen denkt, hoe is het dan mogelijk dat uitgerekend wij niet enthousiast zijn over het bijwonen van onze kerkelijke erediensten? Of het lezen in de heilige Schriften beu zijn? Ik neem aan dat dit alleen maar mogelijk is als ons hart ongevoelig is geworden voor dankbaarheid en ontzag voor de heilige en sublieme gaven die God ons heeft verleend. We hebben levensveranderende waarheden binnen ons bereik, maar soms zijn we op het pad van het discipelschap aan het slaapwandelen. Maar al te vaak laten we ons afleiden door de onvolmaaktheden van onze medeleden in plaats van het voorbeeld van onze Meester te volgen. We bewandelen een pad dat met diamanten bezaaid is, maar we kunnen ze nauwelijks van gewone kiezelsteentjes onderscheiden.

    Een vertrouwde boodschap

    In mijn jonge jaren vroegen mijn vrienden me vaak naar mijn godsdienst. Vaak begon ik de verschillen uit te leggen, zoals het woord van wijsheid. Andere keren legde ik nadruk op de overeenkomsten met andere christelijke godsdiensten. Geen van beide maakte veel indruk op ze. Maar als ik het had over het grote plan van geluk dat onze hemelse Vader voor zijn kinderen heeft, had ik hun aandacht.

    Ik herinner me dat ik het heilsplan op een schoolbord in een klaslokaal van onze kerk in Frankfurt probeerde te tekenen. Ik tekende cirkels die het voorsterfelijk leven, het sterfelijk leven en de terugkeer naar onze hemelse Ouders na dit leven voorstelden.

    Als tiener bracht ik die opwindende boodschap erg graag over. Wanneer ik die beginselen in mijn eigen eenvoudige bewoordingen uitlegde, liep mijn hart over van dankbaarheid voor God, die zijn kinderen liefheeft, en voor de Heiland, die ons allemaal van de dood en de hel heeft verlost. Ik was erg trots op deze boodschap van liefde, vreugde en hoop.

    Sommige van mijn vrienden zeiden dat die boodschap vertrouwd leek, hoewel zoiets in hun godsdienstige opvoeding niet voorkwam. Het was net alsof ze altijd al hadden geweten dat dit waar was, alsof ik slechts licht wierp op iets wat altijd al diep in hun hart geworteld was geweest.

    Wij hebben antwoorden!

    Ik geloof dat in het hart van ieder mens wel de een of andere fundamentele vraag over het leven leeft. Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik hier? Wat gebeurt er met me na de dood?

    Stervelingen hebben die vragen al sinds het begin van de tijd gesteld. Filosofen, wetenschappers en geleerden hebben hun hele leven en fortuin besteed aan hun zoektocht naar de antwoorden.

    Ik ben dankbaar dat het herstelde evangelie van Jezus Christus antwoorden op de ingewikkeldste levensvragen heeft. In die antwoorden wordt in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen onderwezen. Ze zijn waar, duidelijk, eenvoudig en makkelijk te begrijpen. Ze zijn geïnspireerd en we behandelen ze zelfs in de zonnestraaltjesklas voor de driejarigen.

    Broeders en zusters, wij zijn eeuwige wezens, zonder begin en zonder einde. Wij hebben altijd bestaan.1 Wij zijn letterlijk geestkinderen van goddelijke, onsterfelijke, almachtige hemelse Ouders!

    Wij komen uit de hemelse hoven van de Heer, onze God. Wij zijn van het koninklijk huis van Elohim, de allerhoogste God. Wij woonden bij Hem in ons voorsterfelijke leven. Wij hoorden Hem spreken, waren getuige van zijn majesteit en we leerden van Hem.

    Wij namen deel aan een grote raadsvergadering waar onze geliefde Vader zijn plan voor ons presenteerde — dat we naar de aarde zouden gaan, een sterfelijk lichaam zouden ontvangen, leren kiezen tussen goed en kwaad, en vooruitgang zouden maken op manieren die anders niet mogelijk zouden zijn.

    Toen wij door de sluier dit sterfelijk leven ingingen, wisten we dat we ons het voorgaande leven niet meer zouden herinneren. Er zouden tegenstellingen en tegenstand en verleiding zijn. Maar we wisten ook dat een sterfelijk lichaam krijgen van allesovertreffend belang was. O, we hoopten zó dat we snel de juiste keuzes zouden leren doen, de verleidingen van Satan zouden weerstaan en uiteindelijk naar onze geliefde Ouders in de hemel zouden terugkeren.

    We wisten dat we zouden zondigen en vergissingen zouden begaan, misschien zelfs ernstige. Maar we wisten ook dat onze Heiland, Jezus Christus, had beloofd om naar de aarde te gaan, een zondeloos leven te leiden en vrijwillig als een eeuwig offerande zijn leven neer te leggen. We wisten dat we, als we Hem ons hart gaven, op Hem vertrouwden en er met alle energie van onze ziel naar streefden om het pad van het discipelschap te bewandelen, rein gewassen konden worden en naar onze geliefde Vader in de hemel konden terugkeren.

    Dus met geloof in de verzoening van Jezus Christus aanvaardden u en ik vrijwillig het plan van onze hemelse Vader.

    Daarom zijn wij op deze prachtige planeet aarde — omdat God ons de kans bood en we besloten die aan te grijpen. Maar ons sterfelijk leven is slechts tijdelijk en zal met de dood van ons sterfelijk lichaam eindigen. Maar uw en mijn wezen worden niet vernietigd. Onze geest leeft voort en wacht op de opstanding — die ons vrijelijk door onze liefhebbende hemelse Vader en zijn Zoon, Jezus Christus, wordt gegeven.2 Bij de opstanding worden onze geest en ons lichaam herenigd, vrij van pijn en lichamelijke gebreken.

    Na de opstanding komt er een dag des oordeels. Hoewel allen uiteindelijk gered zullen worden en een koninkrijk van heerlijkheid zullen beërven, zullen zij die op God vertrouwen en ernaar streven om zijn wetten en verordeningen in acht te nemen een leven in de eeuwigheid beërven dat onvoorstelbaar in heerlijkheid en overweldigend in grootsheid is.

    Die dag des oordeels wordt een dag van genade en liefde — een dag waarop gebroken harten genezen worden, tranen van verdriet plaatsmaken voor tranen van dankbaarheid, een dag waarop alles goed zal komen.3

    Ja, wij zullen grote smart om zonde hebben. Ja, wij zullen door spijt gekweld worden vanwege onze vergissingen, onze dwaasheid en onze koppigheid waardoor we kansen op een veel betere toekomst misliepen.

    Maar ik heb er vertrouwen in dat we niet alleen tevreden zullen zijn met Gods oordeel; we zullen versteld staan van, en overstelpt zijn door, zijn oneindige genade, barmhartigheid, grootmoedigheid en liefde voor ons, zijn kinderen. Als onze verlangens en werken goed zijn geweest, als we geloof in een levende God hebben, dan kunnen wij uitzien naar wat Moroni ‘het aangename gerecht van de grote Jehova, de eeuwige Rechter’ noemde.4

    Pro Tanto Quid Retribuamus

    Geliefde broeders en zusters, geliefde vrienden, vervult het uw hart en verstand niet met verwondering en ontzag als u aan het grote plan van geluk denkt dat onze geliefde Vader voor ons heeft bereid? Vervult het u niet met onuitsprekelijke vreugde om te weten welke heerlijke toekomst is weggelegd voor allen die de Heer dienen?

    Als u nog nooit zulke verwondering en vreugde hebt gevoeld, nodig ik u uit om de eenvoudige maar diepzinnige waarheden van het herstelde evangelie te bestuderen. ‘Laat de plechtige ernst der eeuwigheid immer in uw gedachten zijn.’5 Laat ze tot u van het goddelijke heilsplan getuigen.

    Als u nooit zo gestemd bent geweest, vraag ik u nu: ‘Kunt gij nu zo gestemd zijn?’6

    Onlangs was ik in de gelegenheid om naar het Noord-Ierse Belfast te reizen. Daar zag ik het wapen van Belfast, met het motto ‘Pro tanto quid retribuamus’, oftewel ‘Wat zullen wij in ruil voor zoveel geven?’7

    Denkt u eens over die vraag na. Wat zullen wij geven in ruil voor de overvloed aan licht en waarheid die God over ons heeft uitgestort?

    Onze geliefde Vader vraagt eenvoudigweg dat wij leven naar de waarheid die wij hebben ontvangen, en dat we het pad volgen dat Hij voor ons heeft bereid. Laten we daarom moed vatten en op de leiding van de Geest vertrouwen. Laten we in woord en daad de verbazingwekkende en ontzagwekkende boodschap van Gods plan van geluk aan onze medemens verkondigen. Moge onze liefde voor God en voor zijn kinderen onze motivatie zijn, want zij zijn onze broeders en zusters. Dat is het begin van wat wij in ruil voor dat alles kunnen doen.

    Op een dag zal ‘elke knie buigen en elke tong bekennen’ dat Gods wegen rechtvaardig zijn en dat zijn plan volmaakt is.8 Laat die dag voor u en mij vandaag zijn. Laten wij met Jakob vanouds uitroepen: ‘O, wat is het plan van onze God toch groot!’9

    Daarvan getuig ik met grote dankbaarheid aan onze hemelse Vader. En ik geef u mijn zegen. In de naam van Jezus Christus. Amen.